Een kastkind als proefkonijn

Russ Rymer, Genie. Vertaald door Ronald Cohen, Anthos, 215 blz., f29,90
In een documentaire was ze onlangs te zien, een mager meisje dat haar armen met afhangende handjes naar voren strekte als een konijn. Zo zag ze eruit toen ze in 1970 aan de arm van haar moeder de sociale dienst in Los Angeles binnenstapte. Dat gebeurde per abuis want de blinde vrouw, die zojuist haar gewelddadige echtgenoot was ontvlucht, zocht een blindeninstituut.

Het meisje zag eruit als een autistisch kind van zeven maar bleek ruim dertien. Ze was haar leven lang door de vader in een geblindeerde kamer opgesloten; overdag vastgebonden op een kakstoel, ’s-nachts in een met gaas bespannen bed. Nadat zijn oude moeder door een dronken puber was doodgereden, had de man zijn vermeend zwakzinnige dochtertje tegen de boze buitenwereld willen beschermen.
De media stortten zich op het geval. Genie werd de schuilnaam voor het meest beschadigde kind dat men ooit had gezien en dat in vijf jaar tijd het meest geteste proefkonijn zou worden, belaagd door psychologen, neurologen en lingui"sten. Zo ongewenst als zij bij haar geboorte was, zo gelegen kwam het ‘kastkind’, een variant van het 'wolvekind’.
In 1957 had Noam Chomsky een omwenteling teweeggebracht met zijn stelling dat taal een fysieke functie is, een mentaal orgaan van de hersenen. Zijn theorie dat taal een aangeboren vermogen dat op syntactisch niveau voor alle talen gelijk is, werd tien jaar later bevestigd door neuropsycholoog Eric Lenneberg met zijn theorie van de kritische periode. In de biologie was al langer bekend dat bepaalde functies slechts tot een bepaald moment in de ontwikkeling kunnen worden verworven. Lenneberg paste dat toe op de taalontwikkeling en concludeerde dat het vermogen om een eerste taal te leren eindigt rond de twaalf jaar. Genie kwam als geroepen om het bewijs te leveren dat geen experiment had kunnen geven. Lingui"ste Susan Curtiss, toevallig op zoek naar een onderwerp voor haar proefschrift, tekende in de daaropvolgende jaren alles van Genie op. De woordenschat van het meisje nam aanzienlijk toe. Zij begreep ook veel meer dan ze kon uiten. Maar tot een grammaticaal welgevormde zin is zij nooit gekomen. Bewees dit dat het leren van taal uitsluitend door de hersenen wordt georganiseerd?
In een later stadium wees onderzoek uit dat de linkerhelft van Genie’s hersenen in het geheel niet functioneerde. Was dat deel al in een vroeg stadium beschadigd en uitgeschakeld of was het door het totale isolement onvoldoende geprikkeld? Was er stimulatie nodig om de hersenen te organiseren en was taalverwerving in die zin dus wel degelijk van externe invloeden afhankelijk? Als taalkundig bewijs werd Genie toch weer een twijfelgeval.
Of het meisje zelf van al het onderzoek beter is geworden, is een heel andere vraag. Wat de wetenschapsjournalist Russ Rymer in zijn boek over Genie goed laat zien, is de heilloze stammenoorlog waarin Genie werd vermalen, een vervolg op de eerdere mishandeling. De taalkundige kant komt er door Rymers kennelijke afkeer van het specialistendom jammer genoeg een beetje bekaaid af, al heeft hij er wel aandacht voor. Ook zijn verhaal over de gruwelijke isolatieperiode van het meisje blijft summier, want de vader pleegde zelfmoord tijdens het proces dat eind 1970 volgde, de moeder schijnt alles verdrongen te hebben en Genie zelf beschikt niet over de middelen om er iets over te zeggen.
En dan zijn er nog de personen die haar nadien onder hun hoede hebben genomen, van wie de onderwijzeres op het revalidatiecentrum een geval en een verhaal apart is. Gedreven door wraakzucht toen zij niet de voogdij kreeg, won zij het van alle wetenschappers door tenslotte met de moeder samen te spannen. Even keert het meisje in 1975 nog bij haar moeder terug en dan gaat de ellende verder in nieuwe pleeggezinnen. Zinnen spreekt ook de volwassen Genie nog steeds niet. Woorden heeft ze genoeg, het verband is alleen zoek.