kunst

Een klein mannetje

Lucas van Leyden

Het is pas mei, maar ik geef u op een briefje dat de tentoonstelling Lucas van Leyden en de Renaissance in de Lakenhal te Leiden bij de top-drie van het jaar zal horen. Hier gaat werkelijk alles goed. Het is een gelukkig bijverschijnsel van de verbouwing van het Rijksmuseum Amsterdam dat zulke tentoonstellingen worden gemaakt. Het eigen pand is dicht, maar in de samenwerking met het ‘kleinere’ museum - eerder gebeurde dat bij Cornelis Troost in Twenthe, bijvoorbeeld - worden kunstwerken, expertise en internationale contacten op een interessante manier gebundeld. Lucas’ geschilderde oeuvre is misschien niet buitengewoon groot, met dank aan de Beeldenstorm, maar bijna alle belangrijke stukken zijn er, met bruiklenen van het Louvre, het British Museum en het Metropolitan Museum New York. Het is altijd een plezier om te zien hoe bekende stukken, zoals het Laatste Oordeel van de Lakenhal, het enige Leidse altaarstuk dat bewaard gebleven is, door zo'n reünie met de Dans om het gouden kalf (Rijksmuseum) en Christus geneest de blinde van Jericho (Hermitage) plotseling een nieuw leven krijgen en veel beter worden. Bovendien is het de Leidenaren gelukt om te laten zien dat die schilderijen maar een deel van zijn productie waren. Lucas was vooral beroemd als graveur en tekenaar, maar hij schilderde bijvoorbeeld ook op glas. Het meest plezierige is echter wel dat de Leidse, Hollandse en internationale context van de kunstenaar - die zelden zijn geboortestad verliet - zo mooi wordt neergezet.

Lucas van Leyden leefde niet lang (1494-1533) maar zijn betekenis is groot, met name in die internationale context. Hij was een wonderkind; Carel van Mander schrijft dat hij niemand weet die 'te ghelijcken is by onsen natuerlijck begracyden [begiftigde] Lucas van Leyden, welcken met Pinceel, en Graefijser [graveerstift] in de handt, en met de Schilder en Teycken-const schijnt gheboren is gheweest’. Hij reisde niet - zoals Gossaert en Frans Floris en later Van Scorel en Van Heemskerk - naar Italië, maar je zou kunnen zeggen dat Italië naar hem toe kwam. In die zin is die context van de late vijftiende, vroege zestiende eeuw heel interessant. De wisselwerking tussen 'noord’ en 'zuid’ was heel sterk; de belichaming van de interactie was Albrecht Dürer uit Neurenberg, die de Alpen een aantal malen overstak, en ook naar Vlaanderen reisde. Natuurlijk vonden de Italianen dat hún cultuur de noordelijke verre overtrof, maar ook Vasari erkende dat de noordelijke school groot belang had, in het bijzonder de Vlaamse olieverftechniek en de grote bedrevenheid in de gravure. De belangrijkste Italiaanse graveur, Marc'antonio Raimondi, zou bijvoorbeeld pas echt tot ontwikkeling zijn gekomen toen hij in Venetië werk van Dürer zag; Dürer, op zijn beurt, reisde naar Vlaanderen om daar zijn naaste concurrenten te ontmoeten en werk uit te wisselen. In zijn kas- en dagboekje noteert hij een ontmoeting in 1521 met Lucas, in Antwerpen: 'Meester Lucas, die in koper graveert, heeft mij uitgenodigd; het is een klein mannetje, geboren in Leiden in Holland. Ik heb een hele serie kopergravures van Lucas geruild voor mijn eigen werk ter waarde van 8 gulden.’ Dat was een substantieel bedrag, dat de waarde van die uitwisseling tekent; het blijft opmerkelijk dat Dürer daar zo'n belang aan hechtte, en dat een kunstenaar als Lucas, zonder ooit echt zijn thuisbasis te verlaten, zo'n enorme impact op de Europese cultuur had. Meer dan honderd jaar na zijn dood kocht Rembrandt nog, als een bezetene, prenten van Van Leyden aan. Lucas van Leyden en de Renaissance, Stedelijk Museum de Lakenhal, Leiden, t/m 26 juni. Tegelijkertijd: Joos van Cleve, Leonardo des Nordens, Suermondt-Ludwig Museum, Aken, t/m 26 juni, en Rembrandt en Lucas van Leyden, Rembrandthuis Amsterdam, t/m 19 juni