Artistieke vrijheid versus het grote geld

Een klap van eigen handtas

Nadia Plesner gebruikte een Louis Vuitton-tas in een schilderij waarmee zij protesteert tegen de westerse onverschilligheid over Darfur. In een rechtszaak tegen de kunstenares lijkt Vuitton nu aan het kortste eind te trekken.

KUNSTENARES Nadia Plesner mag een tas van Louis Vuitton vrijelijk gebruiken in haar artistieke campagne tegen de westerse onverschilligheid over de genocide in Darfur. Haar inzet van de tas, waarvan het ontwerp is gedeponeerd als model, maakt geen inbreuk op de rechten van intellectueel eigendom van de maker van prijzige tassen en koffers. Dat bepaalde vorige week de Haagse kortgedingrechter in een geschil dat al drie jaar loopt.
Het vonnis en zijn voorgeschiedenis, die veel aandacht kregen in de media, zijn om twee redenen van groot belang en zijn daarom een nadere beschouwing waard. Zij laten zien hoezeer de artistieke betekenis van kunst is verbreed van de uiting zelf - een schilderij, een voorstelling, een muziekwerk - tot het circus daaromheen: the making of, marketing en verkoop, de reacties van publiek, critici en autoriteiten en de publiciteit die dit alles genereert. Bovendien legt de zaak de verwording bloot van het ‘auteursrecht’. De term staat hier bewust tussen aanhalingstekens. Louis Vuitton beriep zich op zijn modelrecht, waardoor hem de commerciële exploitatie toekomt van het ontwerp van een gebruiksvoorwerp als de Audra-tas. Het auteursrecht geeft de maker van een werk van literatuur, wetenschap of kunst de touwtjes in handen over de openbaarmaking en verveelvoudiging van zijn werk.
Er is dus een verschil. Maar beide rechten zijn nauwe verwanten binnen de 'familie’ van intellectueel eigendom (IE). 'Het auteursrecht’, zoals dit rechtsgebied in het dagelijks spraakgebruik ook vaak wordt aangeduid, is in de loop der tijden verworden tot concernrecht, dat vooral de gevestigde belangen beschermt van grote commerciële partijen als LVMH, het beursgenoteerde conglomeraat van luxegoederen dat eigenaar is van Louis Vuitton. De normale bescherming door wet en rechtspraak heeft in de IE hier en daar groteske proporties aangenomen.
De Haagse rechter heeft nu een belangrijk onderscheid gemaakt tussen het auteurschap van Nadia Plesner en dat van Louis Vuitton en aan het hare in deze zaak een groter gewicht toegekend. Hopelijk leidt zijn uitspraak tot een betere juridische bescherming van de artistieke vrijheid tegen het grote geld.

DE ZAAK gaat terug tot 2008. In dat jaar maakt Plesner, een Deense kunstenares die in Nederland woont en werkt, een afbeelding van een bloot zwart jongetje, hologig en met een hongeroedeembuik. Op zijn rechterarm draagt hij een chihuahua met een roze dekje, aan zijn linkerarm bungelt een witte Audra-tas van Louis Vuitton. Het beeld refereert aan Paris Hilton, die zich vaak met deze twee attributen heeft laten portretteren. Plesner bedrukt posters en T-shirts met de afbeelding van het Afrikaanse jongetje en verkoopt deze onder de naam Simple Living. Op de tas is het bekende logo van Louis Vuitton dan ook vervangen door een verstrengelde S en L.
Wat Plesner met deze uiting aan de kaak wil stellen, verwoordt zij als volgt: 'Since doing nothing but wearing designer bags and small ugly dogs apparently is enough to get you on a magazine cover, maybe it is worth a try for people who actually deserve and need attention. If you can’t beat them, join them! This is why I chose to mix the cruel reality with showbiz elements in my drawing “Simple Living”.’
Daarnaast refereert de afbeelding ook aan de mediatisering en commercialisering van het goede doel. Paris Hilton zet zich in voor onder meer zieke kinderen en de strijd tegen borstkanker en volgt daarmee het voorbeeld van beroemdheden als Madonna, Angelina Jolie en Bono. De laatste wordt weer gebruikt door Louis Vuitton in zijn reclamecampagnes. Behalve de charitas dient deze praktijk ook het eigen imago van de sterren.
Louis Vuitton is not amused. Als Plesner weigert in te gaan op herhaalde verzoeken om de tas uit haar afbeelding te verwijderen, eist de maker bij het Tribunal de Grande Instance in Parijs een onmiddellijk verbod op het gebruik van de tas en een symbolische schadevergoeding van één euro. De Parijse rechtbank wijst beide eisen toe, maar Plesner legt de uitspraak in eerste instantie naast zich neer. Zij gaat niet alleen door met de verkoop van haar Simple Living-productlijn, maar plaatst ook teksten op haar website waarin zij Louis Vuitton beschuldigt van sabotage van haar campagne rond Darfur. Pas in juni 2008 gaat zij alsnog met tegenzin door de knieën. Zij houdt op de tas in afbeeldingen te verwerken en verwijdert ook de teksten van haar site.

