Generaal b.d. Dick Berlijn over ingrijpen in Syrië

‘Een klap met een stok op een wespennest’

Hij was als commandant der strijdkrachten Nederlands hoogste militair, maar houdt zich tegenwoordig vooral bezig met internetveiligheid. Toch kijkt generaal b.d. Dick Berlijn met een schuin oog naar een mogelijke actie in Syrië. ‘De slechtste reden om in te grijpen is: angst voor gezichtsverlies.’

Medium dick berlijn 6987 defweek37

Bosnië 1993. Het is nacht. Vanuit de cockpit van zijn F16 kijkt hij naar de duisternis diep beneden. ‘Dan, ineens’, zegt hij, ‘zie je in de verte brandende vuren. En je weet: hier worden dorpen platgebrand, hier worden nu mensen vermoord.’ Hij bijt zich op de lippen. Het Westen heeft een vliegverbod boven Bosnië afgekondigd en Dick Berlijn, squadronleider van een groep F16’s, handhaaft dat vanaf de Navo-luchtmachtbasis in het Italiaanse Villafranca. Verder dan het schoonhouden van het luchtruim van vliegtuigen van Milosevic gaat zijn mandaat niet; zijn handen zijn gebonden. ‘Je wilt iets doen! Maar dat mag niet. Je wilt helpen die ellende die daar plaatsvindt te doen stoppen. Je wist dat je zoveel méér kon doen. Militairen die ’m vliegen, weten verrekte goed wat zo’n F16 kan en wat voor klappen ze kan uitdelen. Puur vanuit militaire techniek: we hadden tanks kunnen uitschakelen en een signaal kunnen geven aan Milosevic en consorten van “luister, doe dit nou maar écht niet, want dit gaat jullie niet lukken” – en de dictator zou begrijpen: oké, dit win ik nooit, dus laat ik er maar mee stoppen. Maar dat was toen internationaal een brug te ver.’ Hij draait zijn kist met een grote bocht over de Adriatische zee weer westwaarts, ‘doordrongen van een soort van plaatsvervangende schaamte’.

Rotterdam, 21 augustus 2013. Al is viersterrengeneraal Dick Berlijn (Amsterdam, 1950) al weer een goeie vijf jaar afgezwaaid als commandant der strijdkrachten en inmiddels werkzaam als senior board advisor van het adviesbureau Deloitte, natuurlijk houdt Syrië hem bezig. ‘Toen het allemaal begon met de Arabische lente, twee jaar geleden, had ik even het gevoel dat dit deel van de wereld bezig was met een soort van Verlichting; er moet wat veranderen, we willen van dat juk van die dictatuur af; geweldig! Vrij snel kwam het besef: en wat komt daarvoor in de plaats? Het positieve gevoel is al lang vervangen door zorg. We zien Egypte de hele verkeerde kant op gaan. In Syrië is het nog niet zo ver, daar zit men nog steeds in die eerste golf van regime change, die zijn nog bezig om gewoon dat bewind van de heerser af te werpen – en wat ik heel wrang vind, is dat je ook hier weer ziet dat het Westen eigenlijk absoluut niet bereid is om iets te doen. Terwijl ook ik eigenlijk denk: problemen moet je in eerste instantie aan zo’n samenleving zelf overlaten. Maar als je ziet dat er tachtigduizend, negentigduizend doden zijn, hoe lang houd je het als het rijke Westen vol om te zeggen: nou ja, het volk moet er zelf maar uitkomen? Ik bedoel: zijn we niet verschrikkelijk cynisch aan het worden?’

Moeten we ingrijpen?

‘Laat ik het andersom zeggen: wat hebben we nog meer aan excuses nodig om níet in te grijpen? Gaan we het doen bij tweehonderdduizend? Of bij één miljoen doden? Als we serieus zijn in ons gevoel over mensenrechten en al dat soort zaken hebben we niet alleen een right to protect maar ook een plicht om te beschermen.’

Op het moment van gesprek is in de Maastoren, het nagelnieuwe hoofdkantoor van Deloitte in Rotterdam, het nieuws van de gifgasaanval die diezelfde ochtend op de buitenwijken van Damascus heeft plaatsgevonden, nog niet doorgedrongen. Sindsdien zijn coalities gesmeed en gebroken en veranderen de opties met de dag. ‘Maar’, zegt Dick Berlijn, die zich deze dagen te gast weet in tal van praatprogramma’s, nu via de handsfree autotelefoon: ‘Mijn mening is ongewijzigd. Ik vind het ronduit beschamend dat we geen internationale coalitie op de been hebben kunnen brengen – dan was Assads regime al lang gestopt. Als we mensenrechten serieus namen, dan hadden we die kans gegrepen. Je had er naartoe moeten gaan met zoveel power dat de tegenstander niet eens op het idee komt om nog een gevecht met je aan te gaan. Áls je militaire middelen inzet, dan moet je het goed doen en volledig. Je moet doorpakken en daarmee voorkom je escalatie. Hard toeslaan, zodat Assad het niet in z’n hoofd haalt om nog maar een vinger naar z’n burgers uit te steken.’

