Recensie

Een klucht vol kletsmeiers

Lourens van Elstland
Jan onder de deecken: Een Haarlemse «klugt», geschreven te Batavia rond 1690
Naar het handschrift in de Bibliothèque Nationale te Parijs voor het eerst uitgegeven, toegelicht en van een inleiding en commentaar voorzien door Karel Bostoen, Marja Geesink en Mary Zijlstra
KITLV Uitgeverij,
212 blz., 19,90

Onbegrip, misverstand tussen de seksen, boerenbedrog, scheldkanonnades en een partijtje klop: veel langer is de ingrediëntenlijst van de meeste kluchten niet. Ook de plot van Lourens van Elstlands klucht Jan onder de deecken heeft weinig om het lijf. Jan en Trijn, die een slecht huwelijk hebben, laten zich op instigatie van Jan beduvelen door kwakzalfster, die met haar magische gaven voor hen een schat zal opsporen die in hun huis begraven ligt. Deze wonderdoenster, Stijn, laat het onnozele tweetal onder een deken plaatsnemen en rooft, onder het uitvoeren van allerlei magische flauwekul, alles wat ze kan gebruiken en neemt vervolgens de benen. Als de jonge minnaar van Trijn het stel aantreft, te midden van de «magische» symbolen en nog altijd onder de deken, neemt hij geschrokken de benen. Zo naverteld lijkt er weinig opzienbarends aan deze tekst, en toch is Jan onder de deecken niet zomaar een klucht. Allereerst vanwege de auteur en de plaats van ontstaan. Lourens van Elstland (ca.1643-ca.1698), telg uit een Haarlems dichtersgeslacht, trok in 1667 met zijn echtgenote naar Batavia. Daar verdiende hij als smid de kost, en in zijn vrije tijd schreef hij gedichten. Dat werk, in veel opzichten gericht op het verre vaderland, is opgetekend in een handschrift, enige jaren geleden teruggevonden door Karel Bostoen in de Bibliothèque Nationale in Parijs.

Een tweede opmerkelijk punt is de lengte van het stuk. De meeste zeventiende-eeuwse kluchten beslaan een versregel of vier- à vijfhonderd. Ze waren bedoeld om op te voeren voor een publiek dat juist daarvoor al een complete tragedie had bekeken, dus er was alle reden om het kort en bondig te houden. Lourens van Elstland daarentegen neemt er in Jan onder de deecken royaal de tijd voor: ruim 1750 verzen. Voldoende voor een voldragen blijspel, maar dat is het niet. Echte blijspelen zijn zeldzaam in onze zeventiende-eeuwse literatuur, juist omdat ze te lang waren voor de beschreven theaterpraktijk. De blijspelen die iedereen kent, zoals Moortje en Warenar, dateren uit de beginperiode en hebben nauwelijks navolging gevonden.

Jan onder de deecken blijft een klucht, met bijbehorende plot en karakters. Dat het stuk zo lang geworden is, is het gevolg van de praatzucht van de karakters, of eigenlijk de praatzucht van Van Elstland. Voor een deel gebeurt dat in geijkte kluchtnummers, zoals de monoloog van de kwakzalfster en de monoloog waarin Jan het geld dat hij hoopt te vinden onder de vloer van zijn huis al aan het spenderen is – passages waarin Van Elstland kon laten zien dat hij het metier beheerste. Inhoudelijk interessanter zijn de monologen waarin Van Elstland zijn eigen leefwereld laat doorklinken. Dat gebeurt in passages die refereren aan het leven in Haarlem en aan de actuele politiek van rond 1688, de tijd waarin Willem III zich opmaakte voor zijn oversteek naar Engeland. De meeste aandacht trekken echter de stukken over het leven in de Oost, vooral de monologen van Goosen, een oud-Indië-ganger en buurman van Jan en Trijn in Haarlem. Hij vertelt over de ellende van mannen die zich verloven in het vaderland voor ze naar Indië afreizen: ze zullen zeker bedrogen worden (de mogelijkheid dat ze zelf vreemd zullen gaan noemt Goosen niet). Voor vrouwen die niet aan de man kunnen komen en naar Indië trekken in de hoop daar wel te slagen heeft hij ook adviezen: ze moeten in elk geval de inlanders ontlopen, de beste vangst doen ze met een barbier, tapper of ambachtsbaas.

Met de uitgave van Jan onder de deecken beschikken we over een eerste grotere proef van Van Elstlands dichterschap. Hij geeft voor het eerst de Indië-ganger een bescheiden stem op ons toneel. Of het stuk in Batavia is opgevoerd is onbekend; uitgesloten is het niet, want er waren opvoeringen in particuliere kring. Het stuk maakt in elk geval duidelijk dat het literaire leven in de Oost rijker is geweest dan lang is aangenomen. Alle reden dus om blij te zijn met deze uitgave. De tekst is uitgebreid becommentarieerd, met een gedetailleerde inleiding, woordverklaringen bij de tekst en uitgebreide aantekeningen achterin; de uitgever heeft duidelijk met veel liefde een tot nu toe onbekende bron willen openleggen.

* Johan Koppenol is hoogleraar Nederlandse letterkunde van de Gouden Eeuw