Een klein Fräuleinwunder

Silke Scheuermann
Omgeven door bliksem
Uit het Duits vertaald door Froukje Slofstra
Cossee, 158 blz., € 18,90

Silke Scheuermann
Die Stunde zwischen Hund und Wolf
Schöffling & Co., 171 blz., € 17,90

In de Duitse literatuur heeft zich de afgelopen jaren een klein Fräuleinwunder voltrokken. Natuurlijk zijn er nog de oude literaire patriarchen als Grass en Walser, maar het gezicht van de Duitstalige letteren wordt mede bepaald door vrouwen van in de dertig. Tot deze relatief jonge schrijfsters behoren Juli Zeh, Judith Hermann, Jana Simon, Eva Menasse, Terézia Mora en Silke Scheuermann.

Deze laatste is het nieuwe jaar goed begonnen met een interessant romandebuut: Die Stunde zwischen Hund und Wolf. Scheuermann had tot nu toe gedichten gepubliceerd, alsmede de verhalenbundel Reiche Mädchen, die vorig jaar in het Nederlands verscheen onder de titel Omgeven door bliksem.

Scheuermanns thema is overduidelijk de relatie tussen mensen, een onderwerp dat ze in haar verhalen op uiteenlopende en soms ontroerende wijze heeft belicht. Ze heeft een verrassend heldere kijk op wat zich allemaal op het intermenselijke vlak kan afspelen. Deze verhalen zijn goed leesbaar en onderhoudend, maar missen de diepgang die wel te vinden is in haar eerste roman.

In Die Stunde zwischen Hund und Wolf onderzoekt Scheuermann, zij het op kleine schaal, de gemoedstoestand van de postmoderne mens. Het resultaat stemt op het eerste gezicht niet vrolijk. De mens van nu is weliswaar voortdurend op zoek naar gezelschap, vriendschap en wellicht zelfs liefde, maar zijn gevoelens zijn vluchtig van aard en tot een duurzame relatie is hij niet in staat.

De personages in deze roman zijn gescheiden, of staan op het punt dat te gaan doen. In Frankfurt, de plaats van handeling, ‘wordt voortdurend verhuisd, mensen gaan bij elkaar wonen en verlaten elkaar weer’. In deze geïndividualiseerde samenleving zijn hechte verbintenissen een zeldzaamheid geworden. Maar van dat komen en gaan lijkt toch niemand echt gelukkig te worden.

In de roman staan twee personages centraal: de ikvertelster en haar vier jaar oudere ‘mooie zus’ Ines. Ze hebben elkaar jaren niet gezien, zijn elkaar ook uit de weg gegaan, vooral omdat de jongste zich altijd de mindere, de verworpene, had gevoeld: ‘Ik wilde zo worden als Ines. Maar Ines had geen belangstelling voor me. Ines was mijn prinses en ik was niets.’

Als ze elkaar in Frankfurt weer tegen het lijf lopen (in een overdekt zwembad), dan is de ikvertelster net teruggekeerd van een langdurig verblijf in Rome, waar ze als freelance correspondente heeft gewerkt. Ines, die naam heeft gemaakt met vrolijke schilderijen, heeft hulp nodig, maar haar jongere zus is niet van plan die te geven. Want deze herinnert zich nog veel te goed hoe Ines mensen placht te misbruiken als het met het schilderen even niet vlotte. ‘Ze klampte zich dan vast aan een ander persoon, a of b of c, dat deed er niet toe, en zoog als een vampier de energie van a of b of c op, totdat deze als een slok water in de bocht hing en Ines weer gezond naar haar schildersezel kon huppelen.’ De ikvertelster is een vrouw met een indringend waarnemingsvermogen, haar ontgaat geen detail, maar verder is ze zonder gevoelens. Of beter gezegd, ook gevoelens of de afwezigheid daarvan worden nauwkeurig waargenomen en nuchter geanalyseerd. Zo ook de geslachtsdaad: ‘Wij keken elkaar aan, ontspannen na deze gemeenschappelijke, succesvol verlopen gebeurtenis, het succes van een efficiënte, beide partijen tevredenstellende collegiale samenwerking, we lachten en hij legde zijn arm om me heen.’

Ook de ellende van haar zus wordt aanvankelijk koel en afstandelijk waargenomen: ‘Ik keek naar Ines, zoals men een insect onder een loep bekijkt.’ Dit keer is het Ines die door het gevoel ik ben niets wordt beheerst, en die dit gevoel tracht te verdrinken in een grote plas alcohol. Langzaam dringt het door dat Ines alcoholist is en werkelijk dringend hulp nodig heeft.

Het bijzondere van deze roman is de wijze waarop Scheuermann het toenaderingsproces tussen de twee zussen verwoordt en gestalte geeft. De hond en de wolf in de titel van de roman symboliseren het verleden en de toekomst. En die toekomst is niet hopeloos. Mensen kunnen hun haat en hun afkeer, maar ook hun eenzaamheid overwinnen. De ikvertelster ontdekt dat geluk mogelijk is op het moment dat ze haar zus weer aanvaardt en in haar gevoelswereld toelaat. Het leven dat we willen leiden, een leven met anderen en met tederheid en geduld, is niet onbereikbaar.

Scheuermann heeft de ontwikkeling die de ikvertelster doormaakt goed en beeldend beschreven. Weliswaar zijn niet alle metaforen even geslaagd, maar de lezer is gaarne bereid dit kleine gebrek te accepteren.