Een klap van christus

In Jeruzalem kun je akelige aandoeningen oplopen. De ‘Jerusalem-sadness’ bijvoorbeeld. Of, erger nog, de ‘Jerusalem-madness’. Hoewel, ook elders in Israel heerst veel gekte. De Jezus-gekte.
IN DE ROTSWAND uitgehakte traptreedjes ben ik afgeklommen om de Jerusalem Post te halen. Al dagen staat een zeventienjarig meisje op de voorpagina. Het laatst is ze gezien op de bushalte, op weg naar haar vriendje. Twee bedoeienen die bij haar vader werkten, zegt men, boden haar een lift aan. Ze durfde niet te weigeren. Van de bedoeienen is niets meer vernomen. De politie zoekt op een vuilnisbelt bij het bedrijf van de vader. Die staat naar het werk te kijken. ‘Mijn dochter is een prinses’, verzekert hij de Post; ‘die ligt niet op een vuilnisbelt!’

Er bestaat een aandoening die Jerusalem sadness heet. Daar heb ik een beetje last van.
Rechts de heuvels van Judea, met bij helder weer daarachter de geplooide zandbergen bij de Dode Zee. Beneden ligt het Hinnom-dal, in het Grieks ‘Gehenna’, dat zijn naam gaf aan de hel. In de dagen der koningen offerden joden hun baby’s aan de Moloch, een bronzen beeld met uitgestrekte armen boven vlammen. Uitverkorenen zetten hun kindje erop. Trommelaars overstemden het kindergeschrei. Als de ouders huilden gold het offer niet.
Recht tegenover mij staat de 'Zionberg’. 'Die op de Heere vertrouwen, zijn als de berg Sion, die niet wankelt, maar blijft in eeuwigheid’, zegt psalm 125 in de vertaling van 1773, die ik in een Amsterdamse kiosk voor een paar kwartjes kocht. Feitelijk bedoelt de psalm de Tempelberg, waar sinds de zevende eeuw de Aqsa-moskee staat.
Bij de Zionpoort staat de Roomse kerk van het Heilig Inslapen, de Dormitio. Daar sloot de H. Maagd ten laatsten male de kijkers. Keizer Wilhelm II liet de kerk in 1910 neerzetten op oude resten van bedehuizen voor pelgrims. Daarbinnen hoort men in velerlei talen groepsgewijs bidden en zingen. Achter de kerk kun je de trap op naar het cenakel, waar het Laatste Avondmaal was. In de vorm van 'vuren tongen’ ontwaarden, na Jezus’ dood, de verbaasde Maria en de apostelen daar de Heilige Geest. Een groep Amerikanen droeg, toen ik eens die trap beklom, een flauwgevallen zuster de treden af. Onderweg greep een vrouw mijn hand en knikte me toe, dapper glimlachend door een tranenstroom.
In Jeruzalem bestaat een psychiatrische afdeling voor mensen met 'Jezus-gekte’, de zogenaamde Jerusalem madness, waarvoor ik gelukkig immuun ben.
GEZELLIG IS HET op het Centrale Busstation. Winkeltjes. Shoarma en falafel-eethuisjes. Als ik er ’s avonds met de bus aankom, staat vaak een man kastanjes te poffen. Een ander kookt maiskolven. Grote kans dat ze Russisch spreken.
Voor dertig sjekel, zo'n twintig gulden, koop ik een kaartje. Vijf uur mag ik daarvoor in de bus zitten. Omdat het op deze junidag koud is en regenachtig en vrijdagmiddag, en de sadness dreigt van een Jeruzalemse sabbat, ga ik dit weekeinde maar eens naar de badplaats Eilat. Met een puntzakje pistaches, pinda’s, zonnebloempitten, geroosterde kikkererwten en amandelen neem ik plaats op een bank. Een donkerblonde vrouw komt aanlopen. Ik ben direct jaloers op haar omdat ze met egaal bruine schouders en armen mooi is in een mouwloos wit hemd. Ze speurt de rij af, kiest mij uit, vraagt in het Amerikaans of ik even op haar bagage wil passen. De Jerusalem Report wil ze nog even kopen.
