Een koloniale toe-eigeningsterm

Walter van der Kooi ziet veel meer dan hij in zijn wekelijkse tv-kroniek kan bespreken. Vandaag: Ze noemen me baboe.

Veel vaderlandse ‘Bewältigung der Vergangenheit’ dezer dagen. Er was de indrukwekkende programmering rond de Srebrenica-herdenking. Er was en is veel aandacht voor slavernij en racisme aan praattafels, met M als aanvoerder; en Andere Tijden Sport opent zijn zomerreeks met Van Mijnals tot Memphis en hoe Oranje kleur kreeg, aanstaande zondag 12 juli, en dat in het kader van een NPO-themadag: Nederland tegen racisme. Minder opgemerkt was op 29 juni de documentaire Ze noemen me baboe over een vrouwenleven ten tijde van het zelfstandig worden van Indonesië. Hij trok 383.000 kijkers – misschien niet slecht voor een archiefdocumentaire maar hij verdient er meer. Vandaar alsnog een bespreking.

In 1995 kwam een filmisch meesterwerk uit: Moeder Dao, de schildpadgelijkende van Vincent Monnikendam. Speelfilmlange documentaire, louter bestaand uit found footage, tussen 1912 en 1933 gedraaid in ‘Ons Indië’. 2400 fragmenten met drie hoofdlijnen: weer/landschap/mensen daarin; koloniale exploitatie middels plantage en industrie; Europeanen m/v. Geweldige montage, prachtige geluidsband. Won een Gouden Kalf in Utrecht en zeventien internationale prijzen. Een kwart eeuw later zond de NTR met Baboe van Sandra Beerends een dochter van Moeder Dao uit. Dochter in de zin dat ook deze lange documentaire volledig bestaat uit archiefbeelden, gefilmd in datzelfde land in een net iets latere periode, de jaren veertig. Ook hier een indrukwekkende geluidsband, geprezen muziek van Alex Simu, en dito montage die het beeldmateriaal tot heuse vertelling verheft. Vertelling in deze film ook letterlijk te nemen: een Javaanse jonge vrouw, Alima, praat, van begin tot eind, tegen haar overleden moeder (en daarmee ons) om te laten weten hoe haar leven verloopt na moeders begrafenis. Over de ‘kleine’ gebeurtenissen in dat ene vrouwenleven (rijst planten, verhuizen, reizen, kapok plukken, verliefd en moeder worden) die voor haar zelf, en voor elk individu, natuurlijk juist groot zijn; en over de grote, politieke gebeurtenissen die haar en miljoenen ‘kleine’ mensenlevens treffen en sturen.

Al bij begin zien we hoe in een dorp een overleden vrouw gewassen en gekleed wordt voor de begrafenis. Dit antropologische beeldmateriaal over een anonyma, haar familie en buren krijgt in Baboe dus een plek in de fictieve vertelling over Alima, en in een maar al te reële vertelling over Java en haar bewoners, vanaf de koloniale glorie aan de vooravond van de wereldoorlog tot en met dekolonisatie en zelfstandigheid. Wat daar in één decennium is gebeurd en veranderd is minstens zo onvoorstelbaar en veelomvattend als ‘onze’ oorlog en raakte talloos meer miljoenen. Oorlog, die dáár na 1945 voortgezet werd, nu met ‘onze onderdanen’ als tegenstanders die zich verzetten tegen onze terugkeer.

Bijzonder in de film is het Javaanse perspectief. En helemaal bijzonder is dat het een vrouwenverhaal betreft. In het klein én groot: want in de letterlijke vertelling beschrijft Alima al hoe zij als kind met moeder door vader verstoten werd omdat die een zoon wilde. Dat is voor haar biografie bedacht door de scenarist, maar bepaald niet uit de duim gezogen want het was en is barre vrouwenrealiteit, en zeker niet alleen op Java. Dat na moeders dood oom haar aan een oude Chinese man wil uithuwelijken is ook niet louter denkbeeldig: arme onbeschermde vrouwen hebben vaak bar weinig keus, als meisjes al iets te kiezen hebben.

