Een koning zonder rijk

De wilde begrafenis van kunstenaar en inspirator Peter Giele eindigde in een drama. Zijn beroemdste creatie, discotheek de Roxy in Amsterdam, brandde af. Of de geest van gangmaker Giele voortleeft, is de vraag. (De ‘pomo-generatie’ die hij aanvuurde is aan het desintegreren.

SUBCULTUREEL Amsterdam nam verleden week maandag in grootse stijl afscheid van zijn koning. De uitvaart van Peter Giele was een neo-heidens ritueel, een surrealistisch spektakelstuk dat niet zou misstaan in een James Bond-film, imposant en onheilspellend tegelijk. Surrealistische taferelen op de Amstel, waar Giele’s open kist op een door de lokale Hell’s Angels beschikbaar gestelde boot werd rondgevaren temidden van een bizarre hedendaagse geuzenvloot, met als pièce de résistance een kanon van Dikke Berta-achtige afmetingen, dat in de wijde omgeving een verzengende hitte verspreidde. Al even anarchistisch ging het eraan toe op de begraafplaats, waar het stoffelijk overschot van de op 44-jarige leeftijd aan een hersenbloeding overleden kunstenaar nog even uit de kist dreigde te vallen omdat het reeds gegraven gat te klein bleek. ‘Treur niet!’ riep dichter Jan Willem Be rend, alias de duizenddichter, de menigte toe. 'Beter een dode Giele dan geen Giele.’ De woorden van een collega-dichter waren al even troostrijk: 'Je bent dood, Peter, maar wat is dood, Peter? Een schok van hier tot in het hiernamaals. Dé Giele is dood. Het is net alsof je bent ontploft, een explosie hoog boven Amsterdam. Nieuw Amsterdams peil, opgesplitst in Giele-atomen, die zich verspreiden in ons collectieve bewustzijn. Een soort splitsing, en een soort fusie, een soort energie, Giele-energie.’ Diezelfde Giele-energie zou volgens velen diezelfde dag reeds manifest worden, toen tijdens de herdenkingsplechtigheid in de door Giele in 1987 opgerichte discotheek de Roxy na overmatig gebruik van vuurwerk het gehele etablissement in de as werd gelegd. Veel van de aanwezigen verklaarden later een hogere hand te ontwaren in de vuurzee, alsof Giele over het graf heen nog een grote meestertruc had laten zien. Het afbranden van de Roxy, Giele’s bekendste creatie in het Amsterdamse uitgaansleven, moest volgens hen worden gezien als een soort kunst, een performance waar Giele bij leven en welzijn zelf zo gek op was. Ze verwezen naar Giele’s favoriete motto, Ab igne ignem capare - hetgeen zoveel betekent als: het ene vuur met het andere aansteken - dat hier zo letterlijk mogelijk leek te zijn toegepast. Naaste vrienden van Giele betwisten dat Giele zich zo'n verzengend afscheid gewenst zou hebben. 'Het afbranden van de Roxy is een drama, geen kunst. Peter zou het zelf afschuwelijk hebben gevonden’, meent collega-kunstenaar Harry Heyink, die lang met Giele heeft samengewerkt en die ook actief was in het comité dat Giele’s uitvaart organiseerde. Kunstenaar Bert Wils, die begin jaren tachtig met Giele samenwerkte in het roemruchte gekraakte kunstcentrum Aorta: 'Peter was helemaal niet zo'n pyromane maniak. Ik herinner me nog een performance van “vuurkunstenaar” Eric Hobijn, die op een dag verschrikkelijk gevaarlijk in de weer was met een brandende vloeistof. Ik weet nog hoe Peter daar heel verontwaardigd over was, omdat het publiek in gevaar werd gebracht. De brand in de Roxy was helemaal nergens goed voor, en het is onzin als mensen zeggen dat Peter dit zou hebben gewild. De enige partij voor wie die brand goed uitkomt is de politie.’ Dat laatste zou wel eens waar kunnen zijn. Kennelijk aangemoedigd door het afbranden van de Roxy stuurde commissaris van politie Jelle Kuiper enkele dagen later zijn grootste boeman - te weten Ad Smit, voormalig neighbourhood bully van de Bijlmermeer - naar die andere poel des verderfs, het decadente danspaleis iT, dat een ware razzia van de narcoticabrigade en de Fiod te verwerken kreeg en naar alle waarschijnlijkheid de poorten zal moeten sluiten. In die zin markeren de dood van Peter Giele en de teloorgang van de Roxy misschien wel voor alles de overgang naar een on-Amsterdams tijdperk van repressie. MENSEN TOT ELKAAR brengen, atmosferen scheppen, trends zetten - dat was de grote specialiteit van Peter Giele. Hij was de Andy Warhol van Amsterdam: zoals Warhol in de jaren zestig in New York zijn kunstfabriek openstelde als permanente feestruimte voor de subcultuur, zo creëerde Giele in het Amsterdam van de jaren tachtig vrijplaatsen als Aorta aan de Nieuwezijds Voorburgwal, W139 in de Warmoesstraat, het Cultureel Genootschap de Donkere Kamer (CGDDK) aan de Spuistraat en natuurlijk de Roxy, een voormalige pornobioscoop die, eenmaal verbouwd in die typische barokke Giele-stijl de ultieme danstempel zou worden van het postmoderne hedonisme. 'Peter had een enorme invloed, zonder dat dat uitvloeide in machtswellust, want daar had hij een hekel aan’, zo meent 'cultureel projectontwikkelaar’ Heyink, onder meer docent aan de Rietveld-academie. 