Polen kijkt schizofreen naar het verleden

Een kind soldaat als held en schande

De Polen ruziën over de vraag wat ze hun kinderen moeten meegeven: moed, strijdlust en patriottisme? Of erbarmen, zelfontplooiing en tolerantie? Splijtzwam: een bronzen tiener met legerhelm.

Monument voor de Kleine Opstandeling in Warschau, uit protest versierd door kunstenaar Jan Mencwel © Tomasz Kaczor

Tegen de stadsmuur van het herbouwde oude centrum van Warschau staat een populair monument: een standbeeld in brons van een jong ventje met een te grote helm op zijn hoofd, in zijn armen een semiautomatisch geweer. Een kindsoldaat.

Hij markeert de reden waarom het centrum een reconstructie is. Terwijl het Rode Leger Warschau naderde, kwam de stad in opstand, onder leiding van het Poolse verzet. Het was augustus 1944. Het Rode Leger hield vervolgens halt, vijftien kilometer ten oosten van de stad. Dat gaf de Duitsers de gelegenheid versterkingen te sturen. Die sloegen de opstand neer en vermoordden in slechts zeven weken tijd 150.000 burgers. Bovendien gaven Hitler en Himmler het bevel Warschau van de aardbodem te laten verdwijnen. ‘Geen steen mag meer op een andere staan.’ Na de deportatie van de laatste overgebleven inwoners ging een SS-eenheid met vlammenwerpers en dynamiet door de straten om alles wat nog van enige waarde was op te blazen of in brand te steken.

Vier jaar woonde ik in de Poolse hoofdstad. In die tijd zag ik regelmatig groepen padvinders rond het beeld, soms koperblazers, af en toe Aziatische toeristen, regelmatig reservisten in de weer met kransen, in gewijde stilte, of juist zingend – en altijd saluerend. Bezoekers uit Nederland wilden steevast weten wat er aan de hand was, daar bij de muur. Oog in oog met het jonge, martiale ventje concludeerden we na uitleg van een gids altijd weer dat die Polen een verdraaid hardvochtige geschiedenis kennen en wij Nederlanders ons zoiets niet echt kunnen voorstellen.

Waar wij in de Tweede Wereldoorlog twee tot drie procent van de bevolking verloren, verloren de Polen een zesde van hun bevolking. Daar word je anders van, meenden we: de viering van een kindsoldaat wordt dan begrijpelijk. Want dat is wat het standbeeld memoreert: de bijdrage van kinderen aan de opstand van Warschau.

Het is een toeristenblik, verspreid door reisgidsen à la Michelin en de Lonely Planet: aparte jongens die Polen, met een heel eigen geschiedenis. Worth a detour en niet oordelen.

Maar dat is zonder de Polen gerekend. Omdat ik langer achterbleef dan mijn bezoekers ontdekte ik gaandeweg (hier geen borstklopperij, ik deed er behoorlijk lang over) dat in Polen lang niet iedereen zo blij is met de viering van het knaapje. Zo apart zijn de Polen niet. De viering van de jonge opstandeling is ook van tamelijk recente datum, enthousiast omarmd door Polen wier nationalisme allerminst een inheems fenomeen is, verbonden aan een eigen, afwijkende geschiedenis. De ingrediënten van dat nationalisme zijn zelfs tamelijk internationaal en lijken los te staan van het aantal oorlogsslachtoffers in een land.

Een kinderfeestje stimuleerde mijn bewustwording. Ter viering van de verjaring van een vriendje mocht mijn vijfjarige dochter naar een aftands militair openluchtmuseum waar enkele verouderde legertanks staan weg te roesten. Op de uitnodiging stond het vriendje, een Pools klasgenootje, in camouflagepak en met een rode baret op het hoofd. De dresscode was helder. Vergeet je grootste speelgoedgeweer niet.

De hele klas was uitgenodigd, maar talloze ouders besloten hun kind thuis te houden.

Zelf verheugde ik me natuurlijk wel op zoiets ogenschijnlijk exotisch. Journalisten zijn toch een soort huis-tuin-en-keukensociologen en dit leek me een kans iets te begrijpen van de verheerlijking van oorlogsgeweld zoals die overal in Polen zichtbaar is.

‘Jullie in West-Europa weten niet meer wat nodig is om je vrijheid te verdedigen. Jullie zijn daarom gedoemd die vrijheid te verliezen’

Terwijl we op een gepantserd verkenningsvoertuig uit de jaren veertig zaten, aten we koekjes in de vorm van een handgranaat. De vader zat tegenover me met een automatisch geweer op de knieën. (Waarschijnlijk ongeladen, maar ik weet te weinig van wapens om dat met zekerheid te kunnen schrijven.) Wat voor soort man, vroeg ik me af, heeft het inkomen en het verlangen om zijn kinderen naar de (peperdure) Britse school van Warschau te sturen, om vervolgens de veelal buitenlandse ouders van die school te choqueren met een gemilitariseerd kinderfeestje?

