Winnaar Jan Hanlo Essayprijs Klein

Een kleine biologische banaan

In je hand, tegen je dij, op je borst, in je handtas. De smartphone is onderdeel geworden van wie je bent. Kan dat apparaat dan toch genot kanaliseren? Een fonofilia in twaalf scènes.

Medium janhanlo

1.

‘De Grote Beer!’Hij liet met één hand zijn stuur los en toetste met een vinger in de lucht. ‘Je telefoonnummer lijkt op de Grote Beer!’

Ik had geen idee hoe de Grote Beer eruitzag, maar hé, ik was zestien, het was zaterdagnacht vier uur en de jongen met wie ik naar huis fietste vergeleek m’n telefoonnummer met een sterrenbeeld. Dat was haast hetzelfde als een liefdesgedicht declameren.

Of hij me nog heeft gebeld weet ik niet meer, maar sindsdien herken ik Grote Beer zonder moeite. 1-9-6-4-8.

2.

Het was de tijd dat telefoonnummers nog maar vijf cijfers hadden (in de dorpen om mijn thuisstad heen vier) en je die uit je hoofd leerde, als een mantra. Het fluisterend opzeggen van die getallen leek de jongen dichterbij te brengen, alsof hij op je adem tot leven kwam. Nu ken ik niet eens het telefoonnummer van mijn geliefde uit mijn hoofd. Soms oefen ik erop, voor noodgevallen, ik probeer er net als vroeger een deuntje van te maken. Noodgevallen doen zich echter te zelden voor om het nummer daadwerkelijk te onthouden.

Ik ben niet nostalgisch over telefoonnummers, zelfs niet als ik terugdenk aan de romantiek van praktijken die nooit meer voor zullen komen. Zoals de andere jongen die tientallen bladzijden van het telefoonboek van Culemborg doorploegde op zoek naar mijn nummer. We stonden geregistreerd onder mijn moeders naam, die hij niet kende. Maar mijn adres wist hij wel, dus rij na rij, vloeipapieren bladzij na vloeipapieren bladzij liep hij langs tot hij het vond. En me kon bellen.

Dat was twintig jaar geleden en alles aan die situatie is veranderd. Je zou zeggen, tegenwoordig typ je op telefoonboek.nl het adres in en met een klik verschijnt het bijbehorende nummer. Maar wie gebruikt telefoonboek.nl? Wie heeft een vaste lijn die daarop vermeld wordt? Wie heeft überhaupt een vaste lijn?

En waarom zoek je eigenlijk naar een telefoonnummer? Wat opdringerig om een meisje zomaar te bellen, je kunt toch Facebook-vrienden worden en gewoon gaan chatten?

3.

De ander is zo dichtbij, een paar clicks en je hebt ’m, dat het spel van verlangen en verleiden verloren gaat. Althans, dat beweren de filosofen. De Koreaans-Duitse denker Byung-Chul Han beschrijft onze tijd als gekenmerkt door constante beschikbaarheid van alles en iedereen: ‘Het rechtstreekse genot dat geen omwegen wil via verbeelding en verhalen, is pornografisch.’ Een jongen die in de sterrennacht de Grote Beer volgt met zijn vingers, om zo je telefoonnummer te onthouden – dat is je ware. Chatten op Facebook, onderwijl door honderden foto’s scrollend – degeneratie. Ja, begeren in tijden van Facebook kan gauw de trekken van een obsessie aannemen, die door de onophoudelijke voeding zomaar kan omslaan in verveling.

Er is geen zoektocht meer, geen angst dat de ander niet weet wie je bent, geen gemis, geen afwezigheid. Die ander is altijd onder handbereik, vanuit alle perspectieven te bekijken – je kunt de artikelen lezen die hij leest, de muziek luisteren die hij luistert, de mensen leren kennen die hij kent. De afstand tot het object van je verlangen is nooit zo klein geweest, maar juist daardoor gaan echte liefde en lust verloren. Eva Illouz beschrijft in haar sociologie van de liefde Warum Liebe weh tut de gevoelens die een Facebook-chat oproept als fictief, omdat er nooit een ‘echte’ ontmoeting heeft plaatsgevonden. Sterker, het is een ‘virtuele aanwezigheid’ die fantasmagorisch blijft.

Voor zoiets als ‘echte liefde’ is juist afstand nodig, zegt Byung-Chul Han, iets wat je niet kunt vatten, niet kunt zien, iets waardoor je ervaart wat die ander is, namelijk: een ander. ‘Niet het genot in real time, maar juist het uitstel, het fantasierijke voor- en naspel verdiept de lust’, aldus Han. De fantasie is echter verloren aan het gaan. Vooral de beeldcultuur is hier schuldig aan. Al die foto’s, emoticons en filmpjes, ze zijn in your face, digitaal geproduceerd, en daarom letterlijk ‘zonder negatief’. Dit genre, schrijft Han, is er to like, niet to love.