Er komt nu een ‘beperkte militaire actie’.

‘Dat is een klap met een stok op een wespennest geven en dan hopen dat de wespen begrijpen wat je bedoelt. Obama heeft honderd woorden nodig om uit te leggen wát zo’n “beperkte actie” dan precies inhoudt, en dat zie ik als een teken aan de wand. Een strafexpeditie van alleen de kant van de Fransen en Amerikanen zal geen indruk op Assad maken. Behalve een verkeerde strategie is het ook een verkeerde tactiek: Assad heeft ongetwijfeld z’n troepen en z’n wapenarsenaal al verplaatst, mogelijk zijn menselijke schilden al bij strategische doelen geplaatst, enzovoort. Door te roepen dat de oorlog niet langer mag duren dan negentig dagen geef je je condities prijs, dat slaat echt helemaal nergens op! Nu kijken we allemaal naar wat het Amerikaanse Congres gaat doen. Dat wil z’n president niet verraden, maar het is de meest slechte afweging die je kunt maken om een conflict aan te gaan: angst voor gezichtsverlies.’

Hij hoopt nog op een laatste ronde van diplomatie: ‘Wat Poetin zegt is helemaal zo gek nog niet: áls dat bewijs tegen Assad zo overtuigend is, toon het de Veiligheidsraad! Laat ons de feiten maar zien. En waarom is Europa zo stil? Wat vindt de Europese Unie? Het is me grotendeels onduidelijk. Maar het aftellen is begonnen en waarschijnlijk zal het allemaal wel doorgaan, ben ik bang.’

Burgerkloffie. Bij Deloitte loopt-ie in pak, thuis in polo. Een ijzervreter is-ie nooit geweest, al was ook zijn vader, Dick Berlijn sr., generaal bij de luchtmacht en is ook zijn broer jachtvlieger. Zijn grootmoeder, Sophie Stein, was een bekend actrice en cabaretière, met Annie M.G. Schmidt en Godfried Bomans. Na zijn afscheid als commandant der strijdkrachten nam Dick Berlijn een jaar vrijaf, ‘om een cesuur aan te brengen met m’n vorige leven, om wat na te denken, om m’n harde schijf te resetten’, en fietste naar het pelgrimsoord van Santiago de Compostella. ‘Slapen in jeugdherbergen, met honderd man op een zaal in stapelbedden.’ Hij raadt het iedereen aan, die korte maar intensieve contacten van de pelgrimage. ‘Schuil je plotseling voor het onweer met een jonge Fransman in een kerkje. Bespreek je ineens je hoop en je twijfels: wat is er goed gegaan in m’n leven, wat is er niet goed gegaan?

Terug in Nederland kwam ik er vrij snel achter dat niks doen maar tijdelijk leuk is – en klopte Deloitte aan de deur. Of ik een rol kon spelen voor de public sector op het gebied van openbare orde, veiligheid en cyber security. In eerste instantie heb ik daar nee op gezegd, maar, en dan kijk ik even terug naar mijn vorige leven bij defensie: als achttienjarige jongen vind je het stoer om in zo’n vliegtuig te vliegen, maar naarmate de tijd vordert, begin je beter te beseffen waar dat instrument voor dient; hoe het komt dat onze samenleving wel functioneert, terwijl het in Irak en Afghanistan niet werkt. Wat zijn die redenen?

En ik ben tot de conclusie gekomen – maar dat is een open deur die ik intrap – dat een samenleving niet werkt zonder veiligheid en vertrouwen. Toen ik dat uniform aan had, probeerde ik me daarvoor in te zetten in de uitzendingen, maar nu, op dit moment, staan die veiligheid en dat vertrouwen in onze eigen samenleving onder druk. We hebben van alles vastgeknoopt aan dat práchtige medium, internet, dat ons geweldige dingen heeft gebracht en onze kennis heeft verrijkt – en als we aan de toekomst denken, smart grid, smart cities, dan veronderstellen we dat die digitale omgeving, dat internet, er altijd zal zijn en dat het niet corrumpeert – quod non! Internet heeft ons ook enorm kwetsbaar gemaakt. We begrijpen als samenleving onvoldoende goed wat ieders verantwoordelijkheid is om ook in de toekomst te kunnen blijven rekenen op die mooie digitale omgeving. We zitten met het vreselijke dilemma tussen privacy en security. Een open en vrij internet dat de wereld met elkaar verbindt op de manier zoals het dat tot nu toe gedaan heeft, dankt zijn succes aan het beetje chaotische, vrije, amorfe daarvan.

