Een klassieke schrijver

De poëzie van de 250 jaar geleden geboren Friedrich Hölderlin was van de aardse werkelijkheid losgezongen, net als hijzelf. Biograaf Rüdiger Safranski gaat in Hölderlins leven en werk op zoek naar diens goddelijke vuur.

Friedrich Hölderlin was bevangen door een verheven vrijheidsgevoel. Muurtekst in Tübingen, Duitsland, 1980 © Rudolf Dietrich / Ullstein Bild / Getty Images

Eind 1943 werden honderdduizend dichtbundels van Hölderlin als kerstcadeautje naar soldaten aan het oostfront gestuurd. Ook wie niet met deze hooggestemde gedichten vertrouwd is snapt meteen dat ze voor ons lastig te rijmen zijn met het grootschalig geweld in Rusland, de onvoorstelbare honger, de gruwelijke kou, de eindeloze executies en de beestachtige wreedheden van dat strijdtoneel, met alleen al een miljoen burgerslachtoffers in het dan nog steeds belegerde Leningrad.

Om de 250 jaar geleden geboren Hölderlin te herdenken valt een betere opening te verzinnen dan deze door Rüdiger Safranski terloops genoemde poëziebloemlezing, door de enorme oplage antiquarisch overigens nog goed verkrijgbaar. Het is alsof je Nietzsche introduceert aan de hand van die even idiote oplage van 150.000 exemplaren van Also sprach Zarathustra, voor Duitse soldaten in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog.

Tegelijk zou het raar zijn het tot bezieling oproepende taalgebruik helemaal los te willen zien van de even complexe als heftige Duitse geschiedenis waar ze het merg van vormen. Dat is iets anders dan al dat werk in één klap te veroordelen als oorlogszuchtig of als uiting van dubieuze politieke sentimenten. Zo verwelkomde Hölderlin als republikein met zijn later beroemd geworden klasgenoten Hegel en Schelling juist de Franse Revolutie en de vrijheid. En in zijn bekendste boek, de roman Hyperion (1797-1799), stort de hoofdpersoon zich weliswaar enthousiast in de Griekse vrijheidsstrijd, maar wordt dat helemaal niks. Geen kogels en zwaarden, maar zuchten en tranen. De romantiek grossiert nu eenmaal liever in antihelden dan in Schwarzeneggers.

In het perspectief van Safranski gaat het in Hyperion niet om wissewasjes. De briefroman rekent af met het bekrompen denken van zijn tijd en wil een hartstochtelijk pleidooi zijn voor geest, liefde en een heroïsch, goddelijk gevoel. Safranski probeert in zijn uitstekend vertaalde biografie, zo laat hij al op de eerste bladzijde weten, in Hölderlins leven en werk naar dat goddelijke vuur te zoeken. Waar komt het vandaan?

Allereerst van zijn religieuze achtergrond, denk ik. Tot aan het moment dat Hölderlin zijn verstand verliest, rond zijn 35ste, probeert zijn moeder hem vergeefs een leven als dominee op te dringen. Maar zijn roeping ligt in de dichtkunst. Daarom houdt ze het erfdeel van zijn vroeggestorven vader achter, wat hem er telkens toe dwingt als huisleraar aan de kost te komen. Als dichter zal hij vervolgens het diepreligieuze gevoel van zijn piëtistische achtergrond inhoud geven door het op het oude Griekenland te projecteren.

‘In de arm van de goden groeide ik op’, dichtte hij later, maar naast de religieuze vervoering uit zijn jeugd onderging hij ook een wereldser invloed, die van de Franse Revolutie. In zijn studietijd gonsde het overal van politiek enthousiasme en vrijheidsdrang. En wanneer later, in reactie op de Franse bezetting, een Duits nationalisme begint op te bloeien, wordt dat verheven vrijheidsgevoel er bepaald niet minder op.

Hölderlins moeder probeert hem vergeefs een leven als dominee op te dringen, tot hij zijn verstand verliest

Daar komt het opwindende filosofische klimaat van het Duitse idealisme nog bij. Safranski is op zijn best wanneer hij de filosofie van Kant en Fichte en het denken van Schiller met de literatuur weet te verbinden. De filosofische rol van de verbeeldingskracht en de kunst, de nieuwe betekenis van het subject en het onstuimige Ik bij Fichte paart hij overtuigend aan het proza en de gedichten van Hölderlin.

