Obama’s kernwapenvrije wereld

Een kooi met open deur

President Obama’s belofte van een wereld zonder kernwapens is geen dagdromerij, maar het resultaat van een nieuwe Amerikaanse visie op de wereld. Europese reacties verraden angst om uit de zelfgemaakte kooi te stappen die wederzijdse afschrikking heet.

Medium 090414 kernwapens

TIJDENS ZIJN EUROPESE tournee veroorzaakte de Amerikaanse president Barack Obama een pavlovreactie op het Oude Continent door vergezichten over een vreedzamer toekomst te ontvouwen. Op een volgepakt plein in Praag noemde Obama het bestaan van duizenden kernwapens ‘de gevaarlijkste erfenis van de Koude Oorlog’ en betuigde hij ‘Amerika’s toewijding aan de vrede en veiligheid van een wereld zonder kernwapens’. Het viel veelal in het bekende bedje van wereldwijsheid en cynisme dat al in Europa is gespreid sinds Woodrow Wilson na de Eerste Wereldoorlog op zijn oceaanstomer stapte: Europeanen begrijpen nou eenmaal beter dat iedereen alleen zijn eigen belang dient, en die kernwapenvrije wereld komt er nooit. Dus waarom doen alsof?
Het is een reactie die realisme suggereert en een gezonde scepsis over mooi pratende staatsmannen als Obama. In werkelijkheid suggereert het eerder een gebrek aan geheugen, een gebrek aan kennis van de breedte van Obama’s programma en de onwil om te accepteren dat de wereld sinds de Koude Oorlog veranderd is.
Wat het gebrek aan geheugen betreft noemde een eerdere Amerikaanse president kernwapens ‘compleet irrationeel, totaal inhumaan, voor niets geschikt behalve om te doden, en een bedreiging voor de beschaving en het leven op aarde’. Ronald Reagan, die deze woorden sprak, schokte de voltallige Amerikaanse politieke en militaire top door met zijn tegenhanger Gorbatsjov bijna zijn handtekening te zetten onder de totale afschaffing van alle Amerikaanse en Russische kernwapens. Toen dat van tafel was, sloot Reagan de eerste akkoorden die ’s werelds kernwapenvoorraad omlaag brachten van een absurde zeventigduizend stuks in 1986 tot eenderde daarvan nu. Met andere woorden: als een Amerikaanse president zegt dat hij van kernwapens af wil, is het verstandig dat serieus te nemen.
Wat het gebrek aan kennis betreft was Obama’s toespraak in Praag geen tussendoortje om makkelijk applaus te scoren, maar een voortzetting van beleid waar hij al jaren aan werkt. Als senator diende Obama de Nuclear Weapons Threat Reduction Act in (die nooit wet werd) om internationale samenwerking tegen nucleaire proliferatie te versterken en in zijn verkiezingsprogramma was veel ruimte ingeruimd voor de ‘nucleaire paragraaf’, waarin hij ook al het doel van een kernwapenvrije wereld omarmde. Obama heeft het niet bij woorden gelaten: hij heeft met de Russische premier Medvedev afgesproken binnen een jaar een nieuw wapenreductieakkoord te sluiten, hij heeft het Verdrag tegen Kernproeven opnieuw aan het Congres voorgelegd (dat was in 1999 door de VS verworpen) en hij heeft de organisatie van een internationale conferentie over nucleaire proliferatie naar zich toe getrokken.