Haar vlucht voor dat huwelijk (die me wél uitzonderlijk lijkt) levert Alima uiteindelijk een baan op als kindermeisje bij een Nederlands gezin in Bandung, waarmee we in de filmtitel belanden. Meteen al blijkt het te wringen in de functieomschrijving. Ik wist nooit beter dan dat ‘baboe’ een term uit het Bahassa was. Het blijkt een Hollandse vinding: ba = juffrouw samengevoegd met boe = moeder. In zekere zin dus verre familie van de koloniale toe-eigeningsterm ‘Indianen’. Alima beschrijft die term licht kritisch, waarmee al haar ‘nationalistische’ kant wordt ingeleid, die zich verderop in de film steeds sterker zal manifesteren. Maar tegelijkertijd is ze product van een koloniale setting waarin hiërarchie vanzelfsprekend is (zoals die dat ook was en is in de Javaanse cultuur) en waarin ze zich al snel hecht aan het jongste kind, dat bijna helemaal aan haar zorg is toevertrouwd: Jantje. Verrukkelijk uit haar mond.

Een fascinerend thema: de liefde van vrouwen voor andermans kinderen die tegen betaling aan hun zorg zijn toevertrouwd. Het speelt dagelijks vlakbij: de crècheleidster die een kleintje nog meer in haar hart sluit dan de anderen. Maar het krijgt een extra dimensie wanneer de verzorgster, al dan niet inwonend, veel meer tijd en intimiteit met ‘haar’ kinderen deelt dan de moeder – voorheen gebruikelijk in de Europese upper class van Engeland tot Oostenrijks-Hongaarse monarchie. En het wordt nog een slag complexer wanneer bovenop het vanzelfsprekende klassenverschil ook een cultuurverschil komt. Dat speelt al tussen kindertjes uit de Russische adel en hun Franse gouvernante, maar daar lijkt het nog klein vergeleken bij ‘Alima en Jantje’, ook al omdat de Russische elite Frans-georiënteerd was. Dat ‘Jantjes’ zich vaak, als ze volwassen zijn, hun ‘Alima’s’ met grote warmte herinneren is bekend. Dat die gevoelens, dankzij langdurige fysieke en geestelijke intimiteit, zelfs dieper kunnen gaan dan die voor mama is niet uitgesloten. (Overigens sluit ik ook niet uit dat sommige baboe’s een pesthekel hadden aan die verwende witte krengen.)

Het is zo actueel als wat. In mijn buurt vol jonge nieuwe rijken is een legertje Filipijnse jonge vrouwen actief, vaak nauwelijks groter dan de kinderen die ze verzorgen. Hopelijk hebben ze thuis bij Duterte geen kinderen die door oma’s worden opgevoed met hier verdiend geld, want dat komt bar vaak voor: Hollandse kinderen als Ersatz voor die van jezelf. Die jonge vrouwen lijken trouwens veel beter af dan hun landgenotes in de Arabische wereld (cultuurrelativisme verdampt terstond bij de gruwelen daar).

Het verhaal van Alima raakt aan dat van mijn buur-Filipijnsen wanneer de familie een tijd op verlof gaat naar Nederland en zij, als enige van het ‘Indische’ personeel, mee moet/mag naar Den Haag vanwege de jongste en dus meest bewerkelijke spruit, Jantje. Geweldige cultuurshock uiteraard. Alweer: dit is fictie, maar waarder dan waar. Zoals aangetoond wordt met het archiefmateriaal, waarin niet alleen tal van baboes Hollandse kleintjes verzorgen en bezig houden bij Javaanse koloniale huizen, maar een aantal ook meegaat op de boot naar Europa. Zie de familiefilmpjes waarin ze in sarong en kabaja door winderig Den Haag lopen, soms met een warme jas er overheen. Waarin ze per de trein mee terugreizen naar Genua en vandaar de lange bootreis mee terug maken. Reizen die voor Hollanders een groot feest met spel, dans, voortreffelijk eten zijn – scènes waarop uiteraard geen baboe te zien is, want die speelden en dansten niet mee en aten buiten zicht ander eten. Natuurlijk heeft geen familie systematisch het leven van baboe op film vastgelegd, stel je voor. Maar zoals Annette Apon de echte actrice en spion Leonie Brandt in de gelijknamige documentaire opbouwde uit talloze vrouwen in speelfilmscènes, zo componeert Sandra Beerends haar fictieve Alima uit evenveel echte Javaanse vrouwen in die functie. Waarvan één wel beduidend vaker voorkomt dan anderen – misschien omdat haar werkgever een enthousiaster filmer was, hopelijk ook omdat ze meer dan anderen gewaardeerd werd en als ‘erbij horend’ werd gezien. Ook kolonialen verschillen immers. Zelfs slavenhouders.

