Het postume leven van Irène Némirovsky

Een koffer met de tekst van moeder

De Oekraïens/Franse schrijfster Irène Némirovsky was begonnen aan een roman van duizend pagina’s toen ze in 1942 werd opgepakt en vermoord in Birkenau. Het postuum verschenen Suite Française werd een aanklacht tegen het verleden.

Medium nemiroksy

De beste film over verzet in de Tweede Wereldoorlog is L’armée des ombres van Jean-Pierre Melville uit 1969. Dat is geen mening, maar een statistiek. Een vergeten film, soort van, tot een aantal jaren terug toen een geremasterde versie in een klein aantal New Yorkse cinema’s ging draaien. Alle recensenten schreven erover, alle recensenten waren laaiend enthousiast, en zo stond Army of Shadows in 2006 ineens boven aan de website metacritic.com, die alle recensies van films en muziek bij elkaar optelt en een gemiddeld oordeel berekent; in dit geval een toffe 99 van de 100.

Ik heb de film op dvd. Ik zet hem vaak aan als ik zit te schrijven. Muziek op de achtergrond verdraag ik niet, dat leidt af. Maar films werken heel goed, zij het met geluid uit. Ze nestelen zich aan de rand van je netvlies, ze bewegen maar schreeuwen niet om je aandacht. Zonder geluid blijft alleen de sfeer over.

In L’armée des ombres wordt sowieso amper gepraat en opwindende muziek is er niet. De film lijkt zich af te spelen in Wrekers-land, zoals dat wordt genoemd: er loopt niemand op straat, de plattelandswegen waar ze over rijden zijn uitgestorven (de tv-serie De wrekers had geen budget voor figuranten, waardoor elk decor leeg was, wat de serie een onbedoeld sinister gevoel gaf). Grijze luchten. De leider van de verzetsleden, Philippe Gerbier (Lino Ventura), een man die er uitziet alsof hij te lang in de regen heeft gestaan terwijl hij op zijn uitkering wachtte, duikt een tijdje onder in de provincie op het landgoed van een baron. Geruit jasje, jachthoedje, onfeilbare snor. Tijdens een wandeling vertelt hij met een glimlach aan Gerbier: ‘Voor de oorlog was ik een gezworen vijand van de Republiek. M’n pachters, knechten en pikeurs en ik vormden een peloton gewapend met jachtgeweren en revolvers. Ik wilde te paard de prefectuur aanvallen als de royalisten in opstand zouden komen.’

Meer tekst dan dat heeft de baron niet in de film, maar alles zit erin. In zijn uitspraak benadrukt hij dat ‘te paard’, om aan te geven dat hij eigenlijk nog denkt in termen van cavalerie, dat hij eigenlijk niet meer in de eeuw van het machinegeweer thuishoort. Zijn verzet is kansloos.

Echt verzet lijkt er ook niet te worden gepleegd; er zijn geen overvallen op Duitsers, er is geen sabotage. Verzet is meer een spirituele toestand dan dat het een serie daden is. Ze vermoeden verraad, doden elkaar voordat het echt bewezen is, waar ze vervolgens lange theoretische, bijna existentialistische gesprekken over voeren.

Ze leverde een manuscript in bij uitgever Grasset dat zo goed was dat hij niet geloofde dat ze het zelf had geschreven

Vergelijk het eens met Soldaat van Oranje: een groepje corpsballen avonturiert zich de oorlog door, ‘beetje oorlog, beetje vechten’, een oorlog die zich qua lolligheid en vrije seks (het Britse secretaressetje dat van hand tot hand gaat) eerder lijkt af te spelen in de jaren zeventig dan in de jaren veertig.

Voor hun Franse broeders komt er geen bevrijding. Aan het einde van de film wordt duidelijk hoe het met ze is afgelopen. Het wordt droogjes genoteerd: één voor één zijn ze door de Duitsers gepakt en geëxecuteerd, sommigen vlak voor de verlossende geallieerde invasie. Het echt schokkende kwam voor mij toen ik ontdekte dat dit niet geschreven was in 1969, maar in 1942. De film is gebaseerd op een roman van Joseph Kessel uit 1943.

1943, zat ik te denken. Midden in de oorlog. Hoe durf je een roman te schrijven die zo zwart eindigt? Dat je in je fictie geen licht in het duister ziet, maar het duister nog donkerder maakt dan het daadwerkelijk was?

Toen metacritic.com nog boeken behandelde stond er een ander boek lang boven aan de lijst van best besproken boeken: Suite Française van Irène Némirovsky. In 2006 voor het eerst in het Engels verschenen (Metacritic is Amerikaans), in 2005 voor het eerst in het Nederlands, als Storm in juni.