'Hij was een leider zonder macht, iemand die sturend optrad zonder dat anderen dat merkten. Hij had charisma, was tegelijkertijd ingetogen en expressionistisch. Bovendien, misschien nog wel het belangrijkste van alles, had Peter totaal geen last van vooroordelen of ook maar het minste sprankje cynisme. Door die open geest was hij de aangewezen man om creatieve geesten van allerlei pluimage bij elkaar te brengen, die vervolgens hun creativiteit in alle vrijheid konden botvieren.’ Giele was voor alles een inspirator. Nadat hij zelf het schilderen eraan had gege ven en zich meer en meer toelegde op het creëren van culturele en sociale vrijplaatsen, ontpopte hij zich tot vormgever van een hele kunstgeneratie. Legendarisch is het Cultureel Genootschap de Donkere Kamer (CGDDK), dat eind jaren tachtig tal van schilders, dichters en schrijvers bij elkaar bracht en in de koortsachtige verbeelding van de nieuwsgierige buitenwereld een soort sekstempel was, kennelijk omdat happy hooker Xaviera Hollander ook weleens van de partij was. Het besloten gezelschap telde nooit meer dan honderdtien leden, die ieder een speciale penning droegen en uitgedaagd werden met vernieuwende lezingen of performances te komen. Harry Heyink: 'In de CGDDK kwam je mensen tegen die later heel veel zouden betekenen voor kunst en cultuur. Rob Scholte, Paul Blanca, Joost Zwagerman en Koos Dalstra, maar ook iemand als Paul Groot, of Atte Jongstra en de schilder Sierd Dalling. De leden dronken allemaal uit een eigen roestvrijstalen beker met hun lidmaatschapsnummer erop. Vernieuwing, tot het uiterste gaan, was eigenlijk wat de mensen daar bond. Mij staat nog heel helder de performance How to eat human meat van Fredy Beckmans voor de geest, of de zes uur durende lichtshow over Italiaanse begraafplaatsen van Ronald van Tienhoven. Zowel in de Donkere Kamer als in de Roxy voelde Giele zich als een vis in het water. Voor het grote publiek is de Roxy natuurlijk het bekendst, maar ik denk dat Giele met de CGDDK datgene deed waar hij het beste in was: het in gang zetten van een beweging, een kunststroming als je wilt. Hij is eigenlijk een van de peetvaders van het postmodernisme zoals dat medio jaren tachtig in Amsterdam opbloeide. Dat is zijn grootste prestatie geweest.’ Een ander onbetwist hoogtepunt van Giele was Aorta, door de krakers van het Handelsblad-gebouw in bruikleen afgestaan aan jonge kunstenaars. Begonnen als expositieruimte voor kunstenaars die nergens aan de bak kwamen, groeide Aorta al snel uit tot een kunsttempel op zich, waar gerenommeerde kunstpausen stonden te dringen. De vraag is of Giele’s 'pomo-generatie’ de tand des tijds zal overleven nu hijzelf als belangrijkste gangmaker, als bindende factor, is komen te vervallen. Giele’s hofhouding is meer dan eens omschreven als een verloren generatie, die 'danste op de vulkaan’, die in was voor het exces, die opperhedonistisch opereerde en voorbij de moraal was, vooral gericht op het overschrijden van grenzen, met zwart-romantische voorkeuren voor sm-fetisjisme en druggebruik als meest in het oog springende attributen (hoewel peetvader Giele zelf geen dope gebruikte, hij was 'al stoned genoeg van zichzelf’). In de poëzie weerklonk het evangelie van Giele via de Maximalen, in de schilderkunst waren het de Nieuwe Wilden. Joost Zwagerman schreef met Gimmick! (1989) het boek dat als een sleutelroman van die kunststroming en haar voornaamste protagonisten mag worden gelezen. Deze hele, ooit zo enthousiaste en vernieuwende constellatie is anno 1999 aan het desintegreren, met de affaire-Scholte als opvallendste symptoom. Enkele dagen na het uitbranden van de Roxy en de wilde uitvaart van Peter Giele, vorige week vrijdag, begon voor de Amsterdamse rechtbank het eerste bedrijf van de rechtszaak die het heftige uiteenvallen van Giele’s postmoderne rijk beter dan wat ook illustreert. In de hoofdrol twee kunstenaars die in Giele’s hoogtijdagen in Amsterdam nog innig samenwerkten en die elkaar nu de ernstigste verwijten naar het hoofd slingeren. Met deze rechtszaak wil Koos Dalstra, oprichter van de dichtersbent de Maximalen, bereiken dat Scholte wordt veroordeeld vanwege zijn eerder gedane beschuldigingen dat Dalstra op enigerlei wijze betrokken was bij de bomaanslag op Scholte’s auto, vijf jaar geleden in Amsterdam. Het belooft een slopend proces te worden, nu de rechter heeft gelast dat Dalstra zijn dagboeken moet laten inspecteren op tekenen van animositeit jegens Scholte. Als dat een precedentwerking heeft, moet straks misschien wel de hele fine fleur van artistiek Amsterdam zijn dagboeken inleveren. Schriller had de broederstrijd onder de gewezen kampioenen van het Amsterdamse postmodernisme niet kunnen worden verbeeld.