De man bleek fortuin te hebben gemaakt op een wijze die in Polen onmogelijk traditioneel kan worden genoemd: met private equity, het opkopen en verkopen van start-ups en middelgrote bedrijven, meestal met geld van buitenlandse investeerders. Deze representant van het internationale flitskapitaal belichaamde de razendsnelle economische groei die Polen heeft doorgemaakt. (In de afgelopen dertig jaar is het bruto nationaal product verzevenvoudigd.) Bij alles wat hij me over mens en samenleving vertelde, glimlachte hij uitdagend en permanent, slechts af en toe onderbroken door een korte, schelle, sardonische lach. Provocatie leek onderdeel van de lol. ‘Jullie in West-Europa weten niet meer wat nodig is om je vrijheid te verdedigen. Jullie zijn daarom gedoemd die vrijheid te verliezen.’

In zie in mijn aantekeningen van die dag staan dat hij sprak over ‘de eigen lafheid verkopen als vooruitstrevend inzicht’.

Alles wat hij zei was in lijn met wat de toenmalige Poolse minister van Buitenlandse Zaken in diezelfde maand vertelde aan het Duitse dagblad Bild. De vorige regering, zei Witold Waszczykowski, hanteerde ‘een links concept van de geschiedenis, alsof de wereld zich volgens marxistisch model in één richting beweegt, naar een mix van culturen en rassen, een wereld waarin fietsers en vegetariërs alleen nog duurzame energie verbruiken, terwijl ze alle vormen van religie bestrijden. Dit heeft niets met Poolse waarden te maken.’ Sterker, zei de minister: ‘Dit is tegen hetgeen de Polen in hun hart dragen: traditie, historisch bewustzijn, liefde voor het land, geloof in God en een normaal familieleven.’

De vader van het klasgenootje wilde liever niet over zijn werk praten, zo bleek, maar dit wereldbeeld wilde hij graag overdragen, via het verjaarsfeestje van zijn zoon, op de kosmopolitische ouders op het schoolplein, meer van het type: suv met Greenpeace-sticker. Citaat uit zijn welkomstwoord aan ouders en kinderen: ‘Onze liefde voor het land uit zich in een militaire traditie.’

Natuurlijk vroeg ik hem in het militaire voertuig ook naar de jonge opstandeling van brons. ‘Dat is het belangrijkste monument van de stad’, antwoordde hij, ‘hands down.’

Bij wijze van weerwoord vertelde een Poolse journalist, werkzaam bij een grote liberale krant, over een actie van de kunstenaar Jan Mencwel, in 2011. Op de internationale Dag van het Kind gaf Mencwel de jonge bronzen opstandeling een zwemband, een ballon en een glijbaan. De politie greep snel in, maar de foto’s waren gemaakt en haalden de krant. Voor iedereen was duidelijk wat Mencwels boodschap was: kinderen horen te spelen, niet te vechten.

De actie van Mencwel zorgde voor verhitte commentaren in Poolse huiskamers, in de krant en op tv. Het kleine monument bleek een splijtzwam in een culturele burgeroorlog. De Zwarte Piet van Warschau. Maar anders dan in Nederland zit er in Polen nauwelijks beweging in het debat – al is duidelijk dat de liefhebbers van het beeld de overhand hebben en veranderingen niet voor de hand liggen. Om de vergelijking nog even door te trekken: net zoals de verdedigers van Zwarte Piet onderstrepen geen racist te zijn, bevestigen de meeste protagonisten van het iconische beeldje dat ze heus tegen kindsoldaten zijn, in het algemeen. Maar hier gaat het niet om jongetjes en meisjes die gedrogeerd en geronseld zijn in het oerwoud van Sierra Leone of een ander door god verlaten Afrikaans land; hier gaat het om een gekoesterde, Poolse traditie. In die traditie eren Polen helden die hun leven gaven, vrijwillig, voor het vaderland. Daaronder ook kinderen, aan wier moed, strijdlust en opofferingsgezindheid de jeugd een voorbeeld kan nemen.

