Centraal Planbureau negeert milieubaten van windenergie

Een klap van de molen

De windmolens op zee gaan de maatschappij vijf miljard kosten, waarschuwt het Centraal Planbureau. Het CPB baseert zich echter op volstrekt achterhaalde argumenten en aannames.

Medium energie

Vorige week werd officieel bekend wat we eigenlijk al wisten: we gaan de doelstellingen uit het ser-Energieakkoord niet halen. De afspraken uit het polderakkoord van vorig jaar zijn niet hard genoeg om de afgesproken veertien procent duurzame energie in 2020 te halen. pvda-leider Samsom vond dat ‘onacceptabel’ en eiste aanvullende actie. De vvd bleef rustig: de verantwoordelijke minister van Economische Zaken Kamp hield stoïcijns vol dat de doelen nog haalbaar zijn, en vvd-energiewoordvoerder René Leegte stelde voor om de groene stroom desnoods in het buitenland te kopen en zo aan de veertien procent te komen.

De uitvoering van het akkoord is vanaf het begin een crime. Er waren politieke relletjes over de sluiting van kolencentrales, de subsidieregeling voor zonnepanelen en, toen Kamp eind september van gedachten veranderde, over de locaties voor windmolenparken op zee. Duurzame energie gaat hem na aan het hart, zegt Kamp steeds, maar volgens Diederik Samsom doet de regering ‘precies zoals het dus niet moet, mooie afspraken maken, maar ze dan niet waarmaken’.

De meeste ophef ontstond na uitspraken van Centraal Planbureau-onderzoeker Annemiek Verrips in het achtuurjournaal van zondag 5 oktober. Namens het Planbureau gaf Verrips commentaar op een kosten-batenanalyse waaruit bleek dat windmolens de samenleving vijf miljard euro meer kosten dan ze opleveren, ‘ook als je alle milieubaten meerekent’. Dat was ‘opzienbarend maar waar’, aldus Verrips.

Nu weet iedereen dat windmolens op zee geld kosten. In het energieakkoord was tot 2020 een bedrag van 13,6 miljard euro gereserveerd om groene energie te subsidiëren, waarvan het leeuwendeel voor de windmolens bestemd was. Het was de uitleg van het cpb die het ’m deed. Verrips zei dat de ‘maatschappelijke welvaart’ er met vijf miljard op achteruit ging en dat was ‘ongeveer 120 euro per huishouden, want subsidies worden betaald door gewone mensen thuis in hun elektriciteitsrekening’. Dat klonk ernstig. Eigenhandig draaide het cpb het debat twee stappen terug: de windmolens waar al lang politieke besluiten over waren genomen, stonden weer ter discussie. ‘Opeens is de consensus over duurzaamheid weg’, kopte NRC Handelsblad.

Het Planbureau baseert zijn uitspraken op de volgende theorie: windenergie levert nauwelijks milieubaten op omdat we in Europa een emissiehandelssysteem voor CO2 hebben, het ets. De rechten om CO2 uit te stoten worden verhandeld, terwijl het plafond van de totale toegestane Europese uitstoot jaarlijks zakt. Gaandeweg worden de rechten duurder en zo wordt iedereen gestimuleerd minder uit te stoten.

Ondertussen kan er met broeikasgassen worden geschoven: als een fabriek in Polen minder rechten nodig heeft, kan Tata Steel in IJmuiden wat rechten bijkopen, en als Duitsland duurzamer wordt, blijven er meer CO2-rechten over voor een ander land. Omdat heel Europa meedoet, moet je bij de beoordeling van het klimaatbeleid van individuele lidstaten rekening houden met dit ‘waterbed-effect’, zegt het cpb. Als je de uitstoot in het ene land drukt, gaat die elders omhoog. ‘Hoeveel windmolens je hier ook neerzet, het heeft geen effect op de CO2-uitstoot.’

Op papier klopt deze redenering als een bus: klimaatwinst op de ene plek kan leiden tot goedkopere uitstoot elders. Maar in de praktijk is dit een vreemde redenering omdat het ets niet werkt. De industrie die erdoor zou worden getroffen, heeft het systeem onschadelijk gemaakt (zie De Groene van 27 november 2013). Er zijn veel te veel rechten in omloop en de CO2-prijs is te laag om iets uit te halen.