Vanzelfsprekend dat ze in de bus naast me komt zitten. We converseren over de kwaliteit van de krant. Mijn nieuwe vriendin houd ik mijn puntzakje voor. Zelf heeft ze uitsluitend zonnebloempitten bij zich. Die zijn eigenlijk het lekkerste, daarover zijn we het eens.
Laat ze nu Lisa heten, bijna net zoals ik! Ook met een joodse achternaam. Ze begint over politiek. Apodictische opinies houdt ze erop na waar geen speld tussen te krijgen is, een reeks waarheden als koeien. Afdalend langs de mauve hellingen van Judea moet ik die aanhoren. Geen politiek, alsjeblieft! smeek ik. Abrupt stopt het getetter. Mijn blik opzij vangt heel droevige ogen. Dadelijk heb ik spijt en inviterend schud ik er mijn puntzakje voor. Ze is toch niet boos? Politiek interesseert me wel hoor, maar nu heb ik een weekend vakantie.
Waarlijk mooi is ze, met een regelmatig profiel. Boos? Nee hoor! Ik moet maar niet op haar letten. Gisteravond heeft ze een vriend op het vliegtuig gezet, naar New York. Het is uit.
Op slag ben ik een en al oor. Een Amerikaans-joodse, steenrijke advocaat is hij. Ze maakten kennis in het American Colony- hotel, waar ze allebei logeerden. Dagelijks kwam je elkaar tegen en dan schuif je onder het eten eens samen aan een tafeltje. Ze hebben heel veel samen gepraat.
Nu niet gretig vragen wat er mis ging. Ongetwijfeld bevindt zich in New York zijn echtelijke sponde. American Colony is een romantisch, oosters luxehotel met een bloementuin, boven mijn begroting. Wat doet Lisa eigenlijk van haar vak?
In Florida had ze sinds haar echtscheiding een goedlopende boetiek. Ook haar joodse vader handelde in textiel, in New York. Maar dat was dan ook alles wat ze gemeen hadden. Hij was onmogelijk. En haar ex-man? Die had ze leren kennen in de hippietijd. Hasj en soms LSD. Seksuele revolutie. Dat alles had haar huwelijk overleefd. Maar later was haar man veranderd. Hij was bij de FBI. Zonder zijn revolver ging hij nooit de deur uit. Met zo'n man had ze niet kunnen leven, dat begrijp ik wel. Kinderen hadden ze niet. Helemaal alleen was ze naar Florida gegaan. Ze had een winkelruimte gehuurd en er een bloeiende kledingzaak van gemaakt. Nu had ze de winkel opgedoekt en leefde ze van haar spaargeld.
Mooie aanleiding om over kleren te beginnen. In Jeruzalem kan ik maar niets vinden dat bij me past. De bloes die ik draag bijvoorbeeld, wat vindt ze daarvan? 'It’s beautiful’, oordeelt ze deskundig, 'but it’s not you.’ Ik besluit hem na vandaag nooit meer te dragen. Nee, straks trek ik hem uit, als de bus stopt voor koffie en andere behoeften. Weet Lisa misschien waar je iets leuks koopt in Jeruzalem? Nee! Kleren interesseren haar niet meer. Lange broeken en t-shirts. Dat is genoeg.
Een paar weken geleden, vertel ik, wilde ik ook al naar Eilat. Maar toen was de laatste bus volgeboekt. 'Je mocht toen niet gaan!’ weet Lisa. 'Jij en ik waren voorbestemd om elkaar vandaag te ontmoeten.’ Geroerd bedenk ik dat ik in Eilat misschien een keer met haar kan afspreken. Naar het strand en misschien ergens eten. Even voor me houden maar! Menigmaal had ik berouw van zo'n opwelling. Ik informeer of Lisa een hotel heeft geboekt. Ze noemt een naam. Misschien is er nog wel een kamer vrij. 'Nee hoor!’ roep ik. Dat klinkt me te duur. Of vergis ik me? 'Ach’, zegt Lisa. In Jeruzalem woont ze in de Jabotinski-straat voor tweeduizend dollar per maand. Ontsteld kijk ik opzij. 'Zo ben je wel gauw door je spaargeld heen!’ waarschuw ik bezorgd. 'Maak je daarover maar geen zorgen!’ kapt ze af, 'dat is wel in orde!’ 'Wat doe je dan nu?’ informeer ik. 'Heb je hier werk?’ 'Ja,’ zegt ze. 'I work for the Lord’.