Ewa Stanczyk heeft onlangs de laatste hand gelegd aan het boek Commemorating the Children of World War II in Poland (uitgeverij Palgrave MacMillan). In deze fascinerende studie, die in januari verschijnt, beschrijft Stanczyk hoe ze tijdens door haarzelf geleide werkgroepen ondervond hoe gevoelig het beeldje ligt. Hoewel op hoog niveau en met sterk argumenterende studenten ontstond geen grijs tussengebied van mitsen-en-maren, maar een heldere scheidslijn tussen voor en tegenstanders van het gebruik van kinderen in gewapend conflict. De discussies toonden een verfijnde variant van het verhitte debat in de Poolse samenleving, waarin de onverdraagzame woede van etnocentrische nationalisten wordt geëvenaard door de hysterie van ‘liberale elites’, die Stanczyk ‘moral panic’ toedicht. Dat is een begrip uit de sociologie, meestal gebruikt door wetenschappers als ze de paniek benoemen, ‘op het kruispunt van seksualiteit en kinderen’, gezaaid door conservatieven of reactionairen in hun aanklachten tegen vermeende kinderlokkers of de losbandigheid van de jeugd.

De te grote helm, het wapen; allemaal bedoeld om het gemoed zo snel en hard mogelijk te raken

‘Zoals conservatieven het gevaar van de kinderlokker overdrijven voor eigen gewin, doen liberale elites dat door de voorvechters van onbaatzuchtige opoffering tot duivels te verklaren die kinderen beroven van hun toebedachte, natuurlijke onschuld en vredelievendheid.’

En waarom doen ze dat? Om zich te onderscheiden, zegt Stanczyk. ‘De morele paniek is een manier om internationale humanitaire idealen te omarmen tegen de etnocentrisch-nationalistische ethos.’

In een gesprek onderstreept Stanczyk dat ze het prima vindt, dat omarmen van internationale humanitaire idealen – ze doet het zelf ook – maar ze hekelt de ‘morele paniek’. Stanczyk: ‘Door het kind onverenigbaar te maken met iedere vorm van gewapend conflict doen we geen recht aan de daadwerkelijke ervaringen van kindsoldaten.’ Bovendien, belangrijker voor een wetenschapper, helpt het niet bij het verkrijgen van een beter begrip van de wijze waarop kinderen oorlog ervaren. Wie alleen naar kinderen kijkt als slachtoffer mist bijvoorbeeld wat nationalisten in Polen horen: de verhalen van een bekende held van de opstand van Warschau, een overlevende strijder. Zijn leeftijd toen hij zijn heldendaden verrichtte? Veertien.

Stanczyk is vooral verbaasd over de felheid van haar studenten omdat de polarisatie in Polen van tamelijk recente datum is. Die is pas losgebarsten in 2001, na publicatie van het boek Buren, geschreven door de naar Amerika geëmigreerde Pool Jan Tomasz Gross. Hij schreef over het stadje Jedwabne, in oostelijk Polen, waar de inwoners kort na de Duitse inval in 1941 zelf de joden van het stadje bijeendreven, opsloten in een houten schuur en die in de fik staken. Voor veel Polen was het boek schokkend omdat het een gekoesterde overtuiging vernietigde: dat Polen slechts helden of slachtoffers kunnen zijn. Nooit dader.

Hoewel het hedendaagse Poolse nationalisme vergelijkbaar is met dat in andere Europese landen, ook volgens Stanczyk, is er geen land – zelfs niet op de Balkan – waar interpretaties van de eigen geschiedenis zo’n belangrijke rol spelen in de binnenlandse politiek.

Historiografie beheerst verkiezingsdebatten en beide kampen hebben inmiddels zelfs eigen musea voor hun eigen verhaal. Voor de aanbidders van de kleine opstandeling is er, onder meer, het Opstand Museum in Warschau, waar de oude discussie over het nut en de wijsheid van de opstand niet bestaat. Voor de zwembandaanhangers is er het Museum van de Tweede Wereldoorlog in Gdansk, waar de oorlog in een breed internationaal perspectief wordt getoond en, nog aanstootgevender voor Poolse nationalisten, de gewapende strijd geen helden creëert, maar vooral dood, ziekte, gebrek en ellende. Er is zelfs een hoekje waar aandacht wordt besteed aan de pogrom in Jedwabne.

Stanczyk, geboren in 1981: ‘Voor iemand als ik, die nooit grote politieke omwentelingen uit de eerste hand heeft meegemaakt, was het verbijsterend om te merken hoe hoog emoties in het publieke debat oplopen, ook in mijn directe omgeving. De nationale geschiedenis heeft families verscheurd. Het verleden was plotseling overal en kroop zelfs in ogenschijnlijk onschuldige privégesprekken, die daardoor veranderden in bijzonder emotionele tegengestelde uitingen van politieke sympathieën. Inmiddels hebben we twee verschillende brillen om naar het verleden te kijken en, in het verlengde daarvan: naar het heden.’