ALLE REDEN DUS om Obama’s toespraak in Praag niet als een laatste proefballonnetje te beschouwen, maar als blauwdruk voor het Amerikaanse kernwapenbeleid voor de komende jaren. Twee zaken zijn dan al meteen grote winst voor de wereld als geheel. Ten eerste zal Obama’s opstelling vrijwel zeker tot minder kernwapens in de wereld leiden: Rusland wil dat al sinds de jaren negentig, maar eerst hield het Amerikaanse opperbevel de boot af en daarna de regering-Bush. Het Start-III-verdrag tussen Rusland en de Verenigde Staten, met een bovengrens van duizend tot vijftienhonderd voor operationele wapens, lijkt nu een kwestie van tijd.
Linksom of rechtsom is dat goed nieuws: minder kernwapens betekent automatisch meer veiligheid, want alleen al hun bestaan impliceert een voortdurend gevaar van diefstal, sabotage of onbedoelde lancering. De geschiedenis van bijna-fouten, ongelukken en close calls van de afgelopen decennia is wat dat betreft lang, onaangenaam en soms ronduit absurd: zo is de nucleaire veiligheid in gevaar geweest door in defensiecomputers achterblijvende oefentapes, een in een nucleaire basis in Minnesota inbrekende beer, een al weken eerder aangekondigde Noorse weerraket, een vlucht ganzen, de opkomende maan, veel neerstortende gevechtsvliegtuigen (die zo’n vijftig atoombommen op de zeebodem achtergelaten hebben), ontploffende satellieten en nog veel meer onrustwekkends. En het enorme Russische arsenaal is sinds de Koude Oorlog alleen maar langer over zijn beoogde levensduur heen gegaan en wordt al bijna twintig jaar twijfelachtig beveiligd.
Ten tweede onderstreept Obama’s beleid dat de VS hun internationale verdragen weer serieus nemen. Zijn ‘wereld zonder kernwapens’ is namelijk niet een vage toekomstdroom, maar een overeenkomst waar al meer dan veertig jaar een Amerikaanse handtekening onder staat, in de vorm van het Non-Proliferatie Verdrag (NPV). Obama wil dat door 189 landen ondertekende en verbijsterend effectief gebleken verdrag centraal stellen in het Amerikaanse nucleaire beleid. Bush jr. gaf zoals op elk terrein de voorkeur aan bilaterale nucleaire verdragen, en gaf het NPV bijna de nekslag met een aparte overeenkomst tussen de VS en India. Maar Obama lijkt het NPV te hebben gered en wil in internationaal verband de verspreiding van kernwapens tegengaan.
De president moest daarvoor wel over de brug komen. Het NPV had al decennialang aan geloofwaardigheid verloren omdat kernwapenlanden hun deel van het verdrag aan hun laars lapten. Het verdrag verbiedt landen zonder kernwapens namelijk om ze te verkrijgen, maar verplicht ook kernwapenlanden om hun arsenalen te reduceren en uiteindelijk helemaal af te schaffen. Omdat hij wil dat andere landen zich aan hun deel van het verdrag houden, bekrachtigt Obama de Amerikaanse verplichtingen van het verdrag – een totale stijlbreuk met Bush, een verademing en een opmaat voor een aanpak waarmee de VS de rest van de wereld wél mee (willen) krijgen.

VOOR EUROPA en de wereld is Obama’s kernwapenbeleid dus een grote stap vooruit ten opzichte van de vorige Amerikaanse regering, die zich eenzijdig uit het Anti-Ballistische Raketten Verdrag terugtrok, Europa een niet-werkend raketschild opdrong, geen nieuwe reductieverdragen met Rusland wilde sluiten en werkte aan een nieuwe generatie ‘slagveldkernwapens’ met een lage instapdrempel om de Tora Bora’s van de 21ste eeuw plat te gooien. Maar liever dan op die vooruitgang gingen Europese commentaren in op de geloofwaardigheid van Obama’s kernwapenvrije vergezicht, en kwamen doorgaans tot de conclusie dat een kernwapenvrije wereld onmogelijk was of zelfs onwenselijk. Dat laatste omdat het feit dat we tijdens de Koude Oorlog niet allemaal zijn opgeblazen bewijst hoe veilig en noodzakelijk kernwapens zijn.
Die analyse is te pover en te zeer vastgeroest in de wereld van gisteren. Het nieuwe Amerikaanse kernwapenbeleid is namelijk geen dagdromerij, maar is gebaseerd op het besef dat de nucleaire afschrikking die tijdens de Koude Oorlog haar werk deed geen realistische langetermijnstrategie is, omdat een massale aanval met duizenden kernkoppen uit een ander land niet meer het grootste nucleaire gevaar is. Het nieuwe beleid wordt ingegeven door een wereld waarin het procédé voor een kernbom (en het uit Almelo gestolen procédé voor uraniumverrijking) via Pakistan en Noord-Korea in een zwart circuit terecht is gekomen, waarin meer landen kernwapens zullen hebben, waarin staten macht zullen verliezen en minder greep zullen hebben op het verkeer van mensen en goederen, waarin kernenergie belangrijker en wijder verbreid wordt, waarin terroristen massavernietiging nastreven en waarin organisaties belangrijker vijanden kunnen zijn dan staten.
Met het oog op die verandering is in de Verenigde Staten de afgelopen jaren een nieuwe consensus over nucleaire veiligheid gegroeid, die in 2007 culmineerde in de oproep van de drie oud-ministers Kissinger, Perry en Schultz om te streven naar veiligheid via een kernwapenvrije wereld in plaats van veiligheid via het grootste kernarsenaal. Het is bepaald geen trio dat bekend staat als een rijtje dromers; met name Henry Kissinger is de belichaming van machtsrealisme in de Amerikaanse buitenlandse politiek. Wat met hun oproep te doen?
De Europese reacties op de oproep van de oud-ministers waren al even tekenend als de reacties op Obama’s plan. De oproep werd weggezet als een aanval van naïef idealisme bij staatsmannen die op de eindstreep van hun leven staan. Maar de werkelijkheid was anders: de oproep was gebaseerd op een coherent strategisch toekomstbeeld. Kissinger en zijn kompanen voorzagen een ‘nieuw nucleair tijdperk’, gekenmerkt door de proliferatie van kernwapens naar landen met rudimentaire arsenalen en gebrekkige commandostructuren, plus de opkomst van niet-statelijke vijanden. ‘Nucleaire wapens waren essentieel om internationale veiligheid te behouden tijdens de Koude Oorlog’, schreven de drie, ‘maar vertrouwen op [wederzijdse] afschrikking door kernwapens wordt steeds gevaarlijker en is steeds minder effectief.’