4.

Maar is het tekenen van de Grote Beer in de nachtlucht niet een ultiem beeld, juist niet te vergelijken met een liefdesgedicht: woordeloos, geladen, licht en donker? En is het onderscheid tussen echt en virtueel nog houdbaar? Medium en werkelijkheid zijn zo vergaand vermengd op alle niveaus – dat van taal, beeld, zintuigen – dat het scheiden van de twee juist een fictie is.

De wereld heeft zich herschikt, zou de hoofdpersoon uit Ben Lerners roman 10:04 zeggen. De stad is voor hem al jaren doordrenkt met een extra betekenislaag die zijn oorsprong vindt in zijn smartphone. ‘As I read I experienced what was becoming a familiar sensation as the world was rearranging itself around me while I processed words from a liquid-crystal display’, stelt hij laconiek. Berichten van liefde, lijden, leven en dood, komen tot je via dat oplichtende scherm maar zijn daardoor niet minder ‘echt’ dan ontmoetingen los van zo’n device.

Ja, hij is als een dier dat je aait, dat je voedt, een elektrisch dier dat je om en om wentelt in je hand, alleen om de contouren ervan te voelen

Het zijn bovendien berichten die je leest, eerst en vooral, want bellen – wie doet dat tegenwoordig nog? Zo wordt de wereld eens te meer opgebouwd uit taal, eerder nog dan uit beelden. Geldt dat ook voor liefde? Of zijn we echt overgeleverd aan Tinder, de app die lust op het eerste gezicht propageert door potentiële dates (vrijwel) alleen door foto’s te presenteren?

5.

Een paar jaar geleden bracht ik een zomer door met mijn iPhone, die via verschillende media het object van mijn verlangen tot me bracht. Waar ik me bevond was onbelangrijk, mijn iPhone zat vastgekleefd aan mijn hand, ook al stak ik de landsgrenzen over. Met J. wisselde ik in steeds hoger tempo berichten uit op Twitter, Last.fm – een site waarop je kunt bijhouden welke muziek je luistert – Facebook, via sms, Whatsapp en, maandenlang, via digitaal scrabblespel Wordfeud.

Hoe begint zoiets? Nou, je volgt elkaar al jaren op Twitter, leest elkaars leven mee. Op een grappige opmerking volgt een privé-bericht, je antwoordt ad rem, zoekt elkaar op via Google, je leest je in zogezegd, bedoeld om een nieuw bericht uit te lokken, ze worden korter in plaats van langer, en binnen een paar weken ontstaat er een bouwsel van idiomatische woorden, zinnen, toespelingen, uitgeschreven zuchten, puntjes… Zouden filosofen zoals Han en Illouz wel eens zo’n door en door gemedialiseerde liefde hebben meegemaakt?

6.

Ik ben nooit een goede beller geweest. Een jongen opbellen? Vergeet het maar. Gelukkig is de smartphone een handcomputer die toevallig ook nog eens kan bellen. Chatten is belangrijker, of het nu via Whatsapp, Facebook of Twitter is. In de beeldcultuur wordt meer geschreven dan ooit tevoren.

De telefoon blijft het knooppunt dat liefde mogelijk maakt. Hij kan zelfs de personificatie van de geliefde worden, met alle pijn die daarbij hoort. De vaste telefoon leek soms een vijandelijke entiteit, als hij maar niet belde terwijl een jongen toch jouw nummer had vergeleken met de Grote Beer. Dat logge toestel dat je deelde met je familie of met je studentenhuis stond in een koude gang, het snoer altijd net te kort. Je klemde de hoorn, welbeschouwd van een potsierlijk formaat, tegen je oor, maar hoe harder je drukte, hoe groter de afstand tot hem leek te worden.

In zijn toneelstuk La voix humaine uit 1930 verhaalt Jean Cocteau van een vrouw die een break-up call krijgt: aan de andere kant van de lijn beëindigt een man hun verhouding. Ik associeerde dat altijd met de mobiel. Die maakt de vernedering van deze manier van het uitmaken nog een graad erger, door de mogelijkheid het te doen met alleen een berichtje. Maar voor de vrouw op het toneel is de afstand van een belletje vernederend genoeg. Ze verlangt naar een fysieke ontmoeting: ‘Vroeger zag je elkaar (…) Eén blik kon alles weer goed maken, maar weg is weg met dit apparaat.’ Langzaam windt ze het telefoonsnoer om haar nek.

7.

