Een kans om te leven

Het is nogal gewaagd, je roman De kinderjaren van Jezus noemen. Zeker als in die roman geen personage met de naam Jezus figureert, het verhaal zich niet in bijbelse tijden maar het heden afspeelt en de plaats van handeling een raadselachtig abstract land is, waarvan je niet veel meer weet dan dat er Spaans wordt gesproken en dat er zich voortdurend nieuwkomers melden.

J.M. Coetzee
, De kinderjaren van Jezus, € 19,90 e-book, € 18,-

Met zo’n titel barstensvol betekenis geef je de lezer niet alleen de opdracht voorbij de letterlijke betekenis te zoeken, verder te graven dan de realistische en psychologische laag, je geeft ook behoorlijk dwingend een richting aan.

Even, aan het begin van de roman, lijkt die richtingwijzer een kant op te priemen die voor de hand ligt. Een man meldt zich aan het eind van de dag met een kind bij het herhuisvestings­centrum van Novilla. Ze zijn nieuwkomers, hij heeft zich ontfermd over het jongetje dat zijn moeder kwijt is, hij zoekt werk en een plek om te wonen. In het centrum is weliswaar een kamer, maar de sleutel is weg. De baliemedewerkster is zo vriendelijk ze die eerste nacht op te vangen, zij het dat ze niet in haar huis, maar in haar tuin, onder een paar stukken golfplaat moeten slapen. De richtingwijzer suggereert: vluchtelingen, noodopvang, akelige procedures, geen welkom onthaal.

Maar zo is het niet. Daar is J.M. Coetzee ook een veel te subtiele schrijver voor. Het naamloze land van De ­kinderjaren van Jezus wordt louter bevolkt door nieuwkomers, die ‘schoon­gewassen’ van hun oude banden een nieuw bestaan gaan leiden. Waarom zijn we hier? vraagt het kind aan de man. Zijn antwoord: ‘We zijn hier om dezelfde reden als iedereen. We hebben een kans gekregen om te leven en we hebben die kans gegrepen. Het is iets geweldigs, leven. Het is het geweldigste wat er is.’ De aankomst in het land lijkt nog het meest op een (nieuwe) geboorte.

Probleem is alleen dat de man, die Simón heet, niet helemaal lijkt te aarden in de nieuwe wereld. Hij is een ‘ontevredene’, een ‘buiten­beentje’, iemand die de wereld waarin hij terecht is gekomen niet voor vanzelfsprekend aanneemt. Waarom bestaat het voedsel hoofdzakelijk uit brood en is iedereen zo ascetisch? Het begint al met de baliemedewerkster die honger schamper ‘een hond in je buik’ noemt: hoe meer je hem voert, hoe meer hij wil. Vlees kun je in het land eigenlijk niet krijgen; de vleselijke liefde is ook afgezworen. Je ‘ontlading’ noemt een latere vriendin Simóns lustgevoe­lens, terwijl ze hem lusteloos zijn gang laat gaan. Totdat ze hem aanraadt zijn gerief te zoeken in een ‘salón comfort’, een recreatiecentrum dat je, na het invullen van een vragenformulier, op een wachtlijst plaatst, totdat een van de therapeuten ruimte heeft. Het niet met name genoem­de land is een steriel utopisch oord – met enige fantasie kun je stellen dat het christendom er gevestigd is. Geen lust, maar naastenliefde. Geen verlangens, maar goede bedoelingen. Geen slimme techniek, al bestaat die wel, maar zinloos werk in ‘het zweet des aanschijns’.

Simón vindt een betrekking als stuwadoor in de haven, als een Sisyfus sjouwt hij graanzakken, ze zijn nooit op. Hij is de oudste en traagste sjouwer, maar van zijn kameraden ontvangt hij slechts warmte en welwillendheid. Ze voeren tussen het werken door filosofische gesprekken, de graankade is vaak een heuse agora. Geen wonder: de mannen gaan niet naar de hoeren en niet uit drinken, ze volgen gratis filosofie­cursussen aan het Instituut. Simón realiseert zich: ‘Iedereen is druk bezig een betere burger te worden, een beter mens. Iedereen behalve hij.’ Hij houdt niet van dit land waar ironie niet ­bestaat en er geen zout is bij de maaltijd.

In het land mag dan geen ironie zijn, Coetzee is wel ironisch. Zo is er ook het kind, David, een jongetje van vijf, dat, denk aan de titel, vast een kleine heiland is. En ja hoor, hij wil goochelaar worden, of anders mensenredder. Simón vindt een moeder voor hem, een kinderloze vrouw, een ‘maagdelijke lei’, die hij tot natuurlijke moeder bombardeert. Ze koestert het jongetje in haar armen, hij duimend en kwijlend, als een karikatuur van Maria. Al snel blijkt hoe bijzonder hij is. Hij leert zichzelf lezen en schrijven, zij het dat het om een eigen taal en schrift gaat. Ook zijn omgang met de getallen is volkomen eigenzinnig. Op school loopt het dan ook mis: hij past zich niet aan, hij is subversief. Als hij van zijn onderwijzer moet schrijven: ‘Ik moet de waarheid spreken’, schrijft hij: ‘Yo soy la verdad’. Ik ben de waarheid.

In dat verzonnen, van het christendom doordrenkte land zou een nieuwe Jezus niet kunnen aarden. David wordt in ieder geval naar een internaat gestuurd, waar hij uit ontsnapt. Volgt de vlucht voor de instanties met zijn surrogaat-ouders, die Maria-en-Jozef-remplaçanten, van wie hij weet: ‘Ik heb geen moeder en ik heb geen vader. Ik ben er gewoon.’

De kinderjaren van Jezus is een buitengewoon prikkelende roman. Het is, ironisch genoeg, de ontevreden Simón, het buitenbeentje, dat David moet leren zich aan te passen aan de werkelijkheid. Op al het waaromgevraag van het kind is uiteindelijk het antwoord: omdat de wereld nu eenmaal zo in elkaar zit. ‘De wereld is niet voor ons gemak gemaakt, mijn jonge vriend. Het is aan ons om ons aan te passen.’ Zegt de man die zich eigenlijk niet kan aanpassen. Maar die, in zijn grote liefde voor het jongetje, schippert. De bandeloosheid wijst hij af; met de bloe­deloosheid kan hij niet overweg. Het is juist die liefde voor David, die Coetzee heel mooi schildert, die hem de weg van het midden doet kiezen.


J.M. Coetzee
De kinderjaren van Jezus
Vertaling: Peter Bergsma, Cossee, 318 blz., €19,90