Nu zijn er partijen die, vanuit legitieme overwegingen zelfs, veiligheid, roepen: we gaan iedereen een nummerbord op z’n hoofd plakken, we gaan alles afluisteren, alles bekijken; de nsa, Prism, noem maar op. Maar dat zal uiteindelijk het internet kapotmaken. De kwaliteit van internet is nu juist het vrijelijk verkeer; het met alles en iedereen contact kunnen maken. De anonimiteit ook, tot een bepaalde hoogte. Waarom zou ik nog onbekommerd Google of Facebook blijven gebruiken als ik weet dat de nsa mee staat te kijken en dat alles automatisch maar die kant op gaat? In feite doen de staten nu precies hetgene wat de bad guys doen. Veiligheid ís belangrijk. Maar vertrouwen is essentieel voor een geavanceerde samenleving als de onze – en realiseren we ons nou wel terdege dat door dit soort dingen dat vertrouwen geschaad wordt? Die discussie mag nog heftiger worden gevoerd, wat mij betreft.

En dus als onze minister zegt: ik wil met drones gaan werken, dan zal-ie daar goeie redenen voor hebben en hij zal daarover geadviseerd zijn door Dick Schoof, de nationaal coördinator terrorismebestrijding en veiligheid, maar ik wil wel vreselijk goed weten op welke manier dan. Kun je garanderen dat de gegevens die naar boven komen niet zomaar weer ergens terechtkomen? Als het antwoord daarop nee is, dan vind ik dat je heel, heel ernstig moet nadenken of je dat middel wel wil inzetten.’

Wat moet er nu gebeuren?

‘Ik denk in ieder geval dat je niet de verkeerde maatregelen moet nemen door de klokkenluiders in het cachot te douwen. Manning zou natuurlijk een tik op z’n vingers hebben moeten krijgen, omdat hij z’n instructies evident heeft geschaad, maar ik geloof wél dat zijn overwegingen oprecht waren. Ik begrijp Assange. Ik vind dat-ie te grote risico’s genomen heeft door het zo maar allemaal op straat te smijten, maar ik begrijp het punt dat hij wil maken. Waar ik me meer zorgen over maak is de eenzijdigheid van de discussie in Amerika over hoe we met Snowden, hoe we met Manning, hoe we met Assange om zouden moeten gaan – en dan vraag ik me af: hoe zit dat met het morele kompas? Moet je ook niet een heel stevige discussie gaan voeren over het feit dat wij, Amerikanen, ons zo bezorgd maken over die veiligheid dat we zelfs bereid zijn om de meest elementaire principes van onze grondwet opzij te schuiven? Wat zegt dat over ons, als samenleving? Wat vinden we nou eigenlijk van Prism; van het feit dat we klaarblijkelijk de hele wereld als vijand beschouwen? Het functioneren van een maatschappij heeft te maken met goed onderwijs, met goed bestuur, met een kritische pers – en dus ook met partijen die bereid zijn om misstanden aan het licht te brengen. Die moet je omarmen als samenleving, die moet je niet de nek omdraaien. Als ze Snowden in het cachot stoppen, betekent dat het eind van alle klokkenluiders – en als samenleving ontzeg je je dus de luxe dat je mensen hebt die hun vinger willen opsteken als ze van mening zijn dat iets niet goed is.’

was u bekend met het bestaan van Prism, het allesomvattende spionagesysteem van de NSA?

‘Nee. Maar dat veiligheidsdiensten alles gebruiken om een helder beeld te scheppen, verbaast mij niet; in die zin verwijt ik de nsa niets. Ik ben niet geschokt dat een spionagedienst spioneert, maar ik ben wel geschokt door het feit dat bedrijven als Google en Facebook onder de Patriot Act dat haast automatisch dan allemaal doorbuzzen naar de nsa – daarover had door Google en Facebook naar hun klanten toe gecommuniceerd moeten worden – en ik vind het ook niet zo prettig zoals Amerika daarover sprak: “We luisteren alleen maar buitenlanders af, geen Amerikanen”, alsof het buitenland allemaal de vijand zou zijn. We zijn toch partners van Amerika, dacht ik…’

Ooit werkten ze voor u, die inlichtingendiensten.

