Een koffer vol spijt

De competitie is nog geen twee weken oud of Ajax swingt al weer over de velden. Daarom las ik met grote belangstelling het interview in de Volkskrant met Tinus Osendarp. Hoewel we het ons nauwelijks kunnen voorstellen, had Nederland voor de oorlog drie topsprinters. Chris Berger, vader van Ellis, Wil van Beveren, vader van Jan en Tinus Osendarp, vader van onbekenden.

Osendarp won in 1936 bij de Olympische Spelen van Berlijn brons op de honderd en tweehonderd meter en was daarmee de snelste blanke. Goud was voor de legende Jesse Owens. Osendarp werd lid van de NSB en vervolgens van de SS. Adriaan Venema wijdde een boek aan Osendarp, maar sprak hem niet. Rolf Bos van de Volkskrant was bij hem thuis, maar mocht het niet over de oorlogsjaren hebben. Ik zie de onderhandelingen al voor me. De Volkskrant wilde Osendarp natuurlijk alleen maar spreken om dat oorlogsverleden. Osendarp wilde wel praten, maar niet over zijn lidmaatschap van de SS. Daar lezen we helaas ook bijna niets over. Toch begrijp ik Rolf Bos. Eenmaal binnen hoop je op meer dan je al weet. Ooit interviewden Henk van Dorp en ik Cor Wals, zeg maar de Osendarp van het wielrennen. In 1941 was hij in het shirt van de SS in het Olympisch Stadion in Amsterdam kampioen van Nederland achter de grote motoren geworden. Toen ik begin 1978 binnenkwam in zijn huis vlak over de grens, ontweek ik zijn hand. Tijdens de geoffreerde lunch weigerde ik de Belgische broodjes. Bij het vertrek tien uur later gaf ik Wals een hand. Zijn spijt lijkt me oprechter dan de spijt die Osendarp in het interview in de Volkskrant betuigt. Dat komt door dat ene, terloopse citaat over deelname aan de Spelen van Berlijn. ‘Ik geloof dat er een bokser was die weigerde te gaan.’ Dat hoeft Osendarp niet te geloven. Er wás een bokser die weigerde te gaan, kandidaat voor goud in het weltergewicht Ben Bril. Dat had Osendarp 63 jaar later kunnen, nee moeten weten. Om met wijlen Jopie de Vries, Zwarte Joop, te spreken: op zolder heb ik een koffer vol spijt.