The Lord?! Vaag zie ik een Engelse graaf voor me of een baron. 'Wel, de Here Jezus Christus!’
Mijn God! We zijn pas een uur onderweg! Nog vier uur in de bus en ik heb juist vriendschap gesloten met een geval van Jezuswaan! 'Hij reist met ons mee’, verklaart Lisa. 'Verdien je wat met dat werk?’ informeer ik naief. 'Welnee! Natuurlijk niet!’
HET WAS OP de avond van haar achtendertigste verjaardag, drie jaar geleden. Eenzaam zat ze in het kantoortje van haar boetiek aan de boekhouding te werken. En daar klonk ineens de stem van de Heer! Na haar orthodoxe kindertijd had ze geleefd zonder God of gebod, en de Here Jezus was geheel aan haar voorbij gegaan, maar toch herkende ze aanstonds Zijn stem. Zij, Lisa, vertelde de Heer haar, was uitverkoren 'voor een speciaal martelaarschap’. Ze moest haar winkel opdoeken en naar het heilige Jeruzalem gaan. ’s Anderendaags gaf ze zonder aarzelen de verkoopsters en ander personeel de zak. Beroerd voor hen, maar Hij wilde dat nu eenmaal.
Eerst had Hij haar naar de American Colony gestuurd, en vervolgens had Hij haar bevolen een appartement te huren in de Jabotinski-straat. Zijn speciale martelaarster mag van hem niet in armoede leven. Op het reisbureau, terwijl ze de lijst van hotels in Eilat bekeek, had Hij haar de naam van het duurste genoemd en haar bevolen daar te boeken.
Wat een autoritair heerschap! Maar wat doet ze als haar spaargeld op is?
Nou ja, nu ik er dan toch naar vraag: dan is ze hier niet meer.
'Ga je dan het klooster in?’ zeg ik half schertsend.
'Dan houd ik op met bestaan in dit leven en dan begint een ander leven.’
Golvend zand aan weerskanten werpt over de passagiers een geel weerschijn. 'Je gaat toch geen zelfmoord plegen?’ vraag ik.
Nee, legt ze zakelijk uit, dat is niet nodig. Lees ik de Jerusalem Post? Of een Amerikaanse krant? Dan zal ik het vanzelf zien. In de vooravond van de dertiende juni aanstaande, op de Olijfberg, valt ze ten offer. Dan komt de Valse Messias en die schiet haar dood. 'Ga er die avond dan maar niet heen!’ adviseer ik.
Zeker wel! Dan begrijp ik er helemaal niets van! De Heer Jezus Christus heeft haar geroepen. Het boek Jesaja ken ik toch wel? Israel wordt bedreigd. Het land zal worden verduisterd en het volk zal zijn als een 'voedsel des vuurs’. 'De Syriers van voren en de Filistijnen van achteren’, zullen Israel 'opeten met vollen mond’. En wat predikt de profeet Jeremia? 'Het ganse land zal worden tot een woestheid, een ontzetting.’ Beiden voorspellen de komst van de Messias, evenals Zacharias. Maar zij waarschuwen ook tegen de Valse Messias. En die is in aantocht! Zij, Lisa, zal Israel redden. Daartoe wordt zij geofferd.
