De overheid moet geen opvoeder zijn

Een kind is te klein voor grote idealen

In Rotterdam moeten ouders hun kinderen opvoeden volgens Tien Vanzelfsprekendheden. Den Haag ontwikkelde een opvoedingscanon. Dat gaat allemaal over wat een kind moet worden en daarmee gaan we voorbij aan de ouderlijke intuïtie.

EEN JAAR OF ZES GELEDEN leefde ik nog in de veronderstelling dat de maakbare samenleving tot het verleden behoorde. Inmiddels heb ik vier kinderen en ondervind ik bijna dagelijks hoe het kind door de maakbaarheidsgedachte wordt ingepalmd. Dat begint al heel vroeg. In de baarmoeder, of nee, zelfs nog voor de conceptie werken we al aan het normaliseren van het kind. Als dat eenmaal geboren is, zijn er opvoedingscanons en elektronische kinddossiers die hun bijdrage leveren aan dit doel. Het zijn stuk voor stuk grootse plannen. Ze zijn gebaseerd op de verwachting dat een ‘goede’ opvoeding van heel kleine kinderen tot de ideale samenleving leidt.
Toen ik zes jaar geleden voor het eerst zwanger was, deed ik keurig wat er van me werd verwacht. Ik slikte foliumzuur, meldde me bij de arts en plaatste mezelf onder controle van de verloskundige. Toen het kind geboren was, liet ik me instrueren door de kraamhulp. Ik gedroeg me zoals een normale moeder zich hoort te gedragen. Dat blijken niet alle moeders te doen en daarom heeft de gemeente Rotterdam besloten om in te grijpen. Moeders die zich niet goed laten informeren en die geen beroep doen op verloskundige of kraamzorg worden door de gemeente Rotterdam weer bij de les gehaald. In Rotterdam blijken veel ouders op dit gebied nalatig – zo heeft de stad een relatief hoge perinatale sterfte. Rotterdam heeft ook veel kinderen die als gevolg van een slecht begin een groter risico hebben op gedrags- en ontwikkelingsproblemen. Om dat in de toekomst te voorkomen heeft het college van b. en w. samen met tal van zorginstellingen het ‘aanvalsplan perinatale sterfte’ ontworpen. Het plan wil door middel van voorlichting en betrokkenheid bij het zorgcircuit kinderen een goede start geven en draagt dan ook heel toepasselijk de titel Recht op een goede start!