Némirovsky werd geboren in 1903 in Kiev, in het gedeelte van de stad dat ‘Jiddischland’ werd genoemd. Haar vader was een prominente bankier, maar gokte bij het uitbreken van de revolutie in 1917 verkeerd door naar Moskou te verhuizen, waar de gevechten het ergst bleken. De familie zat vijf dagen opgesloten in een geleend appartement waar ze overleefden op een zak aardappelen, sardientjes en chocolade, maar waar Irène zich in de bibliotheek verlustigde aan De Maupassant, Plato en Oscar Wilde. De familie Némirovsky vluchtte naar Parijs, de stad waar Irène als kind al van droomde. Op haar 26ste leverde ze een manuscript in bij uitgever Bernard Grasset dat zo goed was dat Grasset niet geloofde dat ze het zelf had geschreven. Dat had ze wel, de roman David Golder werd een hit bij critici en lezers en zo begon een schrijverscarrière die precies elf jaar zou duren, tot de Duitsers in 1940 binnenvielen en de ariërisering van de Franse uitgeverijen afkondigden. Némirovsky vertrok met haar kinderen naar iets buiten de stad, waar ze aan een roman werkte die duizend bladzijden moest worden, groots en melodieus, ‘opgebouwd als Beethovens vijfde’. Het gebeurde niet: Némirosvky werd in de zomer van 1942 opgepakt en vermoord in Birkenau.

Némirovsky beschrijft hoe ‘katachtig en wreed’ de gelaatstrekken van haar Parijzenaars zijn

Tot zo ver het verhaal van de schrijfster, treurig als het is. Het verhaal van het manuscript is niet minder treurig. De dochtertjes van Némirosvky overleefden de oorlog als onderduikers. Omdat niemand wist wat er met hun moeder (en vader) was gebeurd, stonden ze elke dag met naambordjes te wachten bij Gare de l’Est, waar overlevenden uit de kampen dagelijks aankwamen. Toen ze halsoverkop gevlucht waren uit hun ouderlijk huis, bij de Gestapo-inval, hadden ze een koffer meegenomen met daarin de tekst van hun moeder. Ze dachten dat het dagboekaantekeningen waren en konden het emotioneel niet aan om de tekst te lezen. Pas eind jaren negentig typte een van de dochters het over, met het idee het te schenken aan een herdenkingsstichting. Ze kwam erachter dat het geen dagboek was, maar dat het de eerste delen waren van een grote epische roman over het leven van een groep mondaine Parijzenaars in het bezette Frankrijk.

Dit stond ongeveer als voorwoord in de eerste druk toen het boek in 2004 in Frankrijk verscheen. Probeer het dan nog maar eens neutraal te lezen. In latere drukken waren ook brieven opgenomen, van Némirovsky aan vrienden en daarna van Némirovsky’s echtgenoot, die wanhopig instanties aanschreef in de hoop te weten te komen wat er met zijn vrouw was gebeurd, om vervolgens zelf ook opgepakt te worden en in Auschwitz te sterven.

Het boek heeft een soort heiligverklaring voordat je het überhaupt hebt gelezen. Het gekke is dan ook dat als je het leest het helemaal niet sacraal aanvoelt. Of anders gezegd: omdat Némirovsky op het moment van schrijven nog niet wist dat ze een gedoemde generatie beschreef, leest haar portret als vloeken in de kerk. Het lucht op. In het eerste deel, Storm in juni, volg je een aantal Parijse families die terwijl de Duitsers oprukken naar de lichtstad hun heil elders zoeken. De familie Péricands maakt zich meer zorgen om het familiekapitaal dan om het personeel, maakt zich drukker om welke erfstukken bij een bezetting zouden kunnen verdwijnen dan om wat het voor de stad betekent. De schrijver Gabriel Corte ziet in de oprukkende Duitsers en passant een goede mogelijkheid om zijn nieuwste minnares te loodsen, Charles Langelet aait door het beschermpapier heen zijn Wedgwood-stukken, zijn Sèvres-vasen, zijn Nankin-kopjes. ‘Zo lang als hij zal leven zou hij nooit afscheid van ze nemen, nooit.’ Andere families proberen vooral niet aan vrienden en bekenden te laten blijken dat ze naar hun vakantiehuizen vluchten, uit angst dat die vrienden en bekenden vragen om mee te mogen.

De wegen zijn druk en stoffig, niemand gunt elkaar de ruimte. Némirovsky beschrijft met grote regelmaat hoe ‘katachtig en wreed’ de gelaatstrekken van haar Parijzenaars zijn, hoe koel hun blik, hoe koud hun harten.

Zoals het unhappy ending van L’armée des ombres extra zwart wordt omdat je weet dat het in de oorlog geschreven is, zo krijgen de personages van Némirovsky een extra lading. Misschien zou het voor de ideale lezer niet uitmaken wanneer een boek geschreven is, en door wie, misschien zou voor hem een tekst bestaan zonder welke (historische) context dan ook, maar wie weet dat Irène Némirovsky zelf al opmerkte dat elk nieuw boek van haar hoogstwaarschijnlijk postuum zou zijn, voelt iets extra scherps. Dit zijn geen personages bedacht door een schrijver die iets fabuleert, dit is een afrekening van iemand met haar tijd. De personages zijn misschien bedacht, maar dragen een gevoel dat de bedenkster met zich meedroeg. Het maakt van Suite Française meer dan een fictieroman. Het wordt een aanklacht tegen het echte verleden.

Storm in juni verscheen bij De Geus, vertaald door Manik Sarkar, 511 blz., € 19,90
Voorpublicatie uit De affaire Koerilov


Beeld: S. Bianchetti / Corbis / HH