Een klein dorp

In het Startblok Riekerhaven wonen studenten, starters en statushouders naast elkaar. 280 jonge vluchtelingen met een verblijfsvergunning delen het tijdelijke complex met een andere probleemgroep op de Amsterdamse woningmarkt: jongeren die op zoek zijn naar een betaalbare woning.

Medium abdullah

Het karton van een Zweedse meubelgigant ligt verstrooid over de voormalige sportvelden van het Riekerhavencomplex. De twee afvalcontainers zijn niet berekend op de honderden nieuwe bewoners die hun nieuwe containerwoningen aan het inrichten zijn. Een groepje jonge Eritrese jongeren zit buiten bij elkaar, rustig kijkend naar leeftijdgenoten die af en aan fietsen. Verderop staan de plaszuilen nog van een dancefestival dat hier werd georganiseerd, net buiten de ring van Amsterdam. 560 Jongeren vinden in deze hergebruikte witte containerwoningen hun nieuwe Amsterdamse thuis.

‘Het is hier zoveel beter, dit is mijn thuis.’ Abdallah Zakrat zit op een geïmproviseerde bank van pallets terwijl een vriend van hem de wegwerpbarbecue aansteekt. Jaren geleden vertrok hij uit Aleppo naar Libanon en Egypte om daar aan de universiteit te studeren. Door de oorlog kon hij niet meer terug en hij besloot naar Europa te komen. Na drie maanden in Nederland kreeg hij zijn verblijfsvergunning. ‘Toen moest ik nog zes maanden in een asielzoekerscentrum wachten op een woning’, vertelt hij. ‘Daar deelde ik met vijf of zes man een kleine kamer.’ Hier heeft hij zijn eigen studio. Hij glimacht en wijst naar het grote grasveld waar vroeger werd gevoetbald: ‘We gaan daar een welkomstfestival voor de bewoners en de buurt organiseren.’

In het Startblok Riekerhaven wonen studenten, starters en statushouders naast elkaar. 280 Jonge vluchtelingen met een verblijfsvergunning delen het tijdelijke complex met een andere probleemgroep op de Amsterdamse woningmarkt: jongeren die op zoek zijn naar een betaalbare woning. Zij krijgen jongerencontracten van maximaal vijf jaar.

Het is de uitwerking van het gemeentelijke beleid ‘Iedere statushouder een Amsterdamse buurman’. Jongeren – vluchteling of niet – zijn bezig met het opbouwen van een nieuw leven en kunnen elkaar daarbij helpen. Integratie gaat beter als je voor kleine dingen even bij je buurman kunt aanbellen.

Om die interactie tussen een veelvormige groep jongeren aan te moedigen is het Startblok een project met zelfbeheer. Een beheerteam van jongeren organiseert evenementen en stuurt de verschillende teams in het project aan. De jongeren zijn zelf verantwoordelijk voor hun eigen omgeving; die verantwoordelijkheid geeft ook de vrijheid om zelf te bepalen wat voor plek het Startblok gaat worden.

In de periode van 2016 tot en met 2018 moet Amsterdam 2400 statushouders huisvesten. Dit complex vormt een klein dorp waarin in één keer meer dan tien procent van deze groep een woning vindt. De gemeente wil dat er voor de zomer van 2017 nog duizend woningen voor jonge statushouders, studenten en starters worden gebouwd en verbouwd, waarbij de ervaringen op het Startblok leidraad zijn.

‘Ik word constant gebeld door een vriendin die heel eenzaam is.’ Nahom Berhane vluchtte vorig jaar uit Eritrea via Italië naar Nederland. ‘Ik ben blij dat ik hier woon met andere jonge mensen. Die vriendin zit in een klein dorpje aan de Belgische grens, waar alleen mensen wonen die van rust houden. Ik zie dan dat ik echt geluk heb gehad.’ Nahom begint in september aan een schakeljaar om goed Nederlands te leren, waarna hij een studie kan doen. Hij grijnst: ‘In Eritrea heb ik geologie gestudeerd, maar jullie hebben niet zo veel bergen hier. Ik denk dat het daarom psychologie wordt.’