IN JANUARI van dit jaar ontdekt Louis Vuitton 'tot zijn ontsteltenis’, aldus zijn advocaten, dat Plesner de Audra-tas toch weer is gaan gebruiken. De gewraakte posters en T-shirts zijn in ere hersteld en het jongetje met de tas en het hondje duikt ook op in een immens schilderij van 3,5 bij 7,76 meter met de titel Darfurnica, een duidelijke referentie aan de Guernica van Pablo Picasso. Darfurnica hangt te koop voor 67.000 euro op een tentoonstelling van Plesners werk in de Kopenhaagse Galleri Esplanaden. Het jongetje figureert ook prominent in de reclame en promotie voor de tentoonstelling, en daarmee voor de verkoop van Plesners kunstwerken. Vuitton ziet zijn kans schoon: commercieel gebruik zonder toestemming van zijn tas kan niet anders dan inbreuk maken op Vuittons eigen commerciële rechten. De tassenmaker stapt wederom naar de rechter, deze keer in Den Haag.
In kort geding vraagt hij daar een zogenoemd ex parte bevel waarin Plesner wordt verboden de tas te gebruiken, nu op straffe van hoge dwangsommen. Dit is een nieuw rechtsmiddel voor houders van IE-rechten dat in 2007 voor het eerst is toegepast, eveneens door de rechtbank Den Haag. Een ex parte zaak is een soort kort geding waarin de rechthebbende een 'voorlopige voorziening’ kan vragen wanneer 'onherstelbare schade’ dreigt voor zijn IE-rechten. Noch de eiser, noch de verweerder hoeft daarvoor in de rechtszaal te verschijnen. De rechter kan de gevraagde voorziening toewijzen zonder de tegenpartij te horen en zelfs zonder dat deze van de procedure tegen hem op de hoogte is. Als hij erachter komt, moet hij zelf in kort geding - vanwege het spoedeisende karakter een kostbare procedure - eisen dat de voorziening weer wordt ingetrokken.
Deze bizarre regeling vloekt met het principe van een eerlijke rechtspraak. Zij vloeit voort uit een nieuwe Handhavingsrichtlijn uit 2004 van het Europees Parlement en de Raad voor de Europese Unie en verspreidt de indringende geursporen van de lobby’s voor grote belangen die in Brussel en Straatsburg zo actief zijn. Toch heeft de Nederlandse wetgever dit onding braaf in het burgerlijk recht geïncorporeerd. Net als de Franse wetgever trouwens; ook de uitspraak van de Parijse rechter uit 2008 is een ex parte bevel.
In Den Haag eist Louis Vuitton dus opnieuw een verbod op het gebruik van de tas, op straffe van hoge dwangsommen. Volgens de tassenmaker rechtvaardigt de schending van zijn IE-rechten een inbreuk op Plesners vrijheid van meningsuiting. Die schending is niet noodzakelijk om de misstanden rond Darfur aan de kaak te stellen: 'Louis Vuitton heeft met de genocide in Darfur niets van doen’, en Plesner had de westerse consumptiecultuur ook met andere middelen kunnen illustreren, bijvoorbeeld door 'het kindje af te beelden met een grote diamanten ring, met op de achtergrond een blinkende auto, onderuitgezakt voor de televisie’. Door Louis Vuitton te koppelen aan Darfur zou de tassenmaker 'grote schade’ lijden. Maar die kwantificeert hij niet, en hij eist evenmin een voorschot op een schadevergoeding.