Maar de telefoon bracht ook altijd al genot. Dezso Kosztolányi, de Hongaarse interbellum-schrijver, beschrijft het ochtendritueel van zijn meesterlijke personage Kornél Esti: ‘In de late ochtend, als hij wakker werd, liet Esti graag de telefoon naar zijn bed brengen. Hij liet het apparaat naast zijn kussen zetten, onder het warme dekbed, als een kat. Hij hield van dit elektrische dier.’

Het elektrische dier in bed bij Esti is natuurlijk een vaste telefoon. De smartphone heeft het nog veel meer in zich om een geliefde te worden; hij is altijd bij je, hij ligt op het kussen naast je in bed, hij vlijt zich in je broekzak net naast je schaamstreek, klaar om te trillen, hij is als een kind waar je een zesde zintuig voor ontwikkelt, je houdt hem uit je ooghoek in de gaten en als hij even uit zicht is, loop je de vaste plekken af om hem snel weer terug te vinden. Ja, hij is als een dier dat je aait, dat je voedt, een elektrisch dier dat je om en om wentelt in je hand, alleen om de contouren ervan te voelen, de mogelijkheden die erin besloten liggen.

8.

In de film Her van Spike Jonze wordt de telefonische liefde tot een hoogtepunt gebracht. Theodore ontwikkelt een waarachtige liefdesrelatie met zijn operating system Samantha. Het is geen dystopische film (in elk geval niet in mijn ogen) – hij laat juist zien dat liefde voor een programma dat alle kenmerken vertoont van een menselijk wezen, behalve lichamelijkheid, ook menselijke liefde is. Wie zou Theodore’s gevoelens fictief durven noemen? En de relatie met Samantha slechts een ‘virtuele aanwezigheid’? Her toont programmatische liefde, zou ik haast willen zeggen.

De eerste keer dat ik meemaakte dat mijn mobiele telefoon het substituut werd voor een geliefde, of beter gezegd: het centrifugale punt van mijn verlangen, was met K. Ik ontmoette hem op een feestje, bleef bij hem slapen in zijn appartement midden in de stad en was de dagen nadien doodsbenauwd dat ik hem onvoorbereid tegen zou komen, of erger nog, nooit meer zou zien. Zijn telefoonnummer had ik niet; sociale media lagen nog te ontkiemen op een web waarop je moest inbellen. Na een paar dagen levend in negatief, om Byung-Chul Han te parafraseren, schreef ik een briefje. ‘Ik ben doodsbenauwd dat ik je onvoorbereid tegen zal komen, of erger nog, nooit meer zal zien.’ Ondertekend met mijn 06-nummer gooide ik het door zijn brievenbus, waarna ik wachtte op bericht.

Het mobieltje dat ik toen had, acht jaar voor mijn door de iPhone gedreven lustzomer, had een twee-kleurenscherm en geheugen genoeg voor vijf sms’jes. Een paar van de berichten die K. stuurde typte ik over in een tekstbestandje dat in de loop van de jaren is verdwenen in het drijfzand van m’n harde schijf. De woorden kan ik me niet meer herinneren, hoewel de taal alles was wat we hadden. Het draaide vooral om interpunctie, het verschil tussen één, twee en drie punten. K. leerde me begeren in 160 tekens. We zagen elkaar na die nacht hooguit nog twee, drie keer, maar dat maakte niet uit. Mijn telefoon wás K. Ik hield van het elektrische dier.

9.

Ben ik ook een pathetisch geval als ik mijn telefoon omschrijf als het substituut van mijn geliefde? Ik vind van niet

Zeuren over nieuwe technologie is van alle tijden. Al in 1900 schreef Louis Couperus bij monde van Eva in De stille kracht hoe de telefoon alle gezelligheid doodde. ‘Men zag elkaar niet meer, men hoefde zich niet meer te kleden en het rijtuig – de wagen – te laten inspannen, want men causeerde door de telefoon, in sarong en kabaai, in nachtbroek en kabaai, en zonder zich bijna te bewegen.’

De nieuwe technologie pakt steeds een snipper menselijkheid van ons af, tot er niets meer overblijft. We hoeven ons zelfs niet meer aan te kleden – zie de beschaving afkalven! Een ander, tragischer voorbeeld is Nathaniel uit Der Sandmann van E.T.A. Hoffmann (uit 1816, bijna tweehonderd jaar oud dus). Hij wordt verliefd op Olimpia, die hij alleen van grote afstand ziet. Als Nathaniel erachter komt dat zijn obsessieve liefde een robot geldt, stort hij vanaf een toren ter aarde. Dood.

