Etienne van Heerden, Het zwijgen van Mario Salviati

Een kiezelsteen als sleutel

De roman ‹Het zwijgen van Mario Salviati› van de Zuid-Afrikaan Etienne van Heerden is als een weefgetouw. Alles en iedereen loopt door elkaar heen. Maar iedereen zit gevangen in het verleden van de apartheid.

Het zwijgen van Mario Salviati — zou die titel een mogelijke lezer nieuwsgierig genoeg maken, als hij van Etienne van Heerden niet meer wist dan dat hij een in het Afrikaans schrijvende auteur is? Mario Salviati is een Italiaanse naam. Het zou mij al een pagina kosten om na lezing van het boek uit te leggen hoe een doofstomme Italiaanse steenhouwer ooit als krijgsgevangene in de Karoo van Zuid-Afrika terecht is gekomen, ook nog blind — blind gemaakt, doordat een andere Italiaan hem na liters grappa over zijn ogen piste — en welke rol de inmiddels stokoude man in dit boek vervult.

Ik zou om te beginnen de flaptekst tegenspreken en zeggen dat Mario Salviati, hoe geheimzinnig hij ook is — dat zijn blinden en stommen in romans altijd — niet de hoofdpersoon van de roman is; het is zelfs de vraag of hij als titelpersonage had moeten worden opgevoerd. «De kiezel van de Italiaanse steenhouwer» was als titel even geheimzinnig geweest. Ergens in de Tweede Wereldoorlog — er wordt geen datum genoemd — stopt op het station van het woestijndorpje Jaarendag een trein met een ongeregeld stel Italiaanse krijgsgevangenen. De mannen worden niet in een kamp gestopt, zoals ze vrezen; hebben immers niet de Engelsen tijdens hun oorlog tegen de Boeren in Zuid-Afrika de eerste concentratiekampen uitgeprobeerd? De jongemannen worden op het platteland uitgevent aan Zuid-Afrikanen die arbeidskracht nodig hebben, slavenhandel maar dan met de rollen omgekeerd. De scène was op zich al voldoende geweest voor een mooi verhaal; in de roman is het niet meer dan een halte met overstapmogelijkheid. Op het perron raapt Mario Salviati een kiezelsteen op en steekt die in de hoogte om op de arbeidsmarkt mee te dingen. «Het noodlot bepaalde dat Karel Bergh de enige inwoner van Jaarendag was die een goede keuze maakte uit de Italiaanse jongemannen.»

De doofstomme Italiaanse steenhouwer — voortaan StomTaljaner geheten — komt als geroepen voor de dankzij de struisvogelhandel van zijn vader rijke GrootKarel Bergh die na vele andere projecten sinds 1940 een droom najaagt: het door anderen voor gek versleten plan om over 150 kilometer uit het oosten water naar het droge woestijndorp te leiden, óver de berg Onwaarschijnlijk. Zijn waan kreeg een naam, «de wet van Bernoulli, de elementaire wet uit de stuwingsleer», die erop neerkwam dat een aanloop van tachtig mijl genoeg was om het water twintig mijl over de berg te laten klimmen. Klimwater heette dat. Het lukte hem nog ook, dankzij de Italiaanse steenhouwer die met zijn elementaire vakmanschap de ingewikkeldste waterbouwkundige problemen oploste. Als de schrijver zich alleen op de obsessie van de kleurling GrootKarel Bergh en het koppel rijke fantast en stomme vakman geconcentreerd had, was ook een titel als «Het klimwater van Bernoulli» of «Over de berg Onwaarschijnlijk» geschikt geweest. Of met een iets ander accent: «De steen van StomTaljaner».

Salviati zal de steen, die hij lukraak heeft opgeraapt en die zijn lot besliste, nooit meer loslaten; op het eind blijkt de kiezel zelfs in zijn handpalm gegroeid, juist wanneer duidelijk wordt dat op de steen de positie van een goudschat is gegraveerd. Dat ga ik niet uitleggen, ik zou er ook een geheim mee onthullen waar niet direct een intrige omheen geweven is maar wel een aantal lijnen in het boek samenkomt. Het publieke geheim zet alle verhoudingen in het dorp onder spanning, maar verbindt ook iedereen, zodat men goede redenen heeft een oplossing uit te stellen.