‘Nou ja, kijk; van een inlichtingendienst weet ook een commandant van de strijdkrachten niet waar ze de informatie vandaan hebben gehaald. Als commandant van de strijdkrachten vraag je: wat is het beeld in Syrië? En dan krijg je een verhaal van de inlichtingendiensten: het ziet er zo uit, er zijn zoveel mensen, zoveel troepen en all the facts and figures. Maar je krijgt nooit te horen van: dit hebben we van de Amerikanen, dat hebben we van de Syriërs, daar hebben we twee mensen in het veld die voor ons spioneren; dat verhaal dat krijg je niet – en dat moet je ook niet wíllen horen. De Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst heeft de taak om de informatie te valideren en ervoor te zorgen dat het beeld dat ze jou geven ook klopt.’

Wil je ook niet weten of die informatie niet bijvoorbeeld via marteling verkregen is?

‘Nee. Dat zou ik als persoon wel willen weten, omdat ik me dan ernstig zorgen zou maken over in welk land ik leef, maar als commandant der strijdkrachten hoef ik alleen maar te weten: wat is er aan de hand? En vervolgens maak ik daarop een militaire analyse. Stel dat ik een missie moet doen, hoeveel troepen heb ik nodig? Je moet daarbij wél het grote beeld voor ogen houden: de samenleving zegt op enig moment: we gaan hier ingrijpen – en dat doe je dan zo goed mogelijk. En wat betekent zo goed mogelijk? Met zo weinig mogelijk collateral damage, geen burgerdoden, maar ook liever niet een hoop eigen verliezen. En dan komt weer die militaire logica om de hoek kijken, die heel kaal en koud en kil kan zijn – als het leven van mijn mannen in de waagschaal ligt, maak ik gebruik van alle beschikbare middelen, spionage, intelligence, onbemande raketsystemen desnoods, en stap ik over dat ethische aspect heen.’

De Britse geheime dienst, zo blijkt uit documenten van Edward Snowden die The Guardian publiceerde, heeft in de afgelopen drie jaar honderd miljoen pond uit de VS ontvangen. Wordt de Nederlandse geheime dienst betaald door de VS voorzover u weet?

‘Weet ik niet, maar het zou me zeer verbazen. Ik denk ook niet dat we het nodig hebben. Laat ik duidelijk zijn: elke geheime dienst, of het nou de Britse, de Nederlandse of de Amerikaanse is of de Bundes Nachrichten Dienst, heeft z’n eigen bijzondere kwaliteiten. De ene partij heeft in continent X een belangrijke voet aan de grond, een andere geheime dienst heeft dat weer in land Y. Dus die communities zien elkaar, ontmoeten elkaar en dan wordt er bijvoorbeeld gesproken over Syrië en blijkt dat land X veel goeie camerabeelden heeft, land Y heeft fysiek mensen in het gebied, land Z heeft onderschepte e-mail en dan wordt geprobeerd dat uit te ruilen, zodat elk land uiteindelijk een beter beeld heeft, dat is zo oud als de weg naar Rome. Als zaken verder gingen dan dat, zou de Kamercommissie die over de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten gaat, de “Commissie Stiekem”, daar weet van moeten hebben.’

Is de Commissie Stiekem goed op de hoogte?

‘Absoluut. Hoe ik dat weet? Laat ik het zo zeggen: in de 38 jaar dat ik bij defensie op verschillende belangrijke plekken heb gezeten, heb ik nooit dingen gezien waarvan ik dacht: o mijn God, als dit maar niet bekend wordt! Natuurlijk wil je soms dat een bepaald incident niet meteen morgen op de voorpagina staat, maar complotten en dingen die het daglicht niet kunnen verdragen, heb ik nooit meegemaakt. Het zit niet in onze cultuur. Zo zijn wij niet, kan ik oprecht zeggen. En ik geloof dat als er wél dat soort dingen zouden gebeuren er voldoende klokkenluiders zouden opstaan die de Kamerleden aan hun jasje zouden trekken. In hoeverre de politiek die controle daadwerkelijk ook uitoefent, is een tweede. We maken ons nu zorgen over het feit dat wij belachelijk veel meer telefoontaps plegen dan in de landen om ons heen: we hebben een parlement dat dat aan de orde kan stellen en de minister ter verantwoording kan roepen. Ik heb daar nog niet veel Kamervragen over gezien.’

