HET NIEUWE PROGRESSIEVE DENKEN

Een kleine revolutie

Amerikaanse Democraten en Europese progressieven zoeken naar manieren om de rol van de overheid in te bedden in het marktdenken. Barack Obama lijkt een nieuwe weg in te gaan: het libertair paternalisme.

TIJDENS HAAR CAMPAGNE riep Hillary Clinton dat Barack Obama stiekem een fan was van Ronald Reagan. Inderdaad schrijft Obama in The Audacity of Hope over Reagans succes. Hij was bezorgd over diens verkiezing in 1980, maar begreep heel goed waarom zijn programma aansprak. De Republikeinen waren in die tijd de partij met de ideeën.
Anders dan Reagan heeft Obama geen vaste ideologie, laat staan zo’n eenvoudige als waarmee Reagan zijn leven inrichtte. Mensen die Obama bezig hebben gezien stellen dat hij openstaat voor advies en informatie uit gevarieerde bronnen, prijs stelt op empirisch materiaal en zelfverzekerd genoeg is om zelf conclusies te trekken. Als het niet zo’n catch all-term was, zou je hem ‘pragmatisch’ noemen.
Natuurlijk stelde Obama vast, net als Hillary Clinton, dat de Republikeinse ideeën over hun houdbaarheidsdatum waren. Maar met nieuwe ideeën komen is nog heel wat anders. Bij de Democraten – en trouwens ook bij de Europese sociaal-democraten – was op dat terrein weinig interessants te bespeuren. Toch zijn er in de Obama-campagne en nu ook in zijn club van adviseurs sporen te vinden van een nieuwe, frisse basisfilosofie waarmee ook Europese progressieven hun voordeel kunnen doen. Een sleutel tot dit nieuwe denken is het boek Nudge van de economen Richard Thaler en Cass Sunstein, beiden docerend aan Obama’s Chicago University. Deze ‘behavioral economists’ proberen een nieuwe weg te vinden tussen vrije markten en overheidscontrole, uitgaande van de vaststelling dat de ‘economische mens’, de burger die rationele, weloverwogen keuzes maakt, een ideaaltype is waar je in de praktijk weinig aan hebt. Mensen jagen lang niet altijd een maximalisering van hun belangen na. Soms handelen ze onverklaarbaar, uit emotie, uit angst, uit luiheid of uit verkeerd begrepen eigenbelang.
Hoe help je mensen de juiste keuzes te maken zonder ze in een dwingend korset te stoppen: dat is de essentie van Nudge. Volgens Thaler en Sunstein kan de overheid dat door een programma aan te bieden waaraan iedereen automatisch meedoet, tenzij men laat weten dat men dat niet wil. In Nederland was het de ratio achter het voorstel tot verplichte orgaandonatie tenzij men zich daarvoor afmeldde. Iedereen was donor, tenzij men het niet wilde. De auteurs stellen vast dat in landen waar een dergelijk programma geldt zo’n negentig procent van de mensen zijn organen beschikbaar stelt. Slechts tien procent laat weten dat niet te willen. In landen waar men zichzelf moet opgeven als donor ligt dat percentage rond de dertig.
Obama zou het proces veel vaker gebruiken. Het maatschappelijk leven barst immers van dit soort keuzeprocessen, en waarom zou de overheid niet mogen proberen om burgers de goede kant op te sturen? Uiteindelijk gebruiken partijen in de vrije markt dit soort sturingsmechanismen ook voortdurend om keuzes te beïnvloeden.
In zijn Audacity of Hope nam Obama een voorstel op om werknemers automatisch in bedrijfspensioenplannen te laten opnemen met de optie om eruit te stappen als ze dat niet wilden – het voorstel was linea recta afkomstig van Thaler en Sunstein. Onderzoek had namelijk vastgesteld dat als je van mensen verlangt dat ze zelf voor een pensioenplan opteren ze zich er meestal niet voor inschrijven, zelfs niet als het een bijzonder voordelig programma is. Een niet dwingend ‘duwtje’ (nudge) door het plan automatisch te laten gelden voor werknemers tenzij ze zich uitschrijven, zou helpen, meent Obama. Hij lijkt de denkwijze van Thaler en Sunstein te delen dat mensen in veel gevallen helemaal geen specifieke, weloverwogen voorkeuren hebben. Dat wat ze kiezen vaak afhangt van de context, de manier waarop iets geframed is. Of ze kiezen uit luiheid of gebrek aan inzicht helemaal niet.
Wie het keuzeproces kan sturen, kan framen, bepaalt de ‘choice architecture’. Daar is niets nieuws aan. Het gebeurt iedere dag in de markt. Op basis van marktonderzoek hebben supermarkten hun lay-out zodanig ingericht dat ze de mensen beïnvloeden bij hun aankoopkeuzes. Waarom zou de overheid dat niet doen? Thaler en Sunstein wijzen op voorbeelden als een schoolcafetaria waar je gezond voedsel aanbiedt naast het standaard eten – in een schoolcafetaria is winstmaximalisering uiteindelijk niet het doel (zoals het dat in het meeste publieke beleid niet is). Er is natuurlijk een probleem: de overheid maakt niet altijd de juiste keuzes, of kan zelfs beïnvloed worden door instellingen die een belang hebben bij een bepaalde keuze. Maar, stellen de schrijvers, de overheid maakt in ieder geval een keuze en biedt daarmee een beginpunt.
In een artikel dat Thaler en Sunstein in 2003 publiceerden in de Chicago Law Review proberen de auteurs de vooronderstelling te weerleggen dat mensen altijd de keuzes maken die het beste voor hen zijn of zelfs dat die keuzes beter zouden zijn dan wat een derde partij voor hen zou kiezen. De meeste keuzes moeten mensen immers maken op een terrein waarop ze niet ervaren zijn. En iedere vorm van overheidsbeleid impliceert al keuzes voor de burgers. Planners hebben altijd invloed.
In het artikel introduceerden de auteurs met ‘libertarian paternalism’ een mooie vlag waaronder dit nieuwe beleid kan varen. Erin opgesloten zit immers de vrijheid die libertijnen onmisbaar achten, zij het dat die is gekoppeld aan een paternalistische overheid die denkt te weten wat goed is voor de burger, maar die hem tegelijkertijd de vrijheid geeft om zich daar niets van aan te trekken. Cruciaal is dat dwang geen rol speelt. De ratio achter deze combinatie is dat het volgens Thaler en Sunstein volstrekt legitiem is voor private maar vooral voor publieke instellingen om gedrag te beïnvloeden. Mensen weten vaak te weinig om goed te kunnen beslissen en bovendien worden hun keuzes vaak door externe omstandigheden beïnvloed. Volgens hen mag de overheid best paternalistisch zijn door als ‘keuzearchitecten’ dat gedrag een bepaalde kant op te sturen met het doel hun levens langer, gezonder en beter te maken. De mogelijkheid om eruit te stappen geeft de burger de mogelijkheid om slecht doordachte of verkeerd gemotiveerde plannen van bureaucraten te verwerpen. De doelstelling is niet om keuzes te blokkeren, maar om ze richting te geven.