Een goede zwangerschap en een gezonde geboorte zijn nog geen garantie voor een goede opvoeding. Daarom zijn er in Rotterdam Tien Vanzelfsprekendheden gepubliceerd die betrekking hebben op de opvoeding. Ze vertellen mij en andere Rotterdamse ouders dat ik mijn kinderen ontbijt moet geven, ze warm aan moet kleden, ze seksuele voorlichting moet geven voor hun twaalfde. De achtste vanzelfsprekendheid (of is het gebod?) vertelt me dat ik verantwoording moet afleggen over keuzes die ik als ouder maak met betrekking tot de opvoeding. Vanuit dat perspectief is het dan ook niet verrassend dat ik recentelijk een uitnodiging kreeg van het consultatiebureau met daarbij een paginalange vragenlijst, de ‘Jeugdmonitor Rotterdam’, een initiatief van de GGD Rotterdam-Rijnmond. De vragen gaan over de tandpasta die mijn kind gebruikt, de eventuele angst voor vreemden, het aantal uren per dag dat het buiten speelt of televisie kijkt, tot het al dan niet slachtoffer zijn van geweld. Ik heb deze vragenlijst niet ingevuld. Ik vroeg me wel af of ik nu een verdachte moeder was. Door mijn weigering om de lijst in te vullen zou ik niet alleen de statistieken vervuilen, ik had ook geen verantwoording afgelegd over mijn opvoedingskeuzes. Ik had gezondigd tegen een van de Tien Vanzelfsprekendheden.
Nauwelijks bekomen van deze zonde zie ik professor doctor René Diekstra op televisie. Hij vertelt bij Pauw & Witteman over de opvoedingscanon en en passant wordt de opvoedingskennis van de andere gasten getest. Diekstra heeft de canon ontwikkeld in opdracht van de gemeente Den Haag. De opvoedingscanon wil ouders niets voorschrijven, maar in het onderzoeksrapport staat tegelijkertijd: ‘Opvoeders met meer kennis en begrip van ontwikkeling en opvoeding blijken, vaker dan andere ouders, met kinderen om te gaan op manieren die de ontwikkeling van de kinderen bevorderen en ontwikkelingsproblemen verminderen of voorkomen.’ Ondanks mijn redelijke score schort het toch aan mijn kennis en begrip, want ik heb een jonge baby, zelfs meer dan één, laten huilen in zijn bedje en ik ben mijn jongste twee kinderen pas vanaf hun tweede gaan voorlezen.
Al deze regionale, grootstedelijke initiatieven lijken slechts een voorproefje van het ‘echte werk’: het Elektronisch Kinddossier. Dit dertig pagina’s dikke document bevat meer dan duizend vragen over een kind. Zo wordt aandacht besteed aan de bevalling, aan de interactie tussen ouder en kind tijdens het consultatiemoment op het consultatiebureau, en aan de ontwikkeling tijdens de puberteit. Het kinddossier heeft bovendien een kindoverstijgend belang: ‘De individuele kinddossiers leveren samen een schat aan informatie over wat “normaal” is voor gezonde kinderen. Zo ontstaat een nauwkeuriger inzicht van wat wel en wat niet gezond is’, meldt de website van het ministerie van Jeugd en Gezin.