De roman had ook «Het spraakzame zwijgen van Jaarendag» kunnen heten. Waarmee ik alleen heb willen zeggen dat de uiteindelijke titel van het boek niet onjuist maar misleidend is, omdat hij suggereert dat het om de doofstomme Italiaanse steenhouwer gaat terwijl zijn niet onbelangrijke verhaal toch niet meer dan één draad is van een — ja waarvan: van een weefsel, een netwerk, een intrige, een wirwar, een kluwen? Dat klinkt ingewikkelder dan het is.

Het dorpje Jaarendag blijkt uitvergroot — en een aandachtige blik werkt als vergrootglas, een onderzoeker blaast details op tot wat soms hun ware proporties zijn — een smeltkroes van ambities en levensgeschiedenissen, een verward geheel, maar wel een geheel van met elkaar verknoopte levenslopen die elk voor zich al bijzonder of zelfs uitzonderlijk of gewoon ongewoon zijn.

Misschien is dat het thema van de roman, hoewel ik juist het goede aan het boek vind dat het niet onder één noemer te vatten is, zoals ook de naam in de titel er maar één uit vele is. Een roman is altijd een complex bouwsel dat als het goed is niet tot één onderwerp of één verhaal kan worden teruggebracht, een goede roman gaat over heel veel thema’s — alle samenvattingen op de flap of in besprekingen ten spijt. En omdat dit een goede roman is, doe ik niet eens een poging er een résumé van te geven: er zijn wel tien levenslopen die je als rode draad zou kunnen nemen en telkens zou de geschiedenis als geheel in een ander perspectief komen staan. En er zijn minstens vijf liefdesgeschiedenissen die op zich al heel bijzondere romanverhalen zijn.

Behalve de bizarre familierelaties, vetes, allianties, verbindingen en raciale vermengingen zijn er diverse fabelachtige bijverhalen over het megalomane waterwerk, over de ingegroeide kiezelsteen, de expeditie naar de ideale struisvogel, de struisverenmode en -handel en natuurlijk de buitenissige goudkoets van Kruger waarin tijdens de oorlog met Engeland getrokken door ossen een jaarlang het goud uit de schatkist door het land gezeuld wordt tot hij in Jaarendag verdwijnt, de koets met al het goud, die tot op heden het dorp de goudkoorts heeft bezorgd. En niet te vergeten de kunstenaars die ieder op een aparte manier het plaat selijke leven mythische vormen laat aan nemen.

Een wirwar? Ik moet zeggen dat ik herhaaldelijk de voorin afgedrukte stamboom heb geraadpleegd om te controleren welk familielid nu weer aan welke tak bungelt, gekoppeld aan een loot van weer een andere. Maar dat komt ook door de bizarre namen, die in zo’n wijdvertakte voor een deel zelfs incestueuze familie ook nog op elkaar lijken. Bovendien lijken ze allemaal het eeuwige leven te hebben, zodat leden van alle generaties in het heden door elkaar lopen. De stamboom dient dan als plattegrond of diagram, het is ook helemaal geen chronologische geschiedenis: de lezer zit voor een soort weefgetouw en ziet alles tegelijk bewegen, heen en weer, schietspoel, inslag, ketting.

Ik gebruikte eerder het beeld van het vergrootglas — de roman had inderdaad evengoed «Bij nader inzien» kunnen heten. Voor die onderzoekende blik biedt Van Heerden de lezer als hulpstuk een personage aan: Ingi Friedländer, een jonge vrouw uit Kaapstad die naar Jaarendag komt om van een lokale zonderlinge kunstenaar een al legendarisch beeld te kopen. De Nationale Collectie mist nog een exotisch pronkstuk, na het einde van de apartheid liefst van gekleurde makelij. Haar gevraag en geneus doen stof opwaaien in het dorp, doodgezwegen zaken en gestolde relaties komen tot leven. Iedereen zit hier in de gevangenis van het verleden, stelt zij vast, en zij zet de deur open om bij het weggaan achteloos de sleutel (de kiezelsteen) weg te gooien. Hoe belangrijk haar rol ook is, in feite is ze van alle personages de minst interessante, misschien omdat de lezer haar het best kan volgen. De manier waarop ze de steenoude Italiaan opvrijt is op het randje, waarvan zeg ik er niet bij; in elk geval ruikt ze goed. De steenhouwer compenseert het verlies van stem, oor en oog met een fabelachtige neus en de schrijver maakt daar dankbaar gebruik van.