AAN de uitspraak van de dienstdoende vice-president van de Haagse rechtbank, mr. Chr. Hensen, gedaan op 27 januari, is af te lezen dat hij met de ex parte regeling in zijn maag zat. 'In de situatie van nu, en gelet op het gebruik van nu’, aldus Hensen, 'is onaannemelijk dat voor de aanprijzing en merchandising voor eigen werk een rechtvaardigingsgrond bestaat.’ Hier lijkt hij zijn verbod nog te beperken tot het gebruik van de tas ten behoeve van reclame en promotie. Maar vervolgens verbiedt hij 'iedere inbreuk’, dus ook die in het schilderij Darfurnica en de Simple Living-lijn, zij het dat hij de geëiste dwangsommen matigt. Tegelijkertijd nodigt hij Plesner bijna met zoveel woorden uit per kort geding de opheffing van zijn verbod te vorderen: hij reserveert daarvoor alvast een nieuwe zittingsdag op 10 februari 2011.
De kunstenares spant inderdaad een kort geding aan tegen Louis Vuitton, eveneens voor de Haagse rechtbank, dat niet op 10 februari maar op 4 mei tot een uitspraak leidt van een andere vice-president, mr. E.F. Brinkman.
Anders dan zijn collega Hensen gaat Brinkman uitgebreid in op de inhoudelijke merites van de zaak. Brinkman houdt het er heel diplomatiek op dat Plesner en Louis Vuitton 'van mening verschillen’ over de vraag of het ex parte verbod van Hensen alle uitingen met de tas omvat, dus naast de promotie ook het schilderij Darfurnica en de Simple Living-producten. De tassenmaker wordt kennelijk heen en weer geslingerd tussen zijn commerciële belangen en een typisch Frans respect voor de kunstenaar en zijn creaties: tijdens de zitting in de tweede Haagse zaak stelt Louis Vuitton uitdrukkelijk dat het schilderij wat hem betreft buiten het verbod mag blijven.
Brinkman maakt van die opening dankbaar gebruik. Om te beginnen overweegt hij dat in casu sprake is van twee conflicterende grondrechten: Plesners vrijheid van meningsuiting versus het eigendomsrecht van Louis Vuitton. Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in Straatsburg moet hij daarom op zoek naar een fair balance tussen het algemeen belang - de handhaving van grondrechten - en de diverse partijbelangen. Louis Vuitton stelt dat Plesner zijn eer en goede naam heeft aangetast, een van de belangrijkste rechtvaardigingsgronden voor een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting. Brinkman vraagt zich hardop af of eigendomsrechten zoals het modellenrecht wel zien op reputatiebescherming. In ieder geval acht hij dit een 'minder wezenlijke’ functie van zulke rechten.
Bovendien mag kunst 'offend, shock or disturb’, volgens vaste rechtspraak van het EHRM. Brinkman beoordeelt Plesners gebruik van de Audra-tas als 'functioneel en proportioneel’ en niet dienstig aan 'een louter commercieel doel’. Volgens hem heeft Nadia Plesner nooit de bedoeling gehad 'om in commerciële zin mee te liften op de bekendheid van Louis Vuitton’, en evenmin om de tassenmaker te associëren met de genocide in Darfur. Brinkman acht het ook 'niet aannemelijk’ dat het publiek uit Plesners kunst en de Simple Living-producten zo'n betrokkenheid heeft afgeleid, noch van Louis Vuitton, noch, zo voegt hij tongue in cheek toe, van 'een in roze gestoken chihuahua’.
Bovendien zoekt Louis Vuitton zelf de publiciteit via reclamecampagnes met beroemdheden. De tassenmaker stelt zich daardoor willens en wetens op als een 'public figure’, die 'zich in sterkere mate dan andere rechthebbenden kritisch gebruik als het onderhavige dient te laten welgevallen’.
Plesners gebruik van de Audra-tas in reclame en promotie is slechts een afgeleide van haar opzet om met artistieke middelen de aandacht te vestigen op misstanden rond de genocide in Darfur. De tas in de afbeelding, zo overweegt Brinkman, 'verwordt niet reeds door gebruik als blikvanger tot een uiting van “puur commerciële aard”’, net zo min als een krant 'door het nastreven van winst met de door haar gepubliceerde artikelen een minder vergaande bescherming van de vrijheid op meningsuiting moet toekomen’. Brinkman laat expliciet 'in het midden’ of de zaak zich leende voor een ex parte bevel, 'gelet op de over en weer in het geding zijnde grondrechten en de daarmee samenhangende weging van wederzijdse belangen’.
Daarmee bespaart hij, every inch a gentleman, zijn collega Hensen onnodig gezichtsverlies, maar hij zet zo wel de deur open naar een rechterlijke inperking die de draconische ex parte regeling heel wel tot een dode letter zou kunnen reduceren.
Brinkman vernietigt het ex parte vonnis in zijn geheel, en daarmee dus de onrechtmatigheid van alle vermeende inbreuken door Plesner. En wel met terugwerkende kracht, omdat anders Plesner tussen de eerste en de tweede uitspraak van de Haagse rechtbank dwangsommen verbeurd zou kunnen hebben voor overtreding van een verbod dat bij nader inzien onterecht blijkt te zijn.
Aan het slot trakteert hij de grote commercie, die de Europese wetgever regelingen als het ex parte bevel lijkt in te fluisteren, nog op een sigaar uit eigen doos. Plesner had geëist dat Louis Vuitton haar proceskosten zou betalen, die zij ter zitting gespecificeerd begrootte op ruim 78.000 euro - op zichzelf al een bewijs hoe ongelijk de strijd tussen de artistieke vrijheid en de commercie is geworden.
Brinkman veroordeelt Louis Vuitton tot betaling aan Plesner van 'slechts’ vijftien mille, nog altijd een veel hoger bedrag dan Nederlandse rechters aan proceskosten plegen te vergoeden. Vijftien mille, zo merkt Brinkman fijntjes op, is het maximaal toewijsbare volgens 'de indicatietarieven in IE-zaken’. Die zijn vast niet ontworpen met het oog op armlastige kunstenaars.