De religieuze, politieke en filosofische opgewondenheid werd door Hölderlin uiteindelijk vertaald in een van de aardse werkelijkheid losgezongen poëzie. Zelfs de op dit vlak niet vrijuit gaande Schiller had hem al eens gemaand wat op de rem te trappen toen hij zijn Diotima een ‘gelukzalig wezen’ noemde: ‘Heerlijke, door wie mijn geest,/ Van de levensangst genezen,/ een godenjeugd beleeft!’ Toch is het goed dat Safranski zo in Hölderlins werk opgaat en zijn uitnodiging aanneemt bij de regel ‘Kom! In het opene, vriend!’ die de oorspronkelijke, Duitse titel van zijn biografie werd. Zijn bespreking van Hölderlins beroemde gedicht ‘Brot und Wein’ is meeslepend.

Maar de gevierde biograaf heeft in dit boek weinig oog voor de consequenties van de literaire, filosofische en politieke vervoering uit de romantiek waar denkers als Isaiah Berlin op wezen, van de revolutionaire geest die via Hegel en Marx zo’n invloed op de negentiende en twintigste eeuw zou krijgen. Misschien omdat hij zich er in zijn Romantik: Ein deutscher Affäre (2007) al van had gedistantieerd. In plaats daarvan zien we hoe braaf en terughoudend hij zich aan Hölderlins leven wijdt, het werk samenvattend, mild commentaar gevend en, net als in de meeste van zijn andere biografieën, zonder veel aandacht voor psychologie en de rake anekdote.

De heimelijke verhouding met de vrouw des huizes in het bankiersgezin Gottard volgt uitsluitend het geëxalteerde perspectief van de dichter, zij komt zelf niet aan het woord. En het relaas van Hölderlins fascinerende voettocht naar Bordeaux, waar hij huisleraar werd maar na een paar maanden onverwachts vertrok om via Parijs weer in verwarde toestand naar Duitsland terug te keren, kan zijn belangstelling nauwelijks wekken.

Wat was er in Frankrijk gebeurd? Het sterfbed van Suzette Gottard kan het niet zijn geweest, laat Safranski zien, want dan was hij niet eerst langs Parijs gegaan. Werd hij onderweg bedrogen, beroofd, aangerand? En wat is de diagnose van Hölderlins waanzin? Voor een biograaf is pudeur geen gereedschap maar een valstrik.

Misschien heeft het verblijf in de kliniek van dokter Autenrieth de vermoedelijk schizofrene Hölderlin een beslissende duw gegeven. De behandeling bestond uit eenzame opsluiting, vingerhoedskruid, ‘Autenrieths martelzalf’ (een wijnbraaksteen bevattend middel dat zweren op het kaal geschoren hoofd veroorzaakte), een strak gezichtsmasker om huilen te beletten en laxeermiddelen waarmee, aldus een tijdgenoot, ‘Autenrieth er tegelijkertijd de poëzie & krankzinnigheid uit wil werken’.

Gelukkig nam de meubelmaker Ernst Zimmer, een bewonderaar van Hyperion, de arme dichter ten slotte in huis op. Daar, in de beroemd geworden torenkamer met uitzicht op de Neckar, bracht hij de laatste 36 jaar van zijn leven door, schrijvend, pianospelend en onder begeleiding wandelend door de omgeving. Zijn poëzie werd pas begin vorige eeuw in kringen rond Stefan George weer bewonderd, vervolgens door de generatie van 1968 van nieuw elan voorzien en kwam centraal te staan in het late werk van Heidegger.

Hölderlin is een klassieke schrijver. Maar wordt hij nog gelezen? Wie het niet lukt om contact te krijgen met de bezieling van deze verheven gedichten, zou Ode an die Freude van de ook in 1770 geboren Beethoven nog eens kunnen beluisteren, op even bevlogen woorden van Schiller. Woorden en muziek vormen het Europese volkslied en moeten met eenzelfde geladenheid als Hölderlin voor ogen stond het nieuwe Europa schragen, zonder de massa’s tot wat voor geweld dan ook op te zwepen. Die ambitie, of het falen ervan, heeft iets pijnlijks actueels.