Tegenwoordig zouden Madame Bovary en Anna Karenina gewoon naar een psychiater gaan en daar medicijnen voorgeschreven krijgen. Ze zouden niet meer hoeven te sterven, hun verhalen zouden kunnen eindigen met een sprankje hoop: hoop op een beter bestaan en een betere toekomst, dat is waar we tegenwoordig van houden.

Het tragische is uit de kunsten verdwenen, schrijft Herbert Marcuse in De eendimensionale mens, omdat het tragische uit de samenleving is verdwenen. We hebben het probleem van de buitenstaanders en afwijkingen opgelost door ze te reïntegreren. Te normaliseren. Onder andere met behulp van psychiaters en medicijnen. Marcuse komt zelf met het voorbeeld van Emma Bovary, en Don Juan en Hamlet en Faust: allemaal zouden ze nu ‘genezen’ worden. Maar daarmee, stelt Marcuse, blijft dus ook ‘de vernietigende kracht van de normaliteit buiten beeld’. Want Emma Bovary ging natuurlijk ten onder aan de mores van haar tijd, aan dat wat als normaal werd beschouwd, het probleem lag in de samenleving, niet in haar.

Volgens Marcuse is het nu juist de taak van kunst om die normaliteit aan te klagen. Ze moet de onverenigbaarheid tonen van het individu en de samenleving als geheel. Ze moet vervreemding opwekken, zo een andere dimensie openen en daarmee een kiem van protest vormen tegen de wereld zoals hij is. Vandaag de dag lijkt alles in de kunsten echter te draaien om inleving, ze doen vooral nog dienst ‘als instrumenten voor sociale samenhang’.

Als ik Marcuse tenminste goed begrijp, en dat is niet helemaal zeker, want De eendimensionale mens is een vrij onleesbaar boek met ellenlange zinnen die je vijf keer moet lezen voordat je ze begrijpt. Of voordat ik ze begrijp in elk geval. De afgelopen maanden heb ik me erin vastgebeten voor een boek waarin ik Marcuse’s licht probeer te laten schijnen op de Apocalyps, miljardairs die naar Mars willen, waanzin, hippies, sociale media en kwantummechanica, wat misschien wat veel is (nee, hoe voller, hoe beter!), maar inmiddels weet ik niet meer zeker of ik de materie nog wel beheers. Al zou Marcuse dan weer zeggen dat ik dat ook helemaal niet moet willen, iets beheersen, laat staan om ergens over te heersen.

Schrijvers en filmers stellen zich maar al te vaak op als psychiaters

Er zijn weinig citeerbare zinnen te vinden in De eendimensionale mens, maar deze vind ik erg mooi: ‘Dat is het wonder van het meesterwerk: het is de tragedie die tot het laatst toe wordt volgehouden, en het einde der tragedie – de onmogelijke oplossing ervan. Te leven naar je liefde en haat, te leven zoals je bent betekent een nederlaag, berusting en dood. De misdaden der samenleving, de hel die de mens voor de mens heeft geschapen, worden onoverwinnelijke kosmische krachten.’ Hij heeft gelijk, tegenwoordig zijn er nog maar weinig kosmische krachten te vinden in de kunsten, protagonisten sterven niet meer. Makers menen te moeten verbinden, ze hameren op het belang om te luisteren, lief te hebben en samen sterk te zijn. Literatuur is goed voor je, wordt vaak gezegd, omdat je je leert inleven in een ander. Alsof kunst een medicijn is.

Nog een mooie zin: ‘De oeuvres van vervreemding worden ingelijfd en ingezet ter verfraaiing en psychoanalysering van het gewone leven. Ze worden reclameboodschappen – verkopen iets, winden op of schenken rust.’

Die psychoanalysering van het gewone leven is raak. Dat is sinds Marcuse’s tijd alleen maar erger geworden, schrijvers en filmers stellen zich maar al te vaak op als psychiaters die de innerlijke krachten van hun protagonisten proberen bloot te leggen en willen analyseren. Een van de redenen daarvoor is, denk ik zelf, dat we tegenwoordig gewoon te veel weten over psychologie. Bijna iedereen kent begrippen als cognitieve dissonantie, het onderbewuste en bindingsangst die eigenlijk verlatingsangst is. Bijna iedereen heeft ook weleens Oprah Winfrey of Dr. Phil gezien: daar zaten Emma en Anna gewoon op de bank te vertellen hoe het was om een affaire te willen of er een te hebben, de schuld en de schaamte die ze voelden, en hoe ze daarna weer in het reine kwamen met zichzelf. Vooral bij scenarioschrijvers, weet ik uit ervaring, gaat het eindeloos over de needs and wants van karakters, want: character is story.

‘Wij dachten gewoon niet over onszelf na’, zei mijn moeder onlangs. Tegenwoordig denken we alleen nog maar over onszelf na. In de hoop de frictie tussen onszelf en de wereld, het individu en de maatschappij, eindelijk op te kunnen lossen. Om onszelf als het ware te genezen. Liefst met behulp van inspirerende films en boeken waaraan we ons kunnen spiegelen. Er bestaan geen kosmische krachten meer, wij hebben alles zelf in de hand. De natuurlijke clash tussen ego en samenleving is opgeheven, schrijft Marcuse, we willen erbij horen.

Kunst is haar antagonistische kracht verloren, ze is geïntegreerd en ingelijfd. Er spreekt geen besef meer uit van het vreemde, het onbegrijpelijke en het ondeelbare. Ze opent geen dimensie meer ‘in mens en natuur die niet te veroveren valt’. Voor Marcuse draaide alles om een verzet tegen die verovering, tegen beheersing en overheersing. Want de eendimensionale mens mag dan denken dat hij zichzelf kent, dat hij de wereld kent, en dat hij mens en natuur daarom ook kan beheersen, maar uiteindelijk zal juist dit idee leiden tot een tragedie van kosmische proporties.