MET ZIJN uitspraak doet Brinkman recht aan de hedendaagse artistieke praktijk, waarin de kunstuiting zelf vaak maar één element is in een proces dat nog het meest aan een performance doet denken. Damien Hirst is misschien wel het beste voorbeeld. De medicijnen en dierenkadavers waaruit hij zijn kunstwerken samenstelt, in een eigen factory met tientallen medewerkers, de hype en handel rond zijn werk, de weldoeners en verzamelaars waarmee hij zich omringt - alles heeft een artistieke betekenis, alles biedt commentaar op actuele of historische ontwikkelingen. En de kunstenaar heeft altijd het laatste woord: de reacties van publiek en professionals verwerkt hij domweg in zijn oeuvre.
Hirst en Plesner spelen een spel dat al bijna een halve eeuw geleden is uitgevonden door Andy Warhol. Hoogste tijd, dus, dat wetgevers en rechters de juridische bescherming van de artistieke vrijheid dienovereenkomstig verbreden. Voor 'onherstelbare schade’ aan legitieme commerciële belangen hoeven zij daarbij niet te vrezen. Zelfs een multimiljonair als Hirst is een armoedzaaier vergeleken bij Charles Saatchi, de steenrijke ondernemer die hem hielp doorbreken, maar daar ook zelf weer flink aan verdiende.
Het ligt eerder omgekeerd. Commerciële bedrijven die het spel op een intelligente manier meespelen, behalen tegen relatief verwaarloosbare kosten een niet te becijferen profijt, in de vorm van een duurzaam beter imago. Kledingfabrikant Benetton stak van de commercie over naar de kunst, door een eigen campagne te bouwen rond de foto’s van Oliviero Toscani die refereerden aan heikele thema’s als aids, oorlog en doodstraf. Toscani’s beelden zijn voor eeuwig in ons collectieve geheugen geëtst, inclusief de merknaam van zijn opdrachtgever.
Ten slotte biedt het laatste vonnis in de zaak Plesner versus Louis Vuitton ook hoop voor de Nederlandse rechters. Die worden de laatste jaren overladen met kritiek en hebben hun imago ernstig zien verschrompelen. Het Plesner-vonnis laat zien wat zij nog altijd heel goed kunnen: wet en jurisprudentie aanpassen aan de eisen van de actualiteit. Goed gemotiveerd, goed juridisch onderbouwd en in kalm geformuleerd, redelijk begrijpelijk Nederlands. Tegenover iedere rechterlijke dwaling staan honderden van dit soort vonnissen. Die zijn onmisbaar in de handhaving van beschaafde omgangsvormen tussen bijna zeventien miljoen burgers. Het is goed daar even bij stil te staan wanneer het volgende lawaaimoment aanbreekt in het proces-Wilders.