Dit is verrassend goed boek; verrassend omdat ik het werk van Van Heerden nauwelijks ken. Wat ik van hem heb gelezen, ben ik vergeten en ettelijke dikke romans heb ik vrijwel ongelezen de deur uitgedaan. Het zou een daad van rechtvaardigheid zijn als ik die uit het antiquariaat zou terughalen.

Etienne van Heerden

Het zwijgen van Mario Salviati

Uit het Afrikaans vertaald door Robert Dorsman, uitg. Meulenhoff, 416 blz., € 29,90

Sadeg Hedayat

Heer Hadzji

Heer Hadzji (Hadzji Aqa) is een knorrende kletsmajoor van bijna negentig die in de vestibule, waar hij alles in huis én buiten in de gaten kan houden, een permanente stroom van bezoekers ontvangt, nooit meer dan drie tegelijk; de huistiran waant zich de ware heerser van Perzië. Zoon van een rijke tabakhandelaar werd hij aannemer met een huisgemaakte stamboom, een Hochstapler die vanuit de verte sympathiseerde met Hitler maar na zijn vlucht in 1944 terugkeert als geboren democraat en zich «op verzoek van het volk» zelfs kandidaat stelt voor het parlement. De roman is van 1945. Sadeg Hedayat (1903-1951) geeft zeker voor toen een venijnig portret van deze aartsopportunist, die wellicht naar een levend model is getekend. Het netwerk van intriges wordt door één bezoeker ongenadig aan flarden gescheurd, een jonge dichter die hem zijn hele vunze leven naar het hoofd gooit. Als hij ten slotte in het hiernamaals zijn huisgenoten over hem hoort napraten, en hoe, blijkt dat slechts een droom tijdens zijn operatie. Van Hedayat, die in 1951 in Parijs zelfmoord pleegde, werd lang geleden de intrigerende roman De blinde uil vertaald, en nog eens herdrukt, gevolgd door een bundel verhalen. Informatie daarover is in deze uitgave niet te vinden, niet eens het oorspronkelijke jaartal van dit boek. Informatie moest wijken voor trotse taal van Het Talenhuis in Drachten, «Vertaalwerk: Dr. Ali Soleimani», alsof hier te lande vóór hen nooit iemand van Hedayat had gehoord. Als dit boek voor Nederlandse lezers was bedoeld, hadden ze verder ook wat meer aandacht aan het Nederlands en het zetwerk mogen besteden.

Uit het Perzisch (1945) vertaald door Ali Soleimani, uitg. Het Talenhuis, 158 blz., € 17,50

Grete Weil

Naar het einde van de wereld

17 mei 1943. Professor Salomon Waterdrager, privaatdocent strafrecht, wordt samen met vrouw en dochter in een limousine naar de Hollandsche Schouwburg gebracht. Twee dagen ervoor heeft hij als lid van de Joodse Raad een Sperrstempel gekregen. Er is inderdaad sprake van een persoonsverwisseling, maar anders dan hij gedacht heeft: zijn precies even oude neef mag weer naar huis, onmisbaar vanwege zijn functie in de diamantbewerkersbond. Het standsgevoel van het echtpaar krijgt een knauw, dat let de dochter niet ter plaatse halsoverkop verliefd te worden op neef Ben, die — door loslippigheid van de professor — ontmaskerd wordt als verzetsfiguur met valse papieren. Drama, maar allemaal wel erg veel in korte tijd. In de Schouwburg — «Het stuk kan beginnen» — worden de geruchten over vergassen nog afgedaan als behorend tot dezelfde geruchten als onbemande vliegtuigen en atoomsplitsing; in het laatste hoofdstuk moeten de kersverse geliefden in het kamp — «Het was techniek, fabriek, het was film. Het einde van de wereld 1943» — elkaars hand loslaten. Het zal een van de eerste literaire teksten van Grete Weil zijn geweest, die zelf in 1936 Duitsland ontvlucht was en in1943 in Amsterdam zat ondergedoken. Het verbazingwekkende is dat er zo kort na de jodenvernietiging een dergelijk romantiserend verhaal over geschreven kon worden; dat zegt nu meer dan de harde feiten waar het om gaat.

