Een kolossale kameraad

BENGT JANGFELDT
EEN LEVEN OP SCHERP: DE LEGENDARISCHE DICHTER VLADIMIR MAJAKOVSKI 1893-1930

Uit het Zweeds vertaald door Edith Sybesma (de gedichten door Marko Fondse en Suïntha Uiterwaal) Balans, 544 blz., € 39,95
Nee, lang niet alle dichters zijn prevelende zemelaars die zelfs op hun adjectieven zuinig zijn. Maar slechts weinig dichters hebben een leven dat zo exuberant, in nagenoeg alle opzichten zo buitenmaats is als dat van Vladimir Majakovski (1893-1930). Op zijn zestiende werd hij door het tsarenregime vijf maanden in een isoleercel opgesloten wegens revolutionaire agitatie, drie jaar later stond hij als coauteur van het manifest Een klap in het gezicht van de publieke smaak mee aan de wieg van het Russische futurisme en na de Revolutie van 1917 zou hij, met horten en stoten en ondanks zijn weinig heroïsche zelfmoord, uitgroeien tot een poëtisch icoon van de proletarische heilstaat.
Zo’n figuur roept uiteraard op tot biografische activiteit, maar het heeft tot nu geduurd voor er een boek verscheen waarin Majakovski’s leven en werk recht worden gedaan. Vroegere pogingen waren al te opzichtig hagiografisch, gebaseerd op schaars bronnenmateriaal of te zeer beïnvloed door de soms eenzijdige memoires van kennissen van de dichter. De Zweedse slavist Bengt Jangfeldt, in academische kringen onder meer bekend om wille van een brieveneditie van Majakovski, heeft met Een leven op scherp niet alleen een evenwichtige en overtuigende levensgeschiedenis afgeleverd, zijn werkelijk verbluffende documentatie maakt van dit boek het rijkst gestoffeerde fresco dat ik ken over het artistieke leven in de eerste jaren van de Sovjet-Unie.
Het bij elkaar brengen van deze berg gegevens was beslist niet vanzelfsprekend. De protagonisten leefden in vaak erbarmelijke omstandigheden en later – toen er geld was – reisden ze de halve wereld rond. Sommigen vielen in ongenade, anderen vluchtten naar het buitenland. Door een minutieuze reconstructie op basis van honderden brieven, telegrammen, gedenkschriften, obscure kranten- en tijdschriftpublicaties, pas onlangs vrijgegeven overheidsdocumenten en eigen interviews is Jangfeldt erin geslaagd culturele, politieke en emotionele lagen bloot te leggen die zelfs voor wie erbij was altijd verborgen zijn gebleven.
Over de prerevolutionaire periode is Jangfeldt eerder summier. Aan de eerste 25 jaar van Majakovski’s ook dan erg productieve leven besteedt hij nauwelijks 130 bladzijden, aan de volgende twaalf ruim 350. Over het leven onder de tsaar en tijdens de Eerste Wereldoorlog komen we dus niet zoveel te weten. Ook de eerste jaren van het Russische futurisme worden schaars bedeeld. Dat geldt echter niet voor alle ontwikkelingen en beslommeringen na de Revolutie. Of beter: voor alle gebeurtenissen die we ook door de ogen kunnen zien van de belangrijkste mensen uit Majakovski’s omgeving. Meer dan een biografie van de grote dichter is dit boek immers het verslag van een van de meest turbulente en legendarische driehoeksverhoudingen uit de literaire geschiedenis: Majakovski, zijn beste vriend Osip Brik en diens vrouw en Majakovski’s grote, misschien wel enige echte liefde en muze Lili (met doorlopend op de achtergrond Lili’s jongere zus Elsa, de latere vrouw van Louis Aragon).
Het is een onvergetelijk stel: de onbehouwen, onverzadigbare, aan smetvrees lijdende provinciale reus Majakovski (een meter negentig, schoenmaat 46), even gokverslaafd als genereus, niet minder opvliegend dan zorgzaam, steeds vaker volstrekt in zichzelf opgesloten, gezegend met een ongekend lyrisch talent. Osip en Lili, beiden van rijke joodse komaf, een droompaar zonder seksleven, hij een rustige intellectueel en onnadrukkelijke netwerker (een kwaliteit waarvan ook de veiligheidsdiensten graag gebruik maakten), zij evenzeer een artistiek multitalent, gecultiveerd maar bovenal drijvend op een gouden intuïtie, het soort vrouw dat nagenoeg alle mannen het hoofd op hol brengt en daar principieel promiscue haar voordeel mee doet.
In hun kringen voltrokken zich al voor de Revolutie enkele van de meest ingrijpende culturele omwentelingen uit de moderne tijd. Majakovski was immers niet alleen bevriend met de futuristische gebroeders Boerljoek en de zo mogelijk nog innovatievere dichters Chlebnikov en Kroetsjonych, op een Vastenavondpannenkoekenfeestje bij de Briks richtten Roman Jakobson, Boris Eichenbaum en Viktor Sjklovski in 1917 de ‘Vereniging voor de bestudering van poëtisch taalgebruik’ op, een formalistische club die zou zorgen voor de misschien wel invloedrijkste literatuurwetenschappelijke inzichten sinds Aristoteles. In de entourage van deze beeldenstormers figureerden voorts ook nog de latere Nobelprijswinnaar Boris Pasternak en, in de jaren twintig, fotograaf en allround-kunstenaar Rodtjenko, theatermaker Meyerhold, filmregisseur Eisenstein en componist Sjostakovitsj.
Toch leest dit bijzonder rijk geïllustreerde boek niet (alleen) als een who is who van de sovjet-avant-garde. Het is een meeslepend en in toenemende mate ook tragisch verhaal van een generatie hypergetalenteerde kunstenaars en intellectuelen die op een breukvlak in de geschiedenis de kans krijgen, forceren of grijpen om een nieuwe wereld op te bouwen. Zonder slag of stoot verloopt dit uiteraard niet. Ondanks alle theorieën over de vrije liefde worden er harten gebroken, soms met fatale gevolgen. Hun kunst- en maatschappijtheorieën over het collectieve blijken vaak minder sterk dan hun eigen ego’s en tegen het steeds repressievere staatsapparaat van de Sovjet-Unie zijn ook zij niet opgewassen.
De slothoofdstukken zijn in dat opzicht van een aangrijpende treurigheid. Terwijl Stalin zijn ijzeren greep op de samenleving versterkt en ook goede kennissen van Majakovski geëxecuteerd worden, beseft de eens zo vrijgevochten dichter dat hij verworden is tot een partijfunctionaris. Als propagandamachine en symbool is hij zo belangrijk dat hem een uitreisvisum wordt geweigerd omdat de ‘competente organen’ vrezen dat hij in Parijs met zijn naar daar geëmigreerde liefje Tatjana zal trouwen en in het Westen zal achterblijven. Wanneer zijn toneelstuk Het badhuis wordt neergesabeld, hij zich door zijn collega’s verlaten en verraden voelt, studenten hem bespotten, en na een eindeloze reeks scènes met zijn vriendin Nora trekt de chronisch suïcidale Majakovski het niet langer. Terwijl Osip en Lili in Nederland bloemenvelden aanschouwen, schiet hij zich een kogel door de borst. Zowel zijn leven als zijn werk wordt dan staatsbezit. Jangfeldt geeft dat leven en werk nu terug aan de waarheid. Een grootse prestatie.