In deze verhalen maakt de techniek die te veel menselijke trekken krijgt dat we zelf minder mens worden. Maar wat als Nathaniel eerder met Olimpia had geprobeerd te praten? Zou hij dan niet een oprechte liefde voor haar kunnen blijven voelen? Is het niet het dichtgooien van de grenzen tussen techniek en mens, tussen afstand en nabijheid, tussen de dood en de liefde wat Nathaniel uiteindelijk ten val brengt? Wie Her heeft gezien, moet toegeven dat die grenzen poreuzer zijn dan gedacht. Ook met die liefde loopt het trouwens slecht af. Verleiden en verlangen: slechts in een klein deel van de gevallen hebben zij een gelukkig einde. Met techniek heeft dat weinig te maken.

10.

Ben ik ook een pathetisch geval als ik mijn telefoon omschrijf als het substituut van mijn geliefde? Ik vind van niet. Techniek is altijd onlosmakelijk verbonden geweest met de mens en menselijke relaties. Dat wil niet zeggen dat dat altijd een vooruitgang betekent. Er gebeurt iets in de verhouding van de dingen waardoor de wereld zich herschikt, zoals Ben Lerner zegt. Het apparaat in je hand, tegen je dij, op je borst, in je handtas is een integraal onderdeel van wie je bent. Ja, het is een machine, een robot, maar ‘it is still deeply part of a network of blood; an embodied, intimate, fleshy portal that penetrates into one’s mind, into endless information, into other people’, zoals de socioloog Nathan Jurgenson schrijft.

Belichaamd, intiem, fleshy: kan de smartphone dan toch genot kanaliseren, fonofilia doen opbloeien? Kan niet juist de taligheid van mobiele communicatie, de voortdurende oefening in het gebruik van het geschreven woord, de redding zijn van het spel der verleiding? Penetrating into one’s mind, into eindeloze informatie en andere mensen: mijn zomer van iPhone-begeren deed me inzien dat real-time genot wél het to like kan overstijgen. Was het met K. een potje dammen, met J. werd dat een spel met de complexiteit van schaken. De overgang van sms naar Twitter, dat is van 160 naar 140 tekens, van betaald naar gratis, van vijf berichten per keer naar vijftig. We speelden Wordfeud alsof ons leven ervan afhing – woord na woord na woord.

GNOE. BEEN. VEREISTE.

Door het spelen van het spel – het scrabblespel en het spel van de direct message – leerden we elkaar de kunst van het verleiden, ik kan het niet anders noemen.

Of toch? – de kunst van het ophitsen.

11.

Smartphone-seks heeft met porno of webcamseks weinig te maken. Het ene is beeld, het andere taal. In het beeld van de webcamseks zit geen negatief, zoals Han zou zeggen, alles is exposure, pornografisch. In direct message-seks is alles taal, alles puntjes, alles uitgeschreven zuchten en steunen, alles alles.

‘Al een jaar of vier had ik geen telefoonseks gehad’, schrijft Arnon Grunberg in een Voetnoot. ‘Ik sms’te mijn vriendin: “Zullen we telefoonseks hebben? Morgen of vanavond?”’ Zij vindt het prima, maar echt vlotten doet het niet. ‘Na een tijdje zei ze: “Wacht, ik pak even een banaan.” Ik hoorde haar de trap af lopen, keukenkastjes werden geopend en weer gesloten. “Wat voor banaan is het?” vroeg ik. “Een kleine, biologische banaan.”’

Hier moet ik erg om lachen. Wie belt er dan ook nog? Want stel je voor dat je geliefde je een bericht stuurt, via een semi-openbare berichtendienst: ‘Een kleine, biologische banaan.’ Is dat geen poëzie, poëzie van de lust?

12.

Liefde is, zoals Han zegt, het zien van de ander als ander. Maar ook het zien van het andere in wat voor de rest van de mensheid maar gewoontjes is. De Grote Beer in de vijf toevallige cijfers van een telefoonnummer, twee (niet drie!) puntjes die een sms afsluiten, een Wordfeud-woord dat aan het jouwe wordt aangelegd. En gewoon, je eigen telefoon, de personificatie van hem.

Mijn fonofilia-romances liepen slecht af. Ik bleef achter met tientallen berichten en afgebroken scrabblepotjes. Ik had de taal verkeerd begrepen, het spel niet goed gespeeld. Het woord kan gevaarlijk zijn. Zoals liefde, zoals een liefdesgedicht.


Dit essay van Miriam Rasch is de winnaar van de Jan Hanlo Essayprijs Klein, dat dit jaar als thema had: ‘Over de liefde’. De Essayprijs Klein is er mede dankzij steun van het Letterenfonds. De genomineerde essays zijn de komende dagen te lezen op groene.nl en janhanloessayprijs.nl


Beeld: (1) Karan Armstrong in het toneelstuk La voix humaine (Ron Scherl / Redferns / Getty Images)