Een koude kermis

De literaire pelgrim, op bedevaartstocht naar geboorte- of sterfhuis van de bewonderde schrijver, is een even benijdenswaardige als beklagenswaardige figuur. Benijdenswaardig, want hij heeft een doel en dat doel deelt hij niet met jan en alleman (als de bewonderde schrijver niet tot de categorie Brontës behoort). Beklagenswaardig, omdat de tocht per definitie vergeefs is. Als er al iets te traceren is, een woning, een tuin, een uitzicht, dan is het niet zoals het geweest moet zijn, of niet zoals men zich het had voorgesteld. Die verrukkelijke deceptie maakt literaire pelgrimages tot meeslepende lectuur.

‘Daar stonden we, aan het eind van ons latijn. We zochten al meer dan een uur, we wisten waar het ongeveer moest zijn, maar geen sterveling kon ons verder helpen.’ In dit geval is het Rudy Kousbroek, op zoek naar de vroegere woning van de Griekse dichter Kavafis in Alexandrië. Van vergeefs ronddolen op de plaats van bestemming weet iedere bedevaartganger mee te praten. Meestal komt op zo'n moment wel een stokoud mannetje in pyjama naar buiten zetten, of een tandeloos vrouwtje in jasschort. Geen van beiden heeft ooit gehoord van de persoon in kwestie, maar met een beetje geluk wordt er wel een fles van het een of ander eigengebrouwen vocht op tafel gezet. Waarop het toch nog een lange dag kan worden.
Tessa de Loo drinkt vooral veel kruidenthee als ze in Albanië is. Waarschijnlijk had zij wel wat sterkers kunnen gebruiken gedurende haar tocht, maar de eerste Albanese maaltijd die ze nuttigt blijft de rest van haar reis zo zwaar op de maag liggen dat ze nog maar weinig kan hebben. 'Waarom uitgerekend naar Albanië, of all places?’ vraagt ze zich na vele beproevingen retorisch af. Het antwoord is duidelijk. Ze reisde naar dit ontoegankelijke land in navolging van de Engelse dichter Lord (George) Byron die er in 1809 was. Een varken in het paleis is het verslag van haar reis, en ook een beetje van die van Byron. En waarom uitgerekend Lord Byron, of all people, vraag ik me iets minder retorisch af. Jammer genoeg wordt haar fascinatie voor deze dichter niet echt navoelbaar in dit boek, wat voor zo'n persoonlijk genre als de literaire pelgrimage op z'n zachtst gezegd iets kaals heeft. De intimiteit die De Loo suggereert door Byron consequent direct aan te spreken ('Jij zou je niet uit het veld hebben laten slaan door zo'n vlinder’; 'Rook je de bedwelmende geur van de bloeiende klimop die de muren rondom de tuin bedekt?’), lijkt daardoor nergens op gestoeld. Wat bedoeld is als een middel om een brug te slaan tussen toen en nu ('Jij zou je in de verste verte geen voorstelling kunnen maken van de situatie waarin ik me, in het Albanië van nu, bevond. Hoe zou ik je dat kunnen uitleggen?’), blijft het hele boek door een onhandige stijlfiguur. Buiten dat heeft zo'n soort overbruggingspoging iets naïefs. Lief, maar naïef.
Zestien was Tessa de Loo toen ze getroffen werd door een portret van Byron in haar Engelse leerboek. 'Terwijl mijn klasgenoten foto’s van James Dean uitwisselden, gluurde ik in het literatuurboek naar mijn dode dichter.’ Die 'dweepzieke tiener’ huist vijfendertig jaar later nog steeds in de vastberaden reizigster die stoer op haar paard springt in de Albanese bergen. Alleen geldt dat gedweep niet zozeer een dode dichter, als wel een dode cultuur in het algemeen.
Tessa de Loo hoopt in Albanië een land en zijn bewoners te kunnen betrappen in hun pure vorm. Ze hoopt dat er 'niets veranderd’ is. Dat er geen asfalt zal zijn, geen hotels en geen restaurants en al helemaal geen toeristen. Nu blijkt er inderdaad weinig te zijn in Albanië, afgezien van politieagenten, maar dat heeft met andere zaken te maken. Desondanks treft De Loo zich af en toe aan op een terras achter een Amstelbiertje ('Dat ik zover had moeten reizen om in de binnenlanden van Albanië Amstel te moeten drinken!’), of hoort ze in een vervallen huisje opeens onmiskenbaar Amerikaanse televisiegeluiden. Steevast stemt dit soort gebeurtenissen haar tot nadenken over de vooruitgang die geen vooruitgang is.
Op haar best is de schrijfster als ze even loskomt van die 'ziekelijke hang aan het verleden’ (zelfspot!) en zichzelf en haar omgeving met enige distantie gadeslaat. De beschrijvingen van haar sanitaire avonturen, de onderhandelingen met een steeds woester wordende paardenman en terloopse observaties van passanten ('Dun als een aanmaakhoutje liep ze breiend van A naar B, zonder acht te slaan op gaten of uitsteeksels in het pad.’) behoren tot de beste stukken van het boek. De hoofdstukken waarin ze uitweidt over de reis van Byron toen, zijn daarentegen behoorlijk saai. Al die ditjes en datjes worden nooit meer dan dat. Hoogtepunt tóen was het bezoek aan het paleis van de Albanese tiran Ali Pasja, die graag adellijk bezoek over de vloer had. Byron deed uitvoerig verslag van dit bezoek in een brief aan zijn moeder. Voor Tessa de Loo is dit ook het einddoel van de reis: het schitterende oriëntaalse paleis van Ali Pasja in Tepelenë te kunnen bewonderen.
Het kan niet anders of iemand met verwachtingen als die van Tessa de Loo ('Waarom was de wereld niet meer zo kleurrijk als toen?’) komt van een zeer koude kermis thuis. Misschien is het dan ook door wanhoop ingegeven dat de schrijfster aan het eind van haar boek een wel heel malle move maakt. 'Ga weg, twintigste eeuw’, heeft ze nog even daarvoor in zichzelf gepreveld. 'Verdwijn, negen decennia van de negentiende eeuw. Laat me de herfst van het jaar 1809 binnengaan.’
En ja, daar gaat ze. Ook op bezoek bij Ali Pasja, die haar verstoord vraagt wie ze is. 'Ik ben een gezant uit het koninkrijk Holland’, zegt ze dan, een diepe buiging makend, 'en ik ben vanuit het einde van de twintigste eeuw hiernaartoe gereisd om, met uw welnemen, uw zeer vereerde gast Lord Byron van dichtbij te zien en zijn stem te horen.’ En Byron? 'Jij tilde je wenkbrauwen op, verwonderd, onverschillig - voor jou was ik een van de rariteiten hier aan het hof.’ De literaire pelgrimage is uiteindelijk niet méér geworden dan het najagen van een hersenschim. Van een dichter die dood blijft.