Dit soort denken past helemaal in Obama’s wereld. Sunstein noemt hem een ‘visionaire minimalist’: iemand die grote doelstellingen nastreeft op een manier die rekening houdt met de diepst gevoelde waarden van zoveel mogelijk mensen. Vandaar dat de vaak gehoorde vergelijking met Franklin Roosevelt eigenlijk slecht past. Roosevelt was nogal maximalistisch ingesteld, hij koos voor ingrijpende, alomvattende programma’s. Obama’s gedachte is dat je juist door mensen mee te nemen, door respect te tonen voor hun gevoelens en meningen, grotere stappen kunt zetten dan mogelijk werd geacht. Met meer draagvlak.
Dat vereist wel enig bewustzijn van burgers. Je moet met hen in debat gaan en hen serieus nemen, altijd de mogelijkheid open houdend dat je misschien ongelijk hebt. Zo duikt in Obama’s boek ook de term ‘deliberative democracy’ op, wat klinkt als een Amerikaanse variant van scherp polderen. Zoals hij het mooi formuleert: ‘Onze democratie is niet een huis dat we moeten bouwen, maar veeleer een conversatie die we moeten voeren.’ Dat zal niet garanderen dat het besluit dat de samenleving neemt, het juiste is, vervolgt hij. Het kan niet vertellen of abortus goed of slecht is, of schoolgebed beter is dan geen gebed. ‘Maar’, schrijft Obama, ‘het dwingt ons tot een discussie, een deliberative democracy waarin van alle burgers verwacht wordt dat ze deelnemen in een proces van het testen van ideeën.’
Naïef volgens sommigen, maar volgens Obama precies de manier waarop zijn grote voorbeeld Abraham Lincoln tot zijn belangrijkste beslissingen kwam. Dit is de Obama die kan begrijpen waarom de agenda van Ronald Reagan zo aantrekkelijk was, ook al was hij er zelf niet voor te vinden. De Obama die zich realiseert dat armoede van ideeën een tegenreactie oplevert.
De kritiek is voorspelbaar. De linkervleugel zal zeggen dat libertair paternalisme niet ver genoeg gaat. De overheid moet dingen kunnen opleggen, zoals het hebben van een ziektekostenverzekering. En de vraag is inderdaad hoe ver je wilt gaan. Mag je uit de AOW stappen? Dat zou de brede, algemene dekking van zo’n systeem ondermijnen.
Economen als Paul Krugman en Robert Kuttner vinden Obama’s denken naïef. Kuttner noemt het minimalisme van de ergste soort, beleid waarmee je in een depressie niets kunt. Een andere tegenwerping is dat mensen moet worden toegestaan om fouten te maken, een redenering waarop ook Nederlandse liberalen nogal dol zijn. Dat lijkt echter een schijntegenstelling, want die ruimte blijft behouden: niemand verplicht de burgers om de ‘default option’, de automatische optie te accepteren. Je mag vrijwillig je karretje in de sloot rijden. Maar je moet er wel toe besloten hebben.
Het zal even wennen zijn, deze nieuwe richting op het terrein van keuzes. Maar daar waar de overheid handelend moet optreden, zullen de oude linkse economen minder moeite hebben om zich in Obama te herkennen. Een grootscheeps programma van infrastructurele voorzieningen om te zorgen dat er 2,5 miljoen mensen aan het werk blijven op een voor de samenleving nuttige manier, past maar al te goed in het keynesiaanse beeld. Obama zal er evenwel voor waken dat dergelijke programma’s tijdelijk blijven. Ook de overheid moet de mogelijkheid hebben om ergens uit te kunnen stappen, misschien zelfs verplicht zijn om dat na een bepaalde tijd te doen. Want in dit nieuwe progressieve denken is het nooit vanzelfsprekend dat de overheid optreedt, dwingt of zelfs maar stuurt. Het is altijd weloverwogen, ‘deliberative’. Dat is het nieuwe aan Obama’s visie. Een kleine revolutie.