In de krappe Amsterdamse huurmarkt is het vechten om een vaak kleine en dure woning. Voor de 280 plekken voor studenten en starters waren dan ook 1100 inschrijvingen. Grote containercomplexen zoals het Startblok zijn voor studenten geen noviteit, maar voor starters nog wel. Het probleem met de verhuur aan studenten was dat zij met campuscontracten hun huis moesten verlaten wanneer zij afstudeerden, terwijl de behoefte aan betaalbare huisvesting onder afgestudeerde starters minstens zo groot is. Met het nieuwe jongerencontract worden studenten en starters daarom als één doelgroep gezien. Vanaf 1 juli werd het legaal voor corporaties om jongeren contracten voor maximaal vijf jaar te geven, zodat de doorstroom groter wordt. Zo komen er sneller woningen voor jongeren vrij, maar tegelijkertijd betekent dit het einde van het vaste huurcontract voor jongeren die sociaal huren.

De corporaties zelf zijn enthousiast en gaan er vanuit dat vijf jaar voor jongeren een lange tijd is. Woningcorporatie De Key wil zich de komende tijd vrijwel volledig richten op de doelgroep van jongeren, en ook bij andere corporaties gaat het jongerencontract op grotere schaal zijn entree maken.

Op een zonnige zaterdagmiddag heeft Nahom met vier achtergelaten winkelwagens als doelpalen een voetbalveld geïmproviseerd. Vanuit de studio’s kunnen bewoners de voetballende jongens op het grasveld tussen de woonblokken zien. ‘Het is net een stadion eigenlijk!’ roept een van de spelers. In een mengelmoes van Engels, Nederlands, Arabisch en Tigrinya maken bewoners teams voor een voetbaltoernooi. Twee teams spelen tegen elkaar, totdat door toegestroomde nieuwe spelers opnieuw teams moeten worden gemaakt. Dit is zelforganisatie in actie: iedereen is een beetje scheidsrechter en de structuur van het toernooi gaat ten onder aan het enthousiasme van toestromende bewoners, maar daar is niemand rouwig om. Dan maar penalty’s. Nahom deelt oranje voetbalshirts van de Wereldvluchtelingendag uit aan de winnaars.

Op het voetbalveld is de taalbarrière het kleinst. Een bal en twee goals hebben weinig uitleg nodig. Als er toch iets verduidelijkt moet worden doet Nahom dat in het Engels en het Tigrinya, een Syrische jongen helpt met Arabisch. ‘Vanaf dag één in Nederland ben ik aan het vertalen’, vertelt Nahom. Hij kijkt graag naar de toekomst en wil liever niet praten over zijn vluchtverhaal. Dat is niet alleen omdat vluchten zwaar was, maar waarschijnlijk ook omdat volgens sommigen de Eritrese overheid vluchtelingen nog altijd in de gaten houdt. Veel Eritreeërs zijn gevlucht voor de nietsontziende militaire dienstplicht van het regime, die in de praktijk vele jaren of zelfs een leven lang duurt. Kritiek op de overheid kan hun familie in Eritrea nog altijd op sancties komen te staan.

Een open en gezellig dorpje. Of juist een vesting met anonieme kamertjes. De witte muren van de containers roepen, afhankelijk van het weer, verschillende sferen op. Het complex bestaat voor het grootste gedeelte uit zelfstandige studio’s met een eigen keukenblok en badkamertje. Er zijn gemeenschappelijke ruimtes, sportvelden en een voormalig clubhuis dat nu het kantoor voor het zelfbeheer is.