Het is dan ook een gotspe dat het cpb door dit systeem de klimaatwinst van meer windmolens op nul waardeert. Het is alsof je besluit mensenrechtenschendingen in Nederland niet meer aan te pakken, omdat we nu eenmaal een VN-verdrag voor de rechten van de mens hebben. Het is een verwarring van theorie en praktijk.

Deze theoretische kronkel van het cpb is nergens voor nodig: je kunt heel goed berekenen hoeveel CO2 je bespaart als je de wind of de zon gebruikt om stroom op te wekken, dan heb je namelijk minder gas en kolen nodig. In Duitsland doet het overheidsorgaan dat zich met energie en klimaat bemoeit dat ook keurig. Daarom weten we dat de toegevoegde duurzame energie in Duitsland in 2013 het equivalent van bijna 150 miljoen ton CO2 uitspaarde. Het cpb kiest er dus bewust voor om klimaatwinst die er wel degelijk is niet bij te tellen op het conto van windmolens.

De branchevereniging van windenergie liet de dag na het journaal weten dat het cpb zichzelf met de uitlatingen van Verrips ‘volstrekt buiten de politieke werkelijkheid en buiten de maatschappelijke realiteit’ plaatste. Minister Kamp sprak van ‘een betreurenswaardig misverstand’ bij het Planbureau. Als je ooit van fossiele brandstoffen af wil, zul je ergens moeten beginnen, zei de minister, ‘dat begrijpt iedereen’.

Zijn windmolens nog steeds zo onrendabel als de conflicten in Oekraïne of het Midden-Oosten verder escaleren?

Het gaat bovendien niet alleen om CO2. Nederland streeft naar energie-onafhankelijkheid en duurzaam kan daarbij helpen. Nederlandse ondernemingen kunnen verdienen met de ervaring die ze opdoen bij het bouwen van gesubsidieerde offshore windparken. Allemaal overwegingen die niet in concrete baten zijn omgezet in de analyse waar volgens het cpb ‘alle kosten en baten’ in zaten, ‘ook het milieu, ook de gezondheid, alles wat voor Nederlandse mensen belangrijk is’.

Hoe solide was die analyse werkelijk? Het bedrag van vijf miljard komt uit een onderzoek dat is gedaan door twee onderzoeksbureaus die Economische Zaken had ingehuurd en die het cpb heeft begeleid. Kamp had het rapport besteld omdat hij de kosten van twee opties voor windmolenparken op zee met elkaar wilde vergelijken: bouwen vlak bij de kust of iets verder weg. Die toegespitste vraag verklaart misschien enkele van de tekortkomingen. In het rapport van de vijf miljard staat bijvoorbeeld geen woord over de te verwachten kosten als gevolg van klimaatverandering, terwijl je die natuurlijk moet meenemen als je praat over de kosten en baten van klimaatvriendelijke energiebronnen. In het rapport is een prijskaartje gehangen aan de ‘verminderde beleving van de kust’ door windmolenparken, maar het woord ‘olieprijs’ komt er niet in voor, terwijl een hogere of lagere olieprijs miljarden kan schelen. Zijn windmolens nog steeds zo onrendabel als de conflicten in Oekraïne of het Midden-Oosten verder escaleren en de olie- en gasprijzen sneller gaan stijgen dan nu wordt verwacht? De modellen doen er het zwijgen toe.

De grote vraag is waarom het cpb steeds kiest voor de conservatieve benadering. Want Verrips’ stellige opmerkingen in het journaal waren geen incident. In cpb-rapporten uit 2005 en 2013 over de kosten en baten van windenergie komt dezelfde drogreden terug: door het ets hebben extra windmolens in Nederland ‘geen effect’ op de CO2-uitstoot. De kosten van klimaatverandering komen niet aan bod. De directe negatieve milieu-effecten van kolenstook worden meegerekend, de indirecte effecten op het milieu van kolentransport en mijnbouw niet. De daling van huizenprijzen door windmolens in de buurt wordt keurig ingeschat, mogelijke schade door zeespiegelstijging niet.

Bijna alle aannames in de modellen van het Planbureau pakken uit in het nadeel van klimaatvriendelijke energie, maar de analyses en doorrekeningen worden als neutraal gepresenteerd. ‘Het cpb is hier politiek aan het bedrijven’, zegt duurzaamheidsconsultant Jan Paul van Soest. ‘Economen zijn er bij uitstek goed in om normatieve uitspraken over de wereld te verpakken als objectieve uitspraken. Misschien hebben ze niet eens door dat ze dat in dit geval ook doen.’