De bus parkeert bij een cafeetje. 'Ten minutes!’ roept de chauffeur. Achter ons stapt een echtpaar met een baby uit. We belanden bij hen aan een tafeltje. Als Lisa over haar martelaarschap nu in hemelsnaam maar haar mond houdt! Maar ze zegt niets. Strak fixeert ze de baby, tot haar ogen tranen. Haar gezicht is grauw. De jonge moeder is een kroesharig propje uit joods Londen, verwend, humeurig. In een kibboets heeft ze een sullige Israeli aan de haak geslagen. Ze zijn met vakantie en wonen in Londen. Hij is slechts enkele woorden Engels machtig.
Ik weet niet wat ervan te denken. Moet ik niet in plaats van Israel, eerst Lisa redden? Is hier geen sprake van een self-fulfilling prophesy? Precies hetzelfde, zegt Lisa ontstemd, terug in de bus, zei die Amerikaan uit de American Colony! Hij had haar niet begrepen, want hij wilde met haar naar bed! Dat was Zonde. Hoe kon ze nu ontrouw zijn aan de Heer? 'You need help!’ waren zijn afscheidswoorden geweest. 'Ik kan hem geen ongelijk geven!’ beken ik.
Ik lijk haar zusje wel. Die valt haar telkens lastig met brieven. Die is ook al zo dom! Maar nu weet ze goddank Lisa’s adres niet meer.
Gretig grijp ik de kans om van onderwerp te veranderen. Onze zusjes die ons niet begrijpen. Het lukt. Lisa zegt er wijze dingen over. Maar het duurt niet lang of ze is weer terug bij haar missie. Met haar hoofd ligt ze tegen mijn schouder en praat en praat maar. Jesaja, Jeremia, de Here Jezus Christus.
Zomerse warmte waait de ramen binnen. De woestijn is nu geen plas zand meer, maar huizenhoge, grillig gevormde zandkastelen, met geheimzinnige inhammen en torens. Plotseling, tot mijn ontsteltenis, staat Lisa op en gaat de andere buspassagiers toespreken. Mensen lachen, stoten elkaar aan. Hand voor de mond, grote, komisch bedoelde schrikogen, staart het Londense propje mij aan. 'Lisa!’ roep ik. 'Kom terug! Ik moet je wat zeggen.’
Ze zit weer naast me, ratelt onstuitbaar. Jezus, Valse Messias, Jeremia, Jesaja. Onheil.
EILAT. DE BUS houdt stil op een druk plein. We stappen uit in klamme hitte. 'Zeg eens eerlijk’, zegt Lisa tegen me als we bij onze bagage staan. 'Vind je dat er iets waars is, in wat ik je heb verteld? Of vind je het alleen maar onzin?’ Mijn antwoord is tactloos. 'Eerlijk gezegd: ja’, zeg ik. 'Nee. Ik geloof er niet in.’
'So you think I’m nuts!’ Weg is ze. Verdwenen. Ik richt me tot het Londense propje maar het kreng keurt me geen blik meer waardig en hijst haar gezin in een taxi.
Somberheid overvalt me op dit plein, dat je rustig zonovergoten kunt noemen. Medelijden, wroeging. Hoe heette haar hotel ook weer? Maar haar achternaam ben ik ook vergeten. En trouwens, wat valt er nog te bespreken? Nu een hotel zoeken. Waarom ben ik eigenlijk hier? Het is sabbat. Tot morgenmiddag is er geen weg terug.
Een stuk strand zonder luidsprekergebonk was een eind lopen, al bonkt het ook hier in de verte. 'Wilt u even op mijn bagage letten?’ vraagt een jonge vrouw in het Engels. 'Ik ga zwemmen.’
Ik schijn wel een grote betrouwbaarheid uit te stralen! Ik houd de wacht bij de spulletjes. Er is een klapstoeltje bij en iets wat op een klaptafel lijkt. De vrouw komt terug, droogt zich af en vertelt dat ze uit Denemarken komt, joods is en al een paar maanden in Eilat woont en werkt. Ik wijs naar een strandcafe. 'Ik ga koffie drinken’, kondig ik aan. 'Ga je mee?’ Iemand die Eilat goed kent, kan altijd nuttig zijn. Ze stemt toe, gaat mee, maar weigert koppig iets te bestellen of van mij aan te nemen. Ze kijkt toe hoe ik koffie drink. Uit wat voor milieu zou ze komen? 'Is je vader religieus?’ vraag ik.
