Een klein en miezerig mens

We waren in Gent en hadden, binnen het bestek van de dagen die we hadden, alle tijd van de wereld. De uren vloeiden naadloos in elkaar over, er was geen deadline of afspraak om de gebruikelijke winkelhaak in het geheel te maken, dit was smooth sailing van ontbijt naar trappistenbier en vol-au-vent.

Helaas zijn er gemoedstoestanden die zich weinig gelegen laten liggen aan dit soort vredig consumentisme. Zo kon het dus gebeuren dat ik in de rij voor een treinkaartje, zonder dat er een te halen trein op het spel stond, bijna uit mijn vel knapte van ongeduld. Er waren twee rijen voor drie loketten, daar begon het al mee, niet gewoon voor ieder loket een rij of één rij voor alle loketten samen. Voor mij stonden twee Japanse meisjes die zenuwachtig heen en weer liepen tussen de rij en het scherm met vertrekkende treinen. Er was geen enkele beweging voorwaarts.

De drie mannen van middelbare leeftijd die aan de beurt waren hingen over de balie heen alsof het de toog van de laatste kroeg op aarde was. Met afgrijzen keek ik naar de kalmte waarmee de madam achter ons loket een uiteenzetting gaf over tarieven en aankomsttijden, overstaptijden, reductie, afspanrichting, rempercentage. Haar compleet inwisselbare expertise was tergend en haar vlassig blonde haren met centimeters donkere uitgroei hadden iets hulpeloos, alsof ze niet kon opboksen tegen haar eigen natuur. De gretigheid waarmee de man haar, op zijn beurt, vragen bleef stellen, zich lavend aan het warme bad van haar aandacht, maakte dat ik hem wilde rammen met mijn rugzak. Ze allebei wilde rammen in één zwiepende beweging.

Deze en gemenere gedachten maakten zich van mij meester, daar in die rij, en een weeïg gevoel verspreidde zich door mijn onderbuik. ‘Ze doen het werk dat machines kunnen doen’, siste ik expres net te hard naar mijn vriend, ‘alleen dan honderd keer zo langzaam.’

Plotseling begon de rij naast ons te bewegen. Binnen vijf minuten waren er ineens drie klanten geholpen. Ik moest denken aan de Wet van Den Uyl (Bob, niet Joop), een variatie op Murphy’s ‘anything that can go wrong will go wrong’: de rij waar jij in staat gaat altijd het traagst, en wanneer je wisselt gaat ineens die andere rij het traagst. Een waardeloze wet, omdat hij nergens op slaat maar toch altijd opgaat.

Omdat ik inmiddels oververhit was geraakt (een logische combinatie met onderbuikgevoelens) en indringende blikken uitprobeerde op de loketmadam, alle afketsend tegen haar pantser van ongenaakbaarheid, maande ik mezelf tot rationaliteit. Mindfulness. Vagelijk herinnerde ik me iets dat David Foster Wallace, goeroe van de post-ironische jeugd, had geformuleerd in zijn beroemde speech over water en vissen. Dat je altijd de keuze hebt om geen slaaf van je hoofd te zijn, hoe dof en vervelend de werkelijkheid ook is. Dat je uit je default-setting van frustratie kunt komen door te kiezen voor andere gedachten. Dat je kunt leren om compassie te hebben met je medemens. DFW had naar eigen zeggen momenten van diepe mystiek gekend in tl-verlichte supermarkten en kilometerslange files, en daar in die rij op het Gent-Sint-Pieters overwoog ik het, omdat ik niet zo wilde zijn, zo iemand die wordt gedicteerd door nutteloze irritaties, maar het lukte me niet, ik steeg niet boven mezelf uit, ik bleef een klein en miezerig mens dat zich vastklampt aan het onrecht dat hem wordt aangedaan en een verwrongen genoegen schept uit zijn afkeer van alle dingen in de wereld.

De kamer waar we sliepen in Gent werd afgesloten met houten luiken en was daardoor compleet donker. Ik kan daar niet goed tegen, zoveel donkerte komt me voor als iets onnatuurlijks, alsof de wereld eigenlijk al is vergaan en ik zit opgesloten in een onvernietigbare black box. Toen ik midden in de nacht wakker werd en niet alleen geen hand voor ogen zag, maar in mijn halfslaap ook de nachtblindheid verwarde met een tekort aan zuurstof, raakte ik in paniek. Ik krabde hard in het been van mijn geliefde en verkondigde een keer of tien dat ik stikte. Deze mantra kalmeerde me uiteindelijk, zodat ik naar de gang kon strompelen en een lichtknop vond. Terug in bed, gerustgesteld door de kier licht die nu naar binnen scheen, was er ruimte ontstaan voor meer secundaire angsten. Ik dacht aan de baan die ik uit hang naar nieuwe avonturen had opgezegd, en wat als die nieuwe avonturen zich niet zouden aandienen. Misschien zou ik niets waarmaken, mislukken, berooid raken. Ik had die dure jas niet moeten kopen de dag ervoor. Ik had meer uit het jaar 2013 moeten halen. Ik had van verzekering moeten overstappen. Ik was te lui, te angstig, te neurotisch. Mijn beknotte geest was niet voorbestemd voor een groots en vrij leven. Wie zong ook alweer in godsnaam dat fear a man’s best friend is? Lekkere vriendschap.

Op de laatste dag van het jaar kwamen we weer terug naar Amsterdam. Ik stapte op het nippertje over van verzekering en moest in het proces aanvinken of ik dacht binnen twee jaar zwanger te worden. Ik dacht van niet. Toch adviseerde de website me om een basisdekking voor bevalling en kraamzorg aan te vinken. Even overwoog ik dit advies ter harte te nemen, want stel je voor. Toen schudde ik het allemaal van me af, vinkte ‘geen dekking’ aan en ging angstig en onbeschermd het nieuwe jaar tegemoet.