Een kras in het spiegelglas

I. A. Boenin, Verzamelde werken, deel 1. Vertaald uit het Russisch door Margriet Berg en Marja Wiebes. Uitgeverij G. A. van Oorschot, 613 blz., f95,-.
De jury - Graa Boomsma, Yves van Kempen, Xandra Schutte en Jacq Vogelaar - koos deze keer Boenins Verzamelde werken tot Groene-Boek van de Maand. De andere mededingers waren: Vladimir Nabokov, Gebroken schild (uitg. Bezige Bij, 235 blz., f49,90): ‘Een virtuoos geschreven antipolitieke roman voor democratie, dat wil zeggen het individualistisch bewustzijn als “het enige echte in de wereld dat bestaat en dat het grootste mysterie is”.’
H. C. ten Berge, De honkvaste reiziger (uitg. Meulenhoff, 131 blz., f32,90): ‘Niet in de schijnwerpers van een zichzelf overschreeuwende wereld, maar in de stilte van de ambachtelijke werkplaats komt werkelijke vernieuwing tot stand. Dat is het thema dat Ten Berge uitwerkt in de 55 korte essays die dit logboek rijk is. Ze zijn geestig en met overtuigingskracht geschreven en ze getuigen van de veerkracht van de auteur.’
Tahar Ben Jelloun, Een gebroken man (vertaald door Maria Noordman, uitg. De Geus, 169 blz., f37,90): ‘Geinspireerd op de roman Corruptie van Pramoedya Ananta Toer schreef Ben Jelloun een verontrustend en komisch boek over een rechtschapen man die steekpenningen aanneemt.’
ALS IEMAND NOG eens een nieuwe geschiedenis van het geheugen schrijft, zal hij zeker een apart hoofdstuk moeten wijden aan de vorige eeuwwisseling. Vooral in de literatuur heeft zich toen, alleen al in het genre jeugdherinnering, een beslissende wending voltrokken en dat heeft ongetwijfeld te maken gehad met het door velen gedeelde gevoel dat er definitief een periode werd afgesloten. Die omslag kon als verval worden betreurd of juist als begin van iets nieuws begroet. Voor het verschil staan de namen van Maxim Gorki en Ivan Boenin, een des te sprekender contrast omdat Boenin tussen 1903 en 1912 regelmatig aan Gorki’s volksopvoedkundige literaire almanak heeft meegewerkt. In 1917 scheidden zich hun wegen voorgoed, Gorki’s Mijn jeugd is van die tijd.

De titel van Benjamins Berlijnse jeugd rond negentienhonderd zou met een kleine verandering voor het hoofdstuk over die Wende in mijn gewenste geheugengeschiedenis kunnen dienen. Als in een droom gaan in Benjamins miniaturen verontrustende dingen een verbinding aan met het lang voorbije. Benjamin verrichtte zijn herinneringswerk decennia later; in de herbeleving - in de dubbelzinnigheid - verloor de oorspronkelijke beleving z'n eenvoud, zoniet z'n onschuld.
In die door Benjamin geviseerde tijd, in 1906, schreef Ivan Boenin het verhaal ‘Bij de bron der dagen’, dat als volgt begint: 'In de nevel van mijn verleden is er een verre dag waaraan ik bijzonder vaak terugdenk.’ Daartoe roept hij een grote kamer in een houten huis op een hoeve in midden-Rusland in herinnering. Het jongetje van drie of vier is alleen en voelt zich buitengewoon gelukkig, dat heeft met het licht te maken, met de geur van oude parfums, het ordenen van beschreven papieren in een toiletkast en 'een zoete angst bij de gedachte van de geheimzinnige eigenaar van dit spinneweb’, maar bovenal met de inkijk in een spiegel. Bij dat woord gaat als bij toverslag het verhaal van de derde op de eerste persoon over: 'Ik weet nog goed hoe die spiegel mij verraste. Daarmee beginnen de troebele, onderling niet samenhangende herinneringen aan mijn kindertijd. Ik leef erin als in droombeelden.’
IN DIE VERGELIJKING vinden Benjamin en Boenin elkaar. Het geheugen deelt in dezelfde toverkracht als waarmee de droom onvergelijkbare dingen op een lijn brengt en ongerijmdheden met elkaar verbindt. Het kan geen toeval zijn dat het geheugen speciaal in de belangstelling begon te raken in de tijd dat het als getuige minder betrouwbaar werd; en dat in dezelfde tijd de droom, niet zonder enige pressie, z'n geheimen begon prijs te geven. Net als Benjamin had Boenin bij zijn herinneringen het gevoel dat hij in droombeelden leefde.
De verteller in Boenins verhaal herinnert zich wat er met hem gebeurde toen hij in de spiegel een andere kamer zag, volkomen gelijk aan de kamer waarin hij zich bevond, alleen was die andere kamer veel verlokkender, veel mooier. De blikseminslag van de eerste bewustwording splijt hem in een waarnemend en een bewust ik: 'En alles om me heen veranderde plotseling, leefde op, kreeg een eigen, volkomen onbegrijpelijk aanzien.’ Het kwik waarmee het glas aan de achterkant zou zijn ingesmeerd, wat is dat? Een andere vraag krijgt voorrang wanneer het huis in rep en roer raakt en voor de spiegel een zwartkatoenen doek wordt gehangen. Het geheim van de spiegel vermengt zich met dat van de dood: er is een zusje gestorven. Waar was hij voordat de eerste lichtstraal van bewustwording hem zichzelf te zien gaf in de spiegel? Hij weet het niet. Het slechte geheugen van de volwassene laat ook wat erna gekomen is verdwijnen. 'En van mijn pogingen om het leven te ontraadselen rest slechts een spoor: een kras op het met kwik ingesmeerde glas.’