Het zelfbeheer van bewoners neemt taken over die normaal door de woningcorporatie worden uitgevoerd. Zo is er het klusteam dat zelf klein onderhoud uitvoert zodat er niet snel een dure specialist hoeft te komen. Ook zijn er, afgekeken van Amerikaanse campussen, voor alle 25 gangen twee ‘gangmakers’, een statushouder én een student. Dat zijn bewoners die in ruil voor een huurkorting meer verantwoordelijkheid hebben. Ze kloppen aan bij mensen die hun gezicht al een tijdje niet hebben laten zien en zorgen ervoor dat het op de gang gezellig wordt en blijft.

‘Building a future together’ is de ondertitel van het manifest dat alle bewoners hebben ondertekend. Die toekomst heeft wel iets paradoxaals. Met het zelfbeheer kunnen de bewoners hun eigen omgeving opbouwen, terwijl door het tijdelijke contract al vanaf dag één een einde in zicht is. De meeste bewoners hopen een opleiding, een taal of een set vaardigheden te verkrijgen. Ze beloven elkaar te leren kennen, te helpen, het terrein goed te beheren en over vijf jaar klaar te zijn ‘om een volgende stap te maken’. In theorie is het een zichzelf opheffende community: hoe succesvoller het complex wordt als springplank naar de buitenwereld, hoe sneller de doorstroom van bewoners.

Nahom en Abdullah gaan studeren en spreken goed Engels. Het is verleidelijk om in de bewoners van het Startblok een groep jonge, ambitieuze en vooral enthousiaste mensen te zien die in eigen beheer aan hun toekomst gaan werken. Vorig jaar werd wethouder Kasja Ollongren in het Financieel Dagblad zelfs gepresenteerd als de D66-bestuurder die de vluchtelingenstroom wilde gebruiken om het startup-klimaat te versterken. Ze kwam met het voorbeeld van Tel Aviv, de stad die veel profiteerde van hoogopgeleide sovjetvluchtelingen. En ook bewoners zijn bezig met de vraag wie nou die jonge vluchteling is. Bewoner en student Tammie Schoots vertelt wat ze ook tegen haar bezorgde grootouders heeft gezegd: ‘De Syrische statushouders zijn zulke westerse mensen. Dat was echt een verrassing voor mij. In de media wordt een soort beeld geschetst alsof ze de sharia willen invoeren.’ Maar de hipster-Syriërs die op het complex rondlopen hebben hun baarden niet om religieuze redenen.

‘Het is een beetje alsof je een nieuw bedrijf opstart’, is de quote waarmee vluchteling Mohammed op de website van de gemeente Amsterdam pronkt. Toch doet die uitspraak recht aan de complexe realiteit die het opbouwen van een nieuw leven met zich meebrengt. En lang niet alle jonge vluchtelingen vallen in de categorie hip en hoogopgeleid. ‘Ook veel Syriërs hebben taalproblemen’, vertelt Hussein, een vriend van Abdullah. ‘Ik denk dat de helft moeite met Engels heeft.’ Maar degenen die het wél spreken zijn natuurlijk zichtbaarder. Het is een tendens die voor het hele project geldt: de ambitieuze mensen komen vanzelf bovendrijven en nemen plaats in het zelfbeheer. Maar in de praktijk wonen op het Startblok analfabeten en afgestudeerden van de universiteit naast elkaar.

Ook Nahom benadrukt dat hij een uitzondering is: ‘Ik was een van de weinigen die het geluk had om naar school te gaan. De meeste andere Eritrese statushouders spreken amper Engels.’ Maar, zegt hij ook, doordat veel mensen bij elkaar wonen op het project kan hij veel Eritreeërs helpen. Hij en andere vertalers vormen de spil tussen Eritreeërs en de rest van de bewoners. Hij kijkt op zijn telefoon. ‘Sorry, een vriendin van me is nu op zoek naar de woning die ze van de gemeente heeft gekregen, maar ze weet niet hoe ze er moet komen. Ik moet haar even de route sturen.’ Hij is nog geen minuut bezig en vervolgt: ‘We zijn ook bezig om iedereen uit te leggen hoe ze digitaal zaken kunnen regelen.’