'Ik praat niet over mijn vader!’
'O hemel, ruzie?’
'Ik praat niet over mijn vader. Dat zeg ik toch!’
Onbehaaglijke stilte. 'Ik moet naar mijn werk’, zegt ze dan.
AAN HET ONTBIJT zit ik aan tafel met weer een Deense, dik, in de veertig, blond knoetje, niet joods. 'Wat een rotherrie hier op die stranden!’ foeter ik. De Deense weet wel een stil strandje. Je moet een stuk met een busje, dat ook op sabbat rijdt, richting Egypte. Als ik wil kan ik wel mee. Dankbaar haal ik mijn zwempak.
De entreeprijs van het strandje komt overeen met die van de Amsterdamse opera. Goed dat ik genoeg geld bij me heb! De prijs voor geen muziek, of wat daarvoor door moet gaan.
In de verte buitelen dolfijnen. Het zijn net grote poezen. Ze geven energie af, legt mijn Deense vriendin uit. Je kunt met ze zwemmen, hen in de armen nemen. Dan ben je op slag herboren. De Deense is lid van een rebirthing-club. Straks komen de anderen. Daar is haar vriendin. Ze wijst naar het water. Een kring mensen houdt, onbeweeglijk, een vrouw omvat. Ruggelings drijft ze op het water. Die is bezig, legt de Deense uit, om herboren te worden. Straks kan ik kennis met haar maken. Vanmiddag mag ik mee naar de zwempartij met de dolfijnen. Ik bedank beleefd. Zwemmen doe ik graag zonder dolfijn in de buurt. 'Ik leef met een groot verdriet’, verklaart de Deense. 'Ik heb een kind verloren!’
Een moeder die haar kind verloor! Niet onbegrijpelijk dat die een beetje getikt raakt. 'Hoe oud was het?’ vraag ik, behoedzaam, medelijdend.
'Het was nog niet geboren. Het is al ruim twintig jaar geleden.’
Een miskraam! Die heb ik ook eens gehad. Daar denk ik eigenlijk nooit meer aan. Nee, laat die dolfijn maar spetteren en springen zonder mij.
In Eilat schijnt iedereen maf te zijn.
Om half vier sabbatmiddag sta ik klaar, op dat bloedhete plein. God verhoede dat de bus naar Jeruzalem vol is!
Een vrouw komt naast me zitten, maar ik besluit geen woord met haar te wisselen. Na een paar uur, juist voor donker rijden we langs de Dode Zee, die grote blikken schotel, heldere spiegel van de omringende zandbergen, met in pastelstrepen de andere oever, betoverend als Gene Zijde. 'It’s like a dream’, zeg ik zacht. Mijn buurvrouw knikt met glanzende ogen. Verder valt er tussen ons geen woord.
Op de avond van de dertiende juni ben ik niet naar de Olijfberg gegaan. De krant meldde er niets over.
OP HET MEER van Tiberias vaart een 'Jezusboot’ naar Capernaum, de synagoge van de Nazarener. De boot is nagebouwd als een schuit van twintig eeuwen her. De bootslui dragen witte jurken. Midden op het meer houdt het schip stil om de passagiers gelegenheid te geven zich over te geven aan gebed, geween en gezang. Velen doen hun ringen en andere juwelen af en gooien die in het meer, 'voor Jezus’. Ook hele beurzen met dollars plonzen in het water.
In de krant las ik, twee weken na Eilat, dat een vrouw op zo'n Jezusboot hysterisch werd en niet meer tot bedaren was te brengen. Men had haar met een spuit de mond gesnoerd en overgebracht naar een inrichting voor geesteszieken, met een speciale afdeling voor degenen aan wie Jezus Christus een ferme klap had uitgedeeld.