Een kinky heilige

De heiligste letteren zijn de heiligenlevens. Maar schone letteren zijn het niet. Althans niet zoals Ludo Jongen ze voor uitgeverij Bert Bakker heeft opgetekend (Heiligenlevens in Nederland en Vlaanderen, zojuist verschenen). Wat een saaie, kinderlijke verhaaltjes zijn dat!

Terwijl heiligenlevens toch alles in zich hebben waar literatuur van leeft. Want een heiligenleven is geen pretje. Drama, tegenspoed, geweld, ziekte, lijden, dood. Ja, zelfs heftige verlangens, liefde, seks. Alles zit erin.
Waarom zijn die levens dan toch zo vervelend om te lezen?
Dat komt, om te beginnen, doordat die heiligen zo vervelend zijn. Die eeuwige gelijkmoedigheid van hen. Dat verzetloze lijden. Die stompzinnige verwachting dat ze het daardoor later in de hemel extra goed zullen krijgen.
Heiligen hebben geen boeiend innerlijk. Ze kennen geen conflict, geen verscheurende tweestrijd. Ze zijn ergerlijk zelfverzekerd en hopeloos zelfvoldaan.
OkÇ, er zijn gradaties. Heiligen zijn er in soorten en maten.
De aardigste heiligen zijn de heremieten. Voor zo'n Gerlach kan ik nog wel sympathie opbrengen. Die zat ergens in de buurt van Maastricht lekker tussen de wortels van een eik kluizenaar te wezen. Een levend protest tegen de decadente kloosters.
De vervelendste heiligen zijn de missionarissen. Die zendingsdrang, die betweterij, die bemoeizucht. Rot toch op, Bonifatius, wat heb je hier te zoeken! Klieven die kop, dwars door dat missaal heen!
De interessantste heiligen zijn de ingekeerden. Die hebben tenminste eerst nog een normaal leven gehad. Neem nou zo'n Hubertus. Een drinkebroer en een rokkenjager. Totdat hij dat stomme hert tegenkwam, met dat neonkruis in z'n gewei.
De opwindendste heiligen zijn de Jezusbruiden. Ware femmes fatales, want altijd van uitzonderlijke schoonheid. Ja, smaak had die Jezus wel. Maar wat een perverserik! Hoort waartoe hij Lutgard verleidt: ‘In de kerk wachtte Christus haar op, bloedend en hangend aan het kruis. Hij maakte Zijn rechterarm los, tilde Lutgard op en drukte haar lippen op Zijn zijdewond: de zoetheid doorstroomde haar hele lichaam.’ De heilige hysterie van DÇsanne van Brederode is er niets bij.
De irritantste heiligen zijn de masochisten. Zo'n Lidwina van Schiedam, dat is toch niet te harden. Dat ligt daar maar te rotten in d'r bed!
Maar zo'n Bavo vind ik wel weer kinky. 'Bavo bleef op hem inpraten. Ten slotte pakte de man de zweep en sloeg het naakte lichaam tot bloedens toe. Nog was Bavo niet tevreden. Hij gebood de man hem met zijn voeten vast te kluisteren in een blok.’
De boeiendste heiligen zijn de intellectuelen. Een Jan van Ruusbroek, een Titus Brandsma. Maar in hun hagiografie ontbreekt hun gedachtenleven. Mensen worden niet heilig door wat ze denken maar door wat ze doen. Alweer een reden waarom de heiligste letteren de schoonste niet zijn.
Maar de belangrijkste reden waarom die heiligenlevens zo mal zijn, is dat telkens weer opduikende personage, luisterend naar de naam God. Die haalt uit ieder verhaal de angel. God liet dit gebeuren, God liet dat gebeuren, een wonder hier, een wonder daar. De mensen doen niets meer zelf.
Daarom: dat mensen best zelf iets kunnen, bewijst dat God niet bestaat.