Een karakterologische reisgids voor bosnie

OP ZIJN levensavond tekende de Joegoslavische schrijver en Nobelprijswinnaar Ivo Andric (1892-1975) een somber beeld van de toekomst van zijn land. In een van zijn essays klonk het wrang: ‘Het leven van onze volkeren kent een bitter en leeg verloop, vol kwaadaardige en wraakzuchtige gedachten en periodieke opstanden. Voor iets anders zijn ze ongevoelig en ontoegankelijk. Soms vraag je je af of de ziel van de meerderheid van de Balkan-volkeren niet voor altijd vergiftigd is. Misschien zijn ze tot niets anders in staat dan te lijden onder het geweld of anderen geweld aan te doen.’

Andric zelf heeft altijd gepoogd om de tegenstellingen die het leven in Joegoslavie in het algemeen en Bosnie in het bijzonder tot een haast onmogelijke opdracht maakten, in zijn eigen persoon op te heffen. De schrijver had een Kroatische naam, hij schreef in het Servisch, maar hij voelde zich in de eerste plaats toch een Bosnier, dat wil zeggen een inwoner van een complex gebied waar verscheidene volkeren (Serviers, Kroaten, Turken, Oostenrijkers, Hongaren, joden, zigeuners, enzovoort) met verschillende godsdiensten (katholiek, orthodox, islamitisch, joods et cetera) op een redelijk vreedzame manier met elkaar samenwoonden. In al zijn romans en verhalen heeft Andric, die bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zijn diplomatieke carriere opgaf en in Belgrado een teruggetrokken schrijversbestaan leidde, beschreven hoe moeilijk het was om dat wankele evenwicht in de Bosnische samenleving te handhaven, ‘dat evenwicht, waar het leven altijd en overal en van oudsher naar streeft en maar zelden bereikt, en dan meestal nog maar ten dele en voorbijgaand’.
Zijn belangrijkste romans (De juffrouw, De brug over de Drina, De kroniek van Travnik) heeft Andric geschreven tijdens de Tweede Wereldoorlog, in het door de Duitsers bezette Belgrado. Toen de Servische hoofdstad door de geallieerden werd gebombardeerd en de mensen met have en goed op de vlucht sloegen, bleef Andric in zijn appartement onverstoorbaar aan zijn romans schrijven. Later antwoordde hij op de vraag van een vriend wat hem destijds had bezield: 'Ik keek door mijn venster en zag de mensen vluchten. Allemaal trachtten ze iets te redden, hun vrouw, hun kinderen, iets kostbaars. Maar ik had alleen maar mijn eigen leven te redden, en het zou beneden mijn menselijke waardigheid zijn geweest om daarvoor op de vlucht te slaan.’
In deze woorden ligt iets van de onverschrokken beslistheid waarmee de zieltogende hodja of priester aan het slot van De brug over de Drina weigert zijn ogen te sluiten voor de verschrikkingen die de oorlog aanricht: 'Het is niet voldoende, iets de rug toe te keren, om te maken dat het je niet meer achtervolgt en martelt.’ Het is 1914. De brug met de elf bogen die sinds 1571 de Drina overspant, is door Servische en Oostenrijkse bommen gedeeltelijk vernield. Dat dit voor de inwoners van Visegrad, die zich hun stadje niet zonder de brug kunnen voorstellen, een ramp is, wordt verduidelijkt aan de hand van een legende die de moslims aan elkaar doorvertellen. Ooit hebben engelen boven afgronden en rivieren hun vleugels gespreid zodat de mensen erover konden lopen: 'Zo leerden de mensen van Gods engelen hoe men bruggen bouwt. En daarom is het - na de fontein - de grootste zegen een brug te bouwen en de grootste zonde daar aan te komen.’
ZOALS GEZEGD speelt Andrics kroniek zich af in Visegrad, een klein stadje in het oosten van Bosnie dat de schrijver, zelf in Travnik geboren, goed kende omdat hij er naar school ging voor hij aan de universiteiten van Sarajevo, Zagreb, Wenen en Krakau Slavische talen begon te studeren. Als student behoorde Andric tot de revolutionaire nationalistische jeugd van Sarajevo (Mlada Bosna of Jong Bosnie) die de aanslag van 28 juni 1914 op de Oostenrijkse troonpretendent Frans Ferdinand hielp voorbereiden. In De brug over de Drina kijkt de schrijver met een ironische blik op deze koortsachtige tijd terug in de passage waar hij de jonge Tomas Galus laat dwepen met een toekomstige nationale staat waarin alle Zuid-Slaven op grond van gelijkheid samengevoegd zullen zijn: 'Je zult het zien, wij zullen een Staat verwezenlijken die de waardevolste bijdrage zal leveren voor de vooruitgang der mensheid, waarin iedere inspanning gezegend, ieder offer heilig, iedere gedachte oorspronkelijk zal zijn, gedragen door onze taal en ieder werk getekend met het zegel van onze naam.’ Het is het soort holle retoriek dat nog altijd in ex-Joegoslavie, de Balkan en sommige Middeneuropese landen wordt gehanteerd.
De majestueuze brug over de rivier is voor Andric niet alleen een attribuut dat vier eeuwen en twee oevers overspant, maar ook een kunstwerk dat een verbinding vormt tussen de katholieke en de orthodoxe, de christelijke en de islamitische wereld. Visegrad is niets anders dan een microkosmos waar al die tegenstellingen tussen religies, nationaliteiten en overtuigingen zich ontplooien, terwijl de brug en het water twee symbolen vormen voor respectievelijk zowel de taaiheid als de vluchtigheid van het leven.