Hij sleept een trolleytje met z’n spullen achter zich aan; een vaste kamer heeft hij niet, bij Deloitte. ‘Nee, we hebben alleen maar flexplekken in onze nieuwe kantoren’, licht over de telefoon vanuit Leeuwarden zijn secretaresse toe. Een secretaresse die hij dus niet of nauwelijks ziet, want zijn flexplek is meestal Den Haag, Rotterdam of Brussel. Een uurtje hier, twee uurtjes daar, het losse van het internationale, nomadische leven bevalt ’m wel. Maar de wal dreigt het schip te keren; Nederland is behoorlijk zelfzuchtig – en dat irriteert hem. En de invloed van Nederland op het wereldtoneel is tanende.

‘Ik wil het feestje niet verpesten, maar we zijn de stabiliteit die we hebben in onze regio als vanzelfsprekend gaan ervaren. Het is al drie generaties vrede en we weten bijna niet beter. Behalve als je, u als journalist of ik als militair, een beetje ook op de plekken bent geweest waar die vrede en veiligheid niet zo vanzelfsprekend zijn. Dan word je je extra bewust van al die dingen waar wij, zo lijkt het, hier zo nonchalant mee omgaan. We nemen voetstoots aan dat er altijd goed onderwijs is, of geen corruptie, dat er goed bestuur is of een kritische pers en noem maar op, maar waar ontstaat die veiligheid eigenlijk door? Is dat alleen maar blauw op straat, of komt dat ook doordat we voldoende werkgelegenheid hebben, goede scholing, weinig corruptie enzovoort? En waardoor staat die veiligheid onder druk? Komt dat misschien doordat wij of onze vrienden wellicht de verkeerde dingen doen in onze buitenlandpolitiek?

Hoe komt het nou dat een jongeman van 23 een bomgordel omgespt en zegt: “Voor mij is er geen leven op deze aarde – en dus ook niet voor jou, BOEM!”? Dan kun je wel zeggen: dat ga ik stoppen door álle telefoonverkeer af te tappen, blablabla, maar misschien moeten we ook dáár eens een keer stappen maken. Want anders kiezen we voor een leven waarbij we om de zoveel tijd rekening moeten houden met een Twin Towers of een Londen of een Madrid. Willen we dat?’

Dus?

‘Dus is het niet het een of het ander. Je kunt niet zeggen óf we doen onderwijs óf we doen defensie, onzin! We doen onderwijs, we doen gezondheidszorg en we doen ook, inderdaad, een deel van die internationale inspanning. Je kunt niet als klein, rijk land, vind ik, je aan die verplichting onttrekken en zeggen: de ellende, dat doen jullie maar, Fransen, Britten, zoek het maar uit als er in Biafra weer eens een hongersnood is, wij doen de hogesnelheidstrein in Nederland wel.’

Waarop moet Nederland zich nu concentreren? Waar zijn we goed in?

‘Op de missies die we in Europa belangrijk vinden; soms zijn dat de wat langduriger stabilisatiemissies, zoals we hebben gezien in Afghanistan, maar misschien nu op wat kleinere schaal, soms is het het beveiligen van vaarroutes. We moeten antwoorden op de vragen die internationaal aan ons gesteld worden; we zijn de zestiende economie van de wereld, het een-na-rijkste land van Europa, dan gaat het niet aan om te zeggen, weet je wat, wij doen het transport wel, of, zoals we nu in Mali hebben gedaan: we leveren één officier in het hoofdkwartier van de Belgen.’

Daar maak je jezelf niet echt geloofwaardig mee.

‘Nee, daar maak je jezelf niet echt geloofwaardig mee en het probleem is dat je ook echt invloed gaat verliezen op allerlei dossiers die voor ons ook belangrijk zijn: mensenrechten, klimaat, kredietcrisis, you name it.’

Dat merkt u?

‘Ja, dat merk ik. Toen wij uit Afghanistan weggingen, werd ons dat door de internationale club niet in dank afgenomen en Peter van Uhm, die mij opvolgde, vertelde mij ook meteen dat hij merkte dat hij veel minder snel in overleggen werd betrokken. Hij hoorde later dan anderen dat er bepaalde beslissingen werden genomen. We moeten scherp zijn op onze relatie met de omgeving, zodat we onze stem kunnen blijven laten horen bij die belangrijke zaken.

Die discussie mis ik, en die mis ik niet alleen bij rechts of links. Die discussie mis ik over de hele linie. Zij is er niet, zij lijkt er niet meer te zijn – en dat vind ik de ontkenning van de werkelijkheid; we zijn een globalized, hyperconnected wereld geworden, waarbij het niet aangaat om de reputatie te krijgen van een klaploper. En ik geloof ook niet dat we zo’n land willen zijn.’