Voor de belangrijkste rekenmeester van de overheid is dit buitengewoon ernstig. Het cpb lijkt te werken in een theoretisch vacuüm – een wereld van lineaire modellen en perfect functionerende markten waar, om de een of andere reden, alleen de status-quo betaalbaar is. Met zo’n Planbureau heb je geen conservatieve partijen meer nodig. Natuurlijk knijpen die zich wel in de handjes. De vvd pleitte voor minder windmolens nu de kosten uit de hand dreigen te lopen en de pvv vroeg Kamp te stoppen met het wanbeleid dat de samenleving vijf miljard euro schade opleverde.

Het debat was effectief teruggebracht tot een welles-nietes over windmolens. Maar de materie is complex en er zijn voldoende vragen waarop we goed becijferde antwoorden willen. Het cpb zou bijvoorbeeld empirisch onderzoek kunnen doen in Duitsland, waar ze iets verder zijn met verduurzaming. Hoe pakken de kosten en baten daar in de praktijk uit? Hoeveel subsidie was precies nodig voor die 150 miljoen ton vermeden CO2-uitstoot? Zijn die euro’s goed besteed aan windmolens en zonnepanelen of was er meer CO2 gereduceerd als ze waren geïnvesteerd in stadsverwarming of isolatie van huizen? Gevraagd of het cpb zulk empirisch onderzoek doet, stelde de woordvoerder een wedervraag: ‘Wat bedoelt u met “op empirie gebaseerd”?’

Toch kunnen niet genoeg rekenmeesters hun hoofd breken over deze vragen. Het is daarna aan de politiek om te kiezen voor de ene of andere optie – en opties hebben we. Zowel de vvd als het cda wil weer praten over nieuwe kerncentrales, die weliswaar geen energie-onafhankelijkheid brengen, maar wel minder CO2 dan bijvoorbeeld kolen. Nu zou het bijzonder nuttig zijn als het cpb uitrekent wat goedkopere CO2-reductie oplevert: investeren in een kerncentrale of in de duurzame energiebronnen uit het energieakkoord. Dat de tweede optie veel voordelen biedt, is inmiddels bekend. De uitstoot van broeikasgassen kan tot 2050 met 62 procent dalen als de wereld volledig overstapt op groene stroom, zo bleek onlangs uit Noors onderzoek waarover de Volkskrant berichtte. ‘Fijnstof neemt met veertig procent af en watervervuiling daalt met de helft. Het op grote schaal bouwen van duurzame elektriciteitsinstallaties is daarmee goed voor het klimaat en leidt tot schonere lucht.’

De energievoorziening is een aaneenschakeling van maatschappelijke kosten, nieuwe investeringen en politieke keuzes die continu worden gemaakt – ook als er geen politiek debat is. Zo is vorig jaar een nieuwe olieterminal ter waarde van achthonderd miljoen euro naar Rotterdam gehaald en zo investeert Nederland continu miljoenen in nieuwe infrastructuur voor aardgas. Nu wordt daarvoor niet direct subsidie vrijgemaakt zoals voor groene stroom, maar aan de pomp en via onze energierekening betalen we gewoon mee. De overheid geeft de vergunningen en is in sommige gevallen mede-investeerder via staatsdeelnemingen.

Klimaatverandering stelt al deze projecten in een nieuw daglicht. Het was vier miljoen jaar geleden dat er net zo veel broeikasgassen in de atmosfeer waren als vandaag. Rond de polen was het toen ongeveer twintig graden warmer. De uitstoot breekt bijna ieder jaar het record van het voorgaande jaar, kortom, de opwarming gaat door en de bijhorende rampscenario’s zijn bekend. Een Planbureau dat de kosten hiervan niet incalculeert maar wel beweert dat nieuwe windmolens ‘geen effect’ hebben, is volstrekt niet serieus te nemen.


Jelmer Mommers werkt samen met Belia Heilbron, Thomas Muntz en Huib de Zeeuw in de onderzoeksgroep energie en klimaat voor De Groene Amsterdammer, De Onderzoeksredactie en De Correspondent


Beeld: Luchtopnames van de Eemshaven waar windmolens klaarliggen om geïnstalleerd te worden (ANP).