Het leven zoals het zich afspeelt aan de voet van de brug en zoals het wordt beinvloed door de grote politiek die Stamboel en Wenen uitstippelen, wordt becommentarieerd op de kapija, het grote terras in het midden van de brug. Hier wordt overdag gedronken en gediscussieerd, ’s nachts gedanst, de liefde bedreven en ook wel eens verkracht. De brug over de Drina is het gevaarte waar de gemeenschappelijke herinnering van de lokale bevolkingsgroepen aan vastgroeit als het vlees aan de schelp.
Het is bijna onmogelijk om deze roman niet te lezen als een commentaar bij de recente gebeurtenissen in Bosnie. Dat is ook de verklaring waarom hij nu in een helaas niet opgepoetste vertaling uit de kelders van de vergetelheid is opgediept. In haar recent gepubliceerde essaybundel De cultuur van leugens klaagt de uit Kroatie afkomstige schrijfster Dubravka Ugresic dat de roman van Ivo Andric tegenwoordig door buitenlandse politici en onderhandelaars met veel belangstelling wordt gelezen als een etnografische en karakterologische reisgids.
Kan het anders? Zeker, de vertellingen over liefde en dood, over wijzen en ploerten, over verkrachters en dronkelappen blijven charmeren, maar wat in de eerste plaats onze aandacht vasthoudt is hoe Andric het grillige verloop van de geschiedenis vanuit het Bosnische perspectief laat zien: de Turkse bezetting van Bosnie; het terugdringen van de Turken door eerst de Oostenrijkers en daarna de Serviers; het doordringen van de Oostenrijkers in Bosnie in 1878 en later de annexatie van Bosnie door Wenen en tenslotte het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, na het drama in Sarajevo en de bloedige reactie van de Oostenrijkers die zich - bijgestaan door autochtoon gespuis - op de Servische bevolking in Bosnie richt: 'De echte jacht op de Serviers en iedereen die met hen in verbinding stond, begon toen pas. De mensen raakten verdeeld in vervolgden en vervolgers. Dat hongerige dier, dat in elke mens leeft en zich niet mag laten zien zolang de remmen van de goede zeden en de wet nog werken, was nu vrijgelaten.’
Met even veel bezorgdheid heeft Andric zich ingeleefd in de wereld van de moslims die verweesd achterbleven toen de Turkse grootmacht zich op een steeds kleiner gebied moest terugtrekken, een historische gebeurtenis die door de auteur met grote stilistische vaardigheid wordt beschreven: 'En nu moesten zij beleven hoe die macht, als een fantastische ebbe, plotseling wegtrekt en terugwijkt tot in een onafzienbare verte, terwijl zij, bedrogen en bedreigd, als zeeplanten op het droge achterblijven, overgelaten aan zichzelf en aan hun zware lot.’
De schrijver van De brug over de Drina is geen nationalist, hij zoekt geen zondebokken en onderneemt geen enkele poging om het ene volk in een beter daglicht te stellen dan het andere. Zelfs het Turkse volk wordt door hem niet zwartgemaakt, al hebben de Bosniers zwaar onder het Turkse juk geleden. Wel ontkomt men niet aan de indruk dat voor Andric het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog een onherstelbare kentering vormt in de manier waarop de Bosnische volkeren tot dusver in koel respect met elkaar waren omgegaan: 'Alleen waren nu de mensen van verschillende geloofsrichtingen niet als vroeger vermengd en door een gevoel van saamhorigheid en van een gemeenschappelijke ramp verbonden. Ze zaten niet meer bijeen om in een gesprek verlichting te zoeken. De Turken zitten in de Turkse huizen en de Serviers, als pestlijders, in de Servische. Maar ondanks deze afgescheidenheid en versplintering leven ze toch min of meer hetzelfde leven.’
IN DE BRUG over de Drina zijn de historische krachtlijnen, die vandaag Bosnie nog steeds verdelen na het titoistische intermezzo, reeds in alle scherpte getekend. Daartoe behoort het Servische ressentiment tegen het Westen in het algemeen en tegen Oostenrijk en Duitsland in het bijzonder. Daartoe behoort ook de affiniteit van de Bosnische moslims met Turkije, wat teruggaat op het feit dat de muzelmannen van Bosnie-Herzegovina zichzelf in het verleden als Turkse patriotten beschouwden en elkaar aanspraken met uitdrukkingen als: 'Antwoord me, als je een Turk bent’, ook al spraken die Bosnische moslims geen Turks, maar Servo-Kroatisch. De Bosnische Turken waren immers autochtone Slaven die zich tot de islam bekeerden nadat de Osmanen Bosnie hadden ingepalmd.
Hoe dan ook, het zou verkeerd zijn om De brug over de Drina te willen lezen als een voorafspiegeling van het onontkoombare geweld dat zich nu in Bosnie voordoet, ook al doet Andric zelf bij monde van zijn hodja geen moeite om de verschrikkingen die zich in Bosnie afspelen voor uitbreiding vatbaar te achten: 'Wie weet, misschien zullen deze onmensen, die met hun doen alles ordenen, oppoetsen, veranderen en corrigeren, zich over de gehele aarde verspreiden, misschien zullen ze van Gods hele aarde een woestenij maken voor hun zinloze bouwen en hun misdadige vernietiging, een weide voor hun onverzadiglijke honger en hun onbegrijpelijke begeerten.’