IN DIT LICHT bezien zijn de Europese reacties op de Amerikaanse toekomstplannen alleen nog maar dun en gemakzuchtig. Hoe vaak we ook willen herhalen dat nieuwe Amerikaanse ideeën over nucleaire veiligheid dromerij zijn, feit is dat ze zijn gebaseerd op een coherente strategische toekomstanalyse die sterk beïnvloed is door de aanslagen van 11 september 2001, of we het met die analyse eens zijn of niet. En feit is ook dat daar geen Europese consensus tegenover staat over hoe de wereld van morgen eruitziet en hoe ons veiligheidsbeleid daarop moet anticiperen.
Het is zelfs gênanter: de Europese reacties op de Amerikaanse toekomstvisies suggereren eerder dat we bezig zijn de vorige oorlog te winnen. De Koude Oorlog, om precies te zijn, waarin de tienduizenden Amerikaanse atoomwapens een derde wereldoorlog zouden hebben voorkomen (overigens een onbewijsbare stelling, terwijl wél kan worden bewezen dat Europa en misschien de hele wereld verwoest zouden zijn áls het fout was gegaan).
Wat in Europese analyses maar niet lijkt door te dringen, en wat wel is doorgedrongen tot Kissinger, Schultz en Obama, is dat de kernmachten van morgen geen Kremlin heten, met zijn ijzeren discipline en strak georganiseerde staat. Het zijn landen zoals Pakistan, waar volgens een anonieme bron ‘totale chaos’ heerste in de politieke en militaire top tijdens de confrontatie met India in 2001: functionarissen en militairen renden letterlijk rond met verschillende nucleaire plannen zonder dat iemand precies wist waar de autoriteit over het kernarsenaal lag. Het stalen-zenuwenspelletje, waar wederzijdse afschrikking op neerkomt, is in zo’n wereld geen geloofwaardige nucleaire strategie meer. Zeker niet als nucleaire veiligheid, zoals in de Amerikaanse analyses, niet als het eigen hachje wordt gedefinieerd maar als de veiligheid en stabiliteit van een geïntegreerde wereld.
De Europese onwil om wederzijdse afschrikking overboord te zetten doet denken aan dieren die de geopende deur van hun kooi niet uit willen lopen omdat het daarbuiten nieuw en eng is. Wederzijdse afschrikking ís een kooi: een gijzelingssituatie op mondiale schaal die kennelijk de intimiderende kracht heeft om mensen ervan te overtuigen dat ze nodig is om ze veilig te houden. Obama heeft in drie maanden tijd al meer initiatief getoond om de wereld uit die kooi te leiden dan Clinton en Bush jr. in zestien jaar. Misschien moet het beestje naar buiten worden geduwd. Obama wekt de indruk dat hij dat zal doen als het nodig is.