Media

Een krantenloze jeugd

En weer was er die verzuchting, een dag of wat geleden, uit de mond van een wat oudere journalist, dat ‘jongeren vandaag de dag geen krant meer lezen’, op een toon die suggereert dat het einde van de beschaving nakende is.

Dit soort defaitistische uitlatingen - waarvan ook sommige uitgevers zich bedienen in hun pleidooi voor overheidssteun, alsof ze wérkelijk geïnteresseerd zijn in kwaliteitsjournalistiek - wordt zelden op hun waarde getoetst, laat staan de mogelijke gevolgen daarvan. Want zijn jongeren werkelijk zo weinig geïnteresseerd in nieuws? Zijn ze slechter op de hoogte van wat er in de wereld gebeurt dan - pak ’m beet - veertig jaar geleden, een periode die door velen wordt gezien als hoogtepunt van jeugdig engagement?
Wie goed om zich heen kijkt zal zich - nog onkundig van recent empirisch onderzoek van het mediagebruik door jongeren - onmiddellijk realiseren dat de omstandigheden vandaag de dag volstrekt anders zijn dan een paar decennia geleden. De betekenis van de krant werd tot voor kort voor een belangrijk deel bepaald door de beperkte beschikbaarheid van andere middelen. Wat de omroep betreft strekte het aanbod tot diep in de jaren tachtig immers niet verder dan twee televisiekanalen - die doorgaans niet meer dan een uur of zes per dag te zien waren - en een handjevol publieke radiozenders en piratenstations. Ook als het ging om tijdschriften was de keuze beperkt; woonde je op het platteland, dat moest je voor een eigenzinnig blad als Hitweek of Aloha met de brommer naar een kiosk in de stad.
In die betrekkelijke leegte was het dagblad een baken van kennis en informatie, of het nu ging om de lokale en internationale politiek of de wekelijkse bioscoopladder, predikbeurten of voetbaluitslagen. Zowel de landelijke als de regionale kranten - die overigens qua diepgang en omvang van het harde nieuws niet beter waren dan vandaag de dag - vervulden dus een heel assortiment van functies; alleen om die reden al moet ‘het lezen van een krant’ vandaag de dag begrepen worden als een heel ander soort bezigheid dan in de jaren zestig en zeventig. Anders gezegd: veel mensen, jong of oud, lazen de krant in die jaren om heel andere redenen dan uit interesse voor nieuws uit binnen- of buitenland.
In vergelijking met de gouden jaren van de dagbladpers ziet de mediawereld van de jongeren er nu totaal anders uit. Het lezen van kranten - wat ze, in tegenstelling tot wat dikwijls wordt gesuggereerd, nog wel degelijk doen - vormt daarvan slechts een onderdeel, soms niet meer dan een flinter van hun tijd.
In hun onderzoek Jongeren, nieuwsmedia en betrokkenheid (2010) komen de Zwolse onderzoekers Nico Drok en Fifi Schwarz tot twaalf minuten als de tijd die jongeren van 15 tot 29 jaar gemiddeld per dag aan papieren en digitale kranten besteden. Dat is niet veel, maar tegelijk besteden dezelfde jongeren ruim anderhalf uur per dag aan nieuws op andere platforms, zoals radio en televisie, nieuwssites, blogs en video sharing. Zo bezien lijkt het geen gewaagde stelling dat jongeren vandaag de dag meer actuele informatie tot zich nemen dan de geëngageerde generaties in de jaren zeventig en tachtig.
Maar dat is misschien niet de belangrijkste conclusie die uit een degelijke studie als Jongeren, nieuwsmedia en betrokkenheid kan worden getrokken. Wat de situatie zo volstrekt anders maakt, is het feit dat wij - de jongeren voorop - tegenwoordig permanent omgeven zijn door media, waaruit we het nieuws als het ware bij elkaar grazen; 'nieuwsconsumptie’ is, kortom, nauwelijks te isoleren van andere activiteiten. Zelfs Drok en Schwarz kunnen daar de vinger niet achter krijgen, want de tijd die jongeren doorbrengen met chatten, twitteren, sms'en en sociale sites blijft in hun onderzoek buiten beeld, terwijl ook daaraan onmiskenbaar nieuwsaspecten kleven.
Wie meent de teruglopende aandacht van jongeren voor betaalde, gedrukte kranten te kunnen isoleren uit de mediabiotoop waarin wij leven, mist, kortom, de essentie van de hiervoor geschetste veranderingen - en dreigt daarmee de kern van de zaak uit het oog te verliezen, want niet de papieren krant, maar de professionele journalistiek in dienst van de publieke zaak dient in de discussies centraal te staan. En juist op dat punt bieden verschillende onderzoeken perspectief: ook de grazende jeugd blijkt een scherp oog te hebben voor context, diepgang en kwaliteit, en de belangstelling daarvoor groeit naarmate ze meer betrokken is en ouder wordt.
Dat is een mooier uitgangspunt dan klagen over de teloorgang van de papieren krant onder jongeren. De Zwolse onderzoekers adviseren dan ook 'in discussies over het mediamenu van jongeren meer aandacht te geven aan de maaltijd en wat minder aan het bestek’.