Uit het Duits (1949) vertaald door W. Wielek-Berg, uitg. Blaak, 79 blz., € 10,25

David Albahari

Moederland

Houd je je aan de wensen en intenties van de schrijver, in 1948 in Servië geboren en sinds 1994 woonachtig in Canada, dan is dit een belangwekkende roman. In den vreemde luistert een Servische schrijver banden af waarop hij veertien jaar eerder zijn moeder liet vertellen over haar levensreis: in 1938 (!) om een man joods geworden, telkens weer vanwege politieke drijverijen naar andere regionen in de Balkan verkast — een politiek spoorboekje met louter overstappen. Maar een echt beeld van de moeder levert dat niet op, al wil de schrijver er een roman van maken. Helaas wordt hij gedwarsboomd door een bemoeizuchtige Canadese schrijver die precies weet hoe een roman over een moeder eruit hoort te zien en het ook alsmaar over «jullie Europeanen» heeft. De verteller overweegt zelfs een roman over die kletsmeier. Als hij aarzelt of hij wel een roman kán schrijven, moet deze lezer hem na dit alleen van goede bedoelingen aan elkaar hangende boekje in zijn twijfel sterken.

Uit het Servisch (1998) vertaald door Reina Dokter, uitg. Cossee, 176 blz., € 19,90

Joshua Sobol

Zwijgen

Zwijgen is een opmerkelijke roman, de eerste van de Israëlische schrijver Joshua Sobol (1939), die eerder naam maakte als toneelschrijver. Drie stukken uit de jaren tachtig vormen een Getto-trilogie, waarvan ik niet weet of ze net als de roman oorspronkelijk ook in het Hebreeuws zijn geschreven. En of het met de toneelachtergrond te maken heeft weet ik ook niet, maar als de voornaamste figuren, hun posities en de plaatsen van handeling eenmaal uitgewerkt zijn, is het boek vol en wordt het een wat vormeloze brij. Misschien ook omdat Sobol zoveel mogelijk mensen heeft willen opvoeren uit zowel de pionierstijd, het einde van de onafhankelijkheidsoorlog en daarna, tot twintig jaar in deze eeuw zelfs. Degene die aan het woord komt is nu, in 2020, een oude man. Bij zijn besnijdenis op 1 september 1939, de dag waarop Duitsland Polen binnenvalt, besloot de pasgeborene wijselijk voortaan te zwijgen — wat doen woorden ertoe, moet hij gedacht hebben, bovendien schrok hij zich lam van de ingreep. Als jongetje wordt hij het hulpje van een zwartgallige, leugenachtige, op kinderen verzotte schrijver wiens manuscript hij moet overschrijven en daarna diens dictaat opnemen; wat de schrijver op laat schrijven is zelf ook nog eens onecht. Zwijgend gaat de verteller door het leven, maakt weliswaar furore als dichter, maar pas in zijn nadagen komt hij aan eigen woorden toe. Dat alles vertelt hij ademloos, zonder alinea’s; na 170 pagina’s begint een tweede hoofdstuk en op het laatst is er nog een kortere. Wat zo curieus begon is dan allang verzand en in de nauwelijks uit elkaar te houden massa van familieleden en andere personages komen nog bijna alleen de dicterende schrijver en een inspirerende maar lastige vader goed in beeld.

Uit het Hebreeuws (2000) vertaald door Corrie Zeidler, uitg. Byblos, 272 blz., € 22,50