Wanneer is het volgende toernooi?’ Uitgeputte voetballers wisselen gegevens uit en voegen elkaar toe op Facebook. Degenen die nog niet in de bewonersgroep zaten krijgen een uitnodiging. De studio’s worden via een tweede gemeenschappelijke ruimte aan elkaar verbonden: sociale media. Daar bespreken de bewoners problemen, kondigen ze feestjes aan, geven ze spullen weg en houden ze elkaar op de hoogte.

In die online wereld worden ook de matches gemaakt voor het maatjesproject waarin bewoners met een gemeenschappelijk doel aan elkaar worden gekoppeld. Als ze bijvoorbeeld allebei dezelfde studie willen doen, een taal willen leren of een muziekinstrument willen leren spelen, zoekt het zelfbeheer coaches die hen daarmee kunnen helpen. Het idee is dat bewoners van elkaar leren en samen naar een doel toe werken. ‘Het is een mooi initiatief omdat het uitgaat van gelijkwaardigheid.’ Bewoner Nadine Froughi heeft zich ingeschreven om aan een statushouder te worden gekoppeld. ‘Het is niet de bedoeling dat het een soort paternalistische training wordt, zo van: hier is een Nederlander, hij gaat je wel even laten zien hoe de wereld in elkaar zit.’

In de drie maanden – een fractie van de vijf jaar die bewoners kunnen blijven – is er in korte tijd veel vooruitgang geboekt. Ongeveer honderd statushouders zijn aan een opleidingstraject of baan geholpen, nog vijftig worden nu begeleid naar een baan of een opleiding door het Entree Amsterdam-team van de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente. ‘In het begin investeren we zes weken heel veel in ze, zodat ze snel op weg kunnen’, vertelt Monique Pelinkhof, projectleider statushouders bij de gemeente Amsterdam. ‘Jonge statushouders zijn een groep die voorheen nog wel eens in de wachtkamer werd geplaatst, met de gedachte dat ze eerst maar eens de taal moeten leren voor ze kunnen werken of studeren. Dat is nu helemaal anders, we combineren inburgering zo veel mogelijk met werk en opleiding.’

Een groep Eritrese meisjes wordt opgehaald van het Startblok voor een eerste training. Elisabeth Tuijthof, hoofd van Entree Amsterdam, kijkt toe. ‘De meesten willen dolgraag werk of een studie oppakken, maar ze missen een netwerk waarin iemand hen uitlegt hoe het hier werkt. We gaan ze vandaag ook leren fietsen. Wij proberen de rol over te nemen die een ouder of een oom of tante bij anderen heeft. Maar ze moeten het wel zelf doen.’ Het is dezelfde aanpak die Amsterdam vrij succesvol toepast voor jeugdwerkloosheid, met persoonlijke begeleiding naar een baan of studie. ‘Ik zeg altijd, als je met Google Maps Amsterdam weet te vinden vanuit Syrië of Eritrea, dan ben je een doorzetter. Die mensen wil je hebben.’

Het is spannend of het gaat lukken om de komende vijf jaar een community te bouwen en in stand te houden. Er worden langzaam meer vaste evenementen zoals taaluitwisselingen georganiseerd en er wordt nog druk gezocht naar coaches voor het maatjesproject. Ook interessant is de vraag of de voertaal tussen bewoners van Engels overgaat naar Nederlands. Abdallah gaat aan de Vrije Universiteit aan een schakeljaar beginnen zodat hij daarna een master kan doen. Hij wil graag snel Nederlands leren, ook al is de noodzaak daarvan in de grote steden een stuk minder urgent. Hij lacht: ‘Ik was laatst in een koffietentje in het centrum en deed goed mijn best om in het Nederlands twee koffie te bestellen. Vervolgens zegt de ober: “Sorry, I don’t speak Dutch.” Ik dacht: fuck! Waarom spreek je geen Nederlands?’


Beeld: Startblok Riekershaven (www.startblok.amsterdam.nl