Een keizer werpt men niet op de vaalt

Men stele boeken niet. Tenzij zij zijn geworpen in een grot van ongenoegen en plaatsvervangende schaamte. Het zal 1980, 1981 zijn geweest. Met mijn broer bezocht ik de halfjaarlijkse ramsj-afdeling van de Eindhovense Vroom & Dreesman. Bij dergelijke gelegenheden gaat het niet om boeken kopen, men redt ze.

In een grote bak tussen boeken over kamerplanten, honderd vragen, fitness, populaire theologie, gelegenheidswerkjes en meer tijdverdrijf lag bijna als baken Van de afgrond en de luchtmens. Men betale nooit de halve prijs voor weggeslingerde exemplaren van zekere poezie. Men stele.
Onder het wakend oog van mijn broer heb ik die welverzorgde uitgave met op het achterplat die half duistere, half innige glimlach van de Meester onder mijn trui geschoven. Wij hebben ons langs de rij geperst die stond af te rekenen.
Een keizer werpt men niet op de vaalt. Hem is het recht voorbehouden zulks uit eigen verkiezing te laten geschieden, de vaalt der vliegen in een meesterschap van scheppend snijden op bacterien te ontleden.
In de jaren voor deze daad van rechtvaardigheid zocht ik als recalcitrant romantisch gymnasiast, geheim agent van de poezie, in schoolpauzes en vrije uren vaak afzijdig mijn weg door het nabijgelegen kasteelpark met zijn rododendronstruiken, wetend van een bloemrijke stem die in felste zachtmoedigheid van lichtend duister, in een rijke dans met de vier elementen, erudiet en humoristisch, groots toonde dat inderdaad zoals ik als jongetje van zes had gedacht, wonderlijke boeken konden worden geschreven, je bevrijdend van alledaagse gemakzucht, rechtlijnig gedebiteerd, vraatzucht die schraapzucht is.
De onbekende waarheden, zo had ik geleerd, toveren een spel van lucide ondoordringbaarheden voor die men sprekend kan bevatten. Wat anders dan te trachten te schrijven in zijn lijn - hoe belangrijk ook de aangever, Rodenko, Lucebert was de Meester.
Men verzette zich tegen de meesters. Vanaf 1978 trachtte ik jarenlang filosofie te studeren, mijn poezie te fatsoeneren. Totdat twijfel, ornaat van onzekerheid, wint. Ik stond voor de poeziekast van een inmiddels opgeheven Eindhovense boekhandel. Ik sloeg om raad willekeurig Triangel in de jungle op. Ik las: ‘Laat ze gaan die wijsbegeerte.’
Lucebert, wat anders dan u voor al uw woorden te danken - de aloude die nimmer verouderen. Men heeft het werk te doen, niet de mensheid te verheffen, maar het verhevene mens te maken.
Opdat wij niet vergeten vergetend te spreken, wetend. Elk einde aan hoven vraagt loten aan snoeisel