Dat bleek in extreme mate in 2010, toen een vliegtuig neerstortte met president Lech Kaczyński, zijn vrouw en tientallen prominenten uit de katholiek-nationalistische partij PiS. Niemand overleefde. De kindsoldaataanbidders zagen een door het Kremlin bekokstoofde aanslag. De slachtoffers kregen van hen direct de status van nationale martelaren. De zwembandaanhangers zagen daarentegen een tragisch ongeval dat nooit was voorgevallen als het veiligheidsprotocol netjes was gevolgd. Zelfs in de verwerking van nationaal leed bleek de samenleving gespleten. Twee polen onder de Polen. Het Openbaar Ministerie, stevig in handen van de huidige nationalistische machthebbers, heeft de belangrijkste politicus uit het andere kamp, Donald Tusk, al twee keer verhoord in verband met ‘zijn betrokkenheid’ bij de ramp. De nationale tv zendt samenzweringstheorieën over de crash uit als alternatieve scenario’s in voortgaand onderzoek.

Een jaar na de vliegtuigcrash verrichtte Jan Mencwel zijn urban intervention. In de discussie die losbarstte is de maker van het beeld, wijlen Jerzy Jarnuszkiewicz, opvallend afwezig. Geen van beide kampen wil hem hebben. Jarnuszkiewicz groeide tijdens het communisme uit tot de belangrijkste beeldhouwer van de Volksrepubliek, met talloze belangrijke opdrachten voor werk in de publieke ruimte. Een overzicht van zijn beelden toont de heersende, esthetische modes van naoorlogs Polen in vogelvlucht. Het beeldje van de jonge opstandeling maakte hij al in 1946, in een tijd dat hij grote sociaal-realistische reliëfs vervaardigde langs nieuw aangelegde brede boulevards buiten het oude centrum, het architectonisch domein van de meest socialistisch bevlogen planologen. Toen de Volksrepubliek abstractie omarmde, in de jaren zestig, begon hij grote non-figuratieve, ruimtelijke werken te maken. Nog weer later legde hij zich toe op gigantische kruisbeelden voor uit hun voegen gebarsten, modernistische kerken en in de tijd van zijn overlijden, in 2005, was hij bezig aan een gigantische, woest om zich heen slaande adelaar, kroon op de kop – het nationale embleem in beweging.

Zijn kindsoldaat kreeg in 1983 de plek aan de rand van het oude centrum. Jarnuszkiewicz was ambivalent over de publiekslieveling. Enerzijds vond hij het belangrijk dat zijn auteursrecht werd erkend, hij voerde daar begin jaren zeventig zelfs succesvol een rechtszaak over, anderzijds begreep hij met het beeldje de grens van de kitsch te hebben gepasseerd. De te grote helm, het wapen; allemaal bedoeld om het gemoed zo snel en hard mogelijk te raken. Niet voor niets is het beeldje razend populair als souvenir. Jarnuszkiewicz wist bovendien dat de kindsoldaten tijdens de opstand van Warschau niet in uniform liepen, of semiautomatische geweren bedienden. Ze werden ingezet als boodschappers, vanwege hun kennis van steegjes en sluiproutes. Soms mochten ze een granaat gooien, meestal niet meer dan een molotovcocktail.

Jarnuszkiewicz: ‘Ik heb toegegeven aan de behoefte de schuld terug te betalen die ik heb tegenover de vechtende kinderen. Maar later begon ik me voor dit ding te schamen. Hoewel onbewust, manipuleerde ik een van de meest intieme gevoelens. Daar voel ik me schuldig over. Ik verwaarloosde de vorm omwille van de boodschap.’

En toch. Zelfs die boodschap is niet voor iedereen dezelfde. Behalve zwembandaanhangers en kindsoldaataanbidders zijn er ook nog de Polen – zij het tegenwoordig nogal stilletjes – die uit de opstand van Warschau een andere les leerden. Deze werd goed verwoord door een bekende, oude publieke intellectueel, Adam Michnik. ‘Uit de opstand leerden we’, zei hij nog voor het oplaaien van de grote cultuuroorlog, ‘de weldaad van het compromis.’ De opstand van Warschau was immers niet alleen mislukt, maar had ook tot een vernietiging en dood op massale schaal geleid. Inmiddels is duidelijk dat als Michnik gelijk had en de Polen die les uit de opstand hadden geleerd, ze die inmiddels zijn vergeten. Aan hun kinderen willen ze hem al helemaal niet doorgeven.