Het hier zojuist geparafraseerde verhaal 'Bij de bron der dagen’ staat in het zojuist verschenen eerste deel van De verzamelde werken van I. A. Boenin (1870- 1953), dat verhalen uit de periode 1892-1913 bevat. Ook in de andere rol speelt de herinnering een belangrijke rol, zij het minder expliciet. Maar de vraag is steeds dezelfde: wat blijft er over van wat mensen doen en wat ging eraan vooraf? In 'Soechodol’ - evenals 'Het dorp’, waarmee Boenin in 1910 naam maakte eerder een novelle dan een verhaal - wordt de gedachte dat in de herinnering alleen een verdwaald moment overblijft, uitgebreid tot hele generaties. Aan het slot staat er: 'En nu is het Soechodolse huis helemaal verlaten. Alle in deze kroniek genoemde personen zijn gestorven, zo ook al hun buren en al hun tijdgenoten. Soms denk je wel eens: “Hebben zij echt op deze wereld geleefd?” ’ Op het kerkhof staan een paar ijzeren grafkruizen, maar ze zijn zo goudgroen geworden dat je de opschriften niet meer kunt lezen. De voor de hand liggende conclusie, dat alles gedoemd is spoorloos te verdwijnen, wordt op het allerlaatst doorkruist door de volgende overweging: 'En je zit daar en denkt na, je doet je best om je die vergeten Chroesjtsjovs voor te stellen. En hun tijd lijkt nu eens eindeloos ver weg, dan weer heel dichtbij. Dan zeg je tegen jezelf: “Het is helemaal niet zo moeilijk je dat voor te stellen. Je moet je alleen indenken dat dit scheefgezakte vergulde kruis in hun tijd zich precies zo aftekende tegen de blauwe zomerhemel… dat op de verlaten, hete velden de rogge toen net zo rijpte en geel werd als nu, terwijl het hier schaduwrijk en koel was, dat er struiken groeiden… en dat er net zo'n oud wit paard met een groenachtige kale hals en kapotte roze hoeven in die struiken ronddwaalde en graasde.” ’
Het citaat staat voor vele, te meer daar het laat zien hoe plastisch Boenin schrijft. Zelden zag ik landschappen, interieurs, huizen, dieren en weersgesteldheden zo letterlijk in kleuren en geuren beschreven. Beschreven? Gaat het dan toch om herinneringen aan een voorbije wereld, zoals je steevast over Boenin vermeld ziet, zelf afkomstig uit een aan lager wal geraakt geslacht van landjonkers, zou hij met heimwee het verval van de Russische adel beschreven hebben, gelijk met de verloedering van de boerenstand.
Wat mij in deze verhalen over het landleven opvalt, is dat er helemaal niets verheerlijkt wordt, ook het verleden niet. De blik is eerder die van iemand die beseft dat eenmaal aan deze wereld ontgroeid, hij zich er nooit meer thuis zal kunnen voelen. Het leven van de mensen is er dodelijk saai en er is weinig kans dat het ooit beter zal worden. Boenin schrijft niet vanuit het perspectief van zijn personages, noch van de landadel die ten ondergaat of als ondernemer een nieuw bestaan opbouwt, noch van de rijke boeren of de armen die zich in feite soms nog als lijfeigenen laten behandelen, hooguit schrijft hij als iemand die zich verbaasd afvraagt hoe hij het ooit in die wereld heeft uitgehouden en betreurt dat hij vroeger van de schoonheid om zich heen even weinig heeft waargenomen als de mensen wier aandacht volledig door hun sores in beslag wordt genomen. Van nostalgie is geen sprake, zomin als van mededogen. Boenin schrijft vanuit niemands perspectief, hij biedt ook geen enkel perspectief, eerder keert hij het perspectief om.
DAT BLIJKT UIT de details. Wat normaal alleen dienst doet als achtergrond - landschappen, interieurs, milieu - staat in Boenins verhalen voorop. Tekenen de handelingen zich gedetailleerd af tegen een globale achtergrond, dan zijn de verhoudingen hier omgekeerd: de mensen zijn er niet meer dan toevallige passanten, verwisselbare figuranten. Lees het slot van 'Naar het eind van de wereld’: 'Maar wat hebben zij, de eeuwenoude heuvels, te maken met het verdriet of de vreugde van die wezens die maar een ogenblik leven en dan plaats maken voor soortgelijke wezens, die op hun beurt zich weer opwinden en zich blij maken, en dan even spoorloos weer verdwijnen van het aangezicht van de aarde?’ Hoe kleurrijk is de wereld, zeker in vergelijking met het grijze bestaan van de daarin verdwaalde mensen, die uit het niets opduiken en gedoemd zijn in de mist van de vergetelheid te verdwijnen, een wereld vol wonderlijke kleuren, althans voor wie het wil zien - en wie kan dat? Degene die de verrekijker van zijn geheugen, dat wil zeggen van zijn verbeeldingskracht, scherp stelt. Het is het creatieve geheugen dat de grijze wereld kleur geeft. Daar is alleen enige distantie voor nodig, dat is alles.
Als ik over Boenin zelf weinig gezegd heb, dan is dat om de eenvoudige reden dat ik het weinige dat ik weet pas de afgelopen weken gevonden heb, zoals ik ook nu pas voor het eerst iets van hem lees. Maar wat een verrassing: verhalen van een eeuw oud en ik lees ze als nieuw. Met als wonderlijk gevolg dat ik naar de volgende delen Verzameld werk uitkijk als naar werk dat nog geschreven moet worden.