Een kroniek van ontkenning en onthulling

Net als zijn voorgangers wil Gert Oostindie geen moreel oordeel vellen over de wandaden van het Nederlandse leger in Indonesië. Waarom niet blijft onduidelijk.

Beteuterd liep ik het dorpskantoor uit. Ik was hierheen gekomen om kennis te maken met het enige lid van het dorpsbestuur dat ik nog niet had ontmoet. Thuis trof ik hem nooit aan, maar op zijn werkplek moest het toch lukken. Hij zat inderdaad op zijn plaats en stond op toen ik binnenkwam. Ik wil niet met u praten, zei hij, en hij wees me kortaf de deur. Van anderen hoorde ik later waarom. Een halve eeuw geleden had een blanke soldaat met zijn geweerkolf de handen van de kleine jongen kapotgeslagen omdat hij het antwoord schuldig bleef op een onbegrepen vraag. Gestraft met verminking voor de rest van zijn leven.

De laatste koloniale oorlog die Nederland vocht blijft in het nieuws. Gert Oostindie borduurt in zijn Soldaat in Indonesië 1945-1950 voort op wat eerder als ‘ontsporing van geweld’ is aangeduid. Hij doet dit aan de hand van brieven, dagboeken, memoires en andere gepubliceerde ego-documenten waarin soldaten vertellen wat zij tussen 1945 en 1950 in Indonesië meemaakten. Het is een collectie van 659 getuigenissen waarin 1362 militairen verhalen over 776 oorlogsmisdaden: op de totale strijdmacht is dat een topje van de ijsberg, nog geen één procent. Slechts een kwart van de 220.000 manschappen is ooit operationeel geweest en dit verklaart mede waarom de ontkenning van wandaden zo lang stand kon houden. Die wandaden besloegen een scala van vernieling, plundering, brandstichting, mishandeling, marteling, tot het ‘op de vlucht’ neerschieten en standrechtelijke executie – de slachtoffers waren soms gevangen in een gevecht, maar vaak ook slechts ‘verdachte’ burgers. Ook de ego-documentatie gaat mank aan onderrapportage. Daarbij komt de rechtvaardiging van excessen die wel worden toegegeven: het better safe than sorry-excuus, stress, wraak voor een verloren strijdmakker en, niet in de laatste plaats, het handelen op bevel van meerderen. Het zijn reacties die meer met zelfbeklag dan met zelfverwijt gepaard gaan.

De ego-documentatie van Oostindie wijst de doorsnee soldaat als de hoofdschuldige aan. Dit is een vertekening die terugslaat op de onvolledigheid van het bronnenmateriaal. Oostindie geeft zelf uitvoerig aan waarin zijn verzameling van bewijzen tekortschiet: om te beginnen wordt oorlogsmisdadigheid tot de lijfelijke ontmoeting tussen daders en slachtoffers teruggebracht en blijft verhuld wat tanks, artillerie en vliegtuigen aan buitensporige schade en leed uitrichten. Voorgesteld als collateral damage gaat het om extreem geweld waarbij slachtoffers en daders met elkaar onbekend blijven. Zoals in het dorp bij Cheribon, waar ik bij het begin van mijn antropologisch veldwerk te horen kreeg dat het inwonertal bijna vijftig jaar geleden was verdubbeld toen enkele honderden overlevenden van een kampong iets verderop hierheen waren gevlucht nadat het van afstand was beschoten en gebombardeerd.

In de tweede plaats blijven de militairen die het vuile werk deden buiten beeld. Aan de bataljons in het veld waren secties toegevoegd met als taak inlichtingen te verzamelen, verdachten op te sporen en gevangenen te verhoren. Geselecteerd op taalkennis bestond het gros van hen uit Knil-leden, in het land geboren en getogen. Vele getuigenissen in Oostindie’s boek wijzen hen aan als door wreedheid bezeten. Tot slot opereerden achter de coulissen verborgen speciale eenheden belast met de ‘zuivering’ van terrein of gebied. De beruchte acties van kapitein Westerling met zijn Speciale Troepen (dst) in Zuid-Celebes kwamen aan het licht, maar de inzet van dit soort commando’s, Hare Majesteits Ongeregelde Troepen (Hamot), met harde repressie als staande praktijk, vond ook elders plaats.

Gert Oostindie stelt vast dat zijn inventarisatie van getuigenissen het geregeld voorkomen van misdrijven bevestigt, maar beseft dat zijn analyse ervan geen inzicht biedt in de omvang van geweldsontsporing. Zelfs het getal dat hij noemt – tienduizenden – is niet meer dan een wilde gissing. Joop Hueting opende als klokkenluider in 1969 een rij van onwelkome openbaringen die niet meer zou sluiten. Een haastige poging tot het dempen van wat naar buiten kwam – de excessennota opgesteld door Cees Fasseur en politiek uitgelegd als bewijs dat de krijgsmacht als geheel geen blaam trof – stuitte op groeiend ongeloof. Veteranen bleven het begaan van excessen tegenspreken en onder die druk moest de historicus van het nationaal geweten Loe de Jong nog in 1988 zijn vernietigend oordeel afzwakken. Maar na verloop van tijd heeft het geboden verzet tegen kritische herbezinning aan toonhoogte ingeboet. De uitspraak van Oostindie dat het toegepaste geweld structureel en systematisch onrechtmatig is geweest, en daarom de kwalificatie verdient van oorlogsmisdaden, lokt niet meer het furieuze protest uit dat nog kort geleden overheerste. Wijst matiging in ontkenning of zelfs erkenning van het verrichte kwaad op voortschrijdend inzicht?

Die indruk wordt onwillekeurig gewekt, maar dat is niet mijn lezing van het verloop. Het onderzoeksproject dat Jacques van Doorn en Wim Hendrix in 1949 begonnen kreeg meteen als werktitel Oorlogsmisdaden Indonesië, waarvan zij feitelijk en omstandig verslag deden. Oostindie verwijst herhaaldelijk naar deze bron, maar noemt hun aanpak problematisch omdat de auteurs de beschreven excessen anoniem hielden en geen concrete gegevens verschaften over de frequentie ervan. Deze kritiek is zowel onjuist als misplaatst: participerende observatie