Alima maakt in haar gesproken levensverhaal een sterke ontwikkeling door, al is die niet rechtlijnig. Een constante is wel vrouwelijk bewustzijn, dat groeit. Al bij begin zegt Alima tegen haar dode moeder: ‘Je hebt me geleerd dat meisjes voor zichzelf moeten opkomen’. En tegen het eind, als ze in verwachting van een dochter is, late jaren veertig, verheugt ze zich op de kansen die die in het nieuwe Indonesië zal krijgen: ‘Misschien wordt ze wel de eerste vrouwelijke president’.

Een tweede ontwikkeling schuilt in nationalisme. Na haar Haags verblijf voelt ze zich een tijdje enigszins verheven boven het andere Javaanse personeel dat haar spottend ‘de mevrouw die in Holland is geweest’ noemt. Ze ergert zich zelfs aan hun leefstijl en gewoontes. Om kort daarop juist vol trots een bij uitzondering geïnteresseerde oom van Jantje in te wijden in wajang, gamelan en andere Javaanse cultuuruitingen (die ik als kind nog leerde kennen in het Tropenmuseum). Later raakt ze verscheurd tussen solidariteit met Jantjes familie, zeker als die door de Japanners in een kamp wordt gevangengezet en ze ‘haar kind’ dus kwijtraakt, en een groeiend besef dat die Hollanders de baas speelden in háár land. Met haar geliefde Riboet (een schoonheid die ruikt naar zweet, modder en karbouw, net als haar moeder vroeger) droomt ze van een onafhankelijk Indonesië. Als ‘onze leider’ (Soekarno) de bevolking oproept om de Japanners te helpen met het aanleggen van kanalen en spoorwegen waarschuwt ze Riboet toch voor de wreedheid van de Japanners, maar die vindt dat ze te veel met ‘Hollandse ogen’ kijkt. Alima had gelijk: naast de elf- tot achttienduizend Nederlandse burgerdoden vielen er tweeënhalf tot vier miljoen Indonesische (die cijfers worden hier, begrijpelijk, niet gegeven). Als je Soekarno in eerbied voor de Japanse vlag ziet, ‘leve de keizer’, begrijp je enigszins het koloniaal verwijt dat hij collaboreerde met de Nazi-vrienden. Hoe ongelijk de koloniaal ook had.

De film bevat prachtig onbekend materiaal en fascineert. Niet voor niets werd hij de hoogst gewaardeerde Nederlandse lange documentaire op het Idfa en werd hij bekroond in München. Veel beeldmateriaal is niet alleen cultuurhistorisch en antropologisch interessant, maar het vervult een belangrijke inhoudelijke functie, zowel als illustratie als als metafoor binnen de vertelling. Poëtisch wordt hij terecht genoemd. Misschien hier en daar zelfs iets té mooi. De gesproken autobiografie van Alima is ontroerend, maar bevat soms elementen die meer lijken te wortelen in feministisch bewustzijn van later tijd dan in de levensperiode van ‘Alima’.

De kijker denkt door. De nieuwe wereld waar Alima en Riboet (die gedood wordt door de Nederlanders) voor stonden, was er een van sociale gerechtigheid, van onderwijs voor iedereen, voor armen, voor meisjes. En je beseft dat zij, twintig jaar na de onafhankelijkheid, door Alima in rouw bejubeld, mogelijk afgemaakt zouden zijn in Soeharto’s communistenslachting. En je vraagt je af of Alima op haar oude dag de sluier zou moeten of willen dragen. Maar kijk vooral naar Ze noemen me baboe, titel die alleen al een program behelst.


Ze noemen me baboe is terug te zien bij de NTR