DEZE INITIATIEVEN veronderstellen te weten wat een goede opvoeding is en verhullen daarmee dat wetenschappers en andere experts het helemaal niet met elkaar eens zijn. Een dergelijke strijd tussen experts en wetenschappers was onlangs aanleiding voor het opschorten van een richtlijn voor huilbaby’s (NRC Handelsblad, 27 januari). De ‘kookwekker’ was de steen des aanstoots en de experts konden het niet met elkaar eens worden. Een groep experts adviseerde ouders om een kookwekker te gebruiken om zo te meten hoe lang het kind huilt. Een ouder vindt namelijk al snel dat een baby lang huilt, haalt de baby dan uit bed, en de baby blijft een huilbaby. Volgens andere psychologen kan het te lang door laten huilen van baby’s op langere termijn juist schade veroorzaken – voor hen is de kookwekker taboe.
De strijd tussen experts beperkt zich niet tot complexe problemen als huilbaby’s. Strijd is er ook aangaande een eenvoudige vraag als: waar moet een pasgeboren baby slapen?
De vraag wordt beantwoord door drie experts: dr. Benjamin Spock, Gina Ford en Jean Liedloff. Spock is psychoanalyticus en kinderarts. Hij schreef het boek Baby and Childcare, dat verscheen in de jaren veertig van de vorige eeuw en in het rijtje staat van de tien best verkochte boeken ooit. Over het slapen van baby’s zegt dr. Spock stellig: ‘Na zes maanden moet de baby op een eigen kamer slapen. De baby kan vanaf het begin in een eigen kamer slapen. Het is echter ook mogelijk om de baby de eerste twee tot drie maanden op de kamer van de ouders te leggen.’
Gina Ford baseert haar uitspraken op haar ervaring als kraamverpleegkundige en op het werk van de arts Truby King (1858-1938). In 1999 publiceerde zij de bestseller Contented Baby. Haar advies is: ‘Leer de baby vanaf dag één in zijn eigen bedje te slapen.’
Jean Liedloff liet zich inspireren door de studie die ze had gemaakt van de indianenstam Yequana. Op basis daarvan schreef ze het succesvolle boek The Continuüm Concept (1986), in het Nederlands uitgegeven als Op zoek naar het verloren geluk (2004). Zij adviseert: ‘Laat de baby bij de ouders slapen tot hij zelf aangeeft in een eigen bed te willen slapen.’
Voor een ouder is het niet duidelijk welk advies de voorkeur verdient en waar een baby het best kan slapen. Alle experts hebben namelijk bewijzen, ‘testimonials’, van ouders die hun aanpak bejubelen. Als de ouders doen wat zij zeggen, dan slapen de kinderen als roosjes. Maar als je iets beter kijkt, is snel duidelijk dat het om meer gaat dan om een specifieke handeling in een specifieke situatie. De drie adviezen zijn sterk ideologisch geladen. De verschillende experts weten hoe een goed mens, een goed kind en een goede maatschappij in elkaar zitten. Voor Spock schuilt goed ouderschap in het instinct. ‘Trust yourself’, is de boodschap waarmee zijn boek begint. Het instinct zorgt ervoor dat de moeder die keuzes maakt waarmee ze een hechte band met haar kind ontwikkelt. Zonder deze hechting zijn ouders en kinderen ‘nergens’. Volgens Spock zijn het de gehechte kinderen – en niet de ‘routiniers’ – die zich (later) sociaal vaardig gedragen. Voor Gina Ford zit goed ouderschap in routine, die de baby en de moeder (de ouder) houvast biedt. Zij geeft exact aan wat de moeder met haar kind moet doen en wanneer. In Nederland staat haar variant bekend als die van de drie ‘r’-en: reinheid, rust en regelmaat. Verloskundigen, kraamhulpen en andere deskundigen die het niet zo nauw nemen met routine verwaarlozen volgens Ford het belang van moeder en kind. De ideeën van Ford leiden tot de conclusie dat kinderen zonder routine het leven van ouders ontwrichten en opgroeien tot ongedisciplineerde wezens.
Volgens Liedloff zijn we in het Westen het gelukkige kind kwijtgeraakt en dat leidt volgens haar tot problemen als zelfhaat, exhibitionisme, gebrek aan zelfvertrouwen, homoseksualiteit, zelfmoord, verslaving aan alcohol of drugs, rivaliteit tussen gezinsleden en ongemanierdheid.
Het pragmatisch overstappen van het ene naar het andere advies is volgens de experts buitengewoon onverstandig. Als je kind goed slaapt, maar je doet het niet op de juiste, dat wil zeggen hún manier, dan doe je het als ouder toch verkeerd. Kortom, het doel heiligt niet de middelen, in het middel (het advies) ligt het doel, de ideologie besloten.

EEN KEUZE Een keuze voor een expert wordt daarmee een politieke keuze, het is een keuze voor een ideologie, voor een mens- en maatschappijbeeld. Het is ook een belemmerende keuze, want alles wat in een opvoeding gedaan wordt, is zo belast met een groter ideaal.
Daarom stel ik voor dat we de zaken omkeren en als uitgangspunt nemen wat kind-zijn eigenlijk is, en niet wat een kind allemaal moet worden. Hiervoor vind ik steun bij de filosofe Hannah Arendt. Arendt ziet de nataliteit als de menselijke conditie: de geboorte brengt ons het onbekende. De mens is een nieuw wezen en we weten niet wat er van hem verwacht kan worden. Anders gezegd: van de mens kan het onverwachte verwacht worden. Deze nataliteit toont zich bij de geboorte, het moment dat we voor het eerst oog in oog staan met onze nieuwe kleine vreemdeling. Ouders zien dan hun eigen kind, maar weten niet wie het is. De nataliteit stopt niet bij de geboorte, ze manifesteert zich door het leven van de mens in de onvoorspelbare handelingen van de mens. Deze onvoorspelbaarheid is voor Arendt de bron van de menselijke vrijheid: wie de mens wordt, is niet vooraf vastgelegd. De vrijheid heeft ook een ‘vervelende kant’: ze maakt het lastig om mensen te ‘managen’.
Omdat mensen vaak anders reageren dan verwacht zijn initiatieven als het Elektronisch Kinddossier en opvoedingscanons problematisch. Ze zijn te groot en de reacties erop zijn te onvoorspelbaar om daadwerkelijk succesvol te zijn. Een mooi voorbeeld van onvoorspelbaarheid is de kritiek aan het adres van dr. Spock. Eind jaren zestig kreeg Spock als kritiek dat hij met zijn boek twee generaties van de Amerikaanse jeugd had verpest, omdat hij een te toegeeflijke opvoeding had gepromoot. Spock zelf vond dat mensen die hem hiervan beschuldigden zijn boek niet goed hadden gelezen. Zijn zoon wees hem erop dat hij juist te streng was geweest. Volgens die lijn zou hij zijn eigen opvoedingsfilosofie zelf niet hebben toegepast. Als Spock zijn eigen kinderen niet opvoedde volgens zijn eigen principes en als mensen Spock op een andere manier interpreteren dan hij zelf bedoelde, hoe kunnen we er dan van uitgaan dat kinderen beter opgevoed worden met de Haagse opvoedingscanon of de tien Rotterdamse Vanzelfsprekendheden?
Behalve dat deze initiatieven hoogstwaarschijnlijk gefrustreerd worden door onvoorspelbaar menselijk gedrag hebben ze nog een ander probleem. Ze doen alsof het menselijk gedrag vast te leggen is of al vastligt. Bij de jeugdmonitor, het Elektronisch Kinddossier en ook de opvoedingscanon gebeurt dat zelfs heel concreet. Ouders en kinderen leveren input op basis waarvan bepaald kan worden wat ‘normaal’ is. Met deze informatie wordt het mensbeeld dat aan de basis ligt van de vragenlijsten verfijnd. Uitgangspunt is dat we de mens nog niet onder controle hebben, maar dat dat uiteindelijk wel zal gebeuren.
Ook dit kan met Arendt worden bekritiseerd. De mens laat zich volgens Arendt niet vangen in statistische gemiddelden. Wat zegt de ‘normale’ peuter over mijn peuter? De statistieken die uit een dergelijk onderzoek voortvloeien zijn geen vanzelfsprekendheden, het zijn normen.
Politici hebben grote verwachtingen van opvoedingsbeleid. Ze laten daarbij nauwelijks aan bod komen dat kennis over ‘wat een goede opvoeding is’ omstreden is. Daarbij is de kans klein dat kinderen en ouders op de gewenste manier op dit beleid reageren. Zoals Arendt stelt: van mensen kunnen we het onverwachte verwachten. Mensen (ook kleine) laten zich niet gemakkelijk regisseren. Voor veel ouders is het al lastig om een kind te laten slapen. Moeten ze dan ook nog belast worden met de ‘fatale’ maatschappelijke gevolgen van hun keuze?
In plaats van groots en meeslepend moeten we de opvoeding daarom weer klein maken. Klein in de zin van belangstelling voor wat zich in een specifieke situatie voordoet. Laten we geen al te grote verwachtingen koesteren over een bepaalde opvoedingsfilosofie of een bepaald opvoedingsbeleid. Kinderen zijn er niet om verwachtingen waar te maken. Kinderen zijn klein, laten we ze een beetje klein houden.

Literatuur: Hannah Arendt, The Human Condition (1998 [1958]), The University of Chicago Press; Gina Ford, De tevreden baby (2005), Terra Lannoo; Jean Liedloff, Op zoek naar het verloren geluk: Naar een natuurlijke manier van opvoeden (2004), Panta Rhei; Dr. Benjamin Spock, Baby and Childcare (1998), Pocket Books; Janneke Wubs, Luisteren naar deskundigen (2004), Van Gorcum

Liesbeth Noordegraaf-Eelens (1973) studeerde filosofie en economie aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam. Ze publiceerde in 2005 De overspelige bankier, een foucaultiaanse analyse van de financiële wereld. Deze maand verschijnt bij uitgeverij Klement haar boek Kinderen koop je in de hemel. Over zwangerschap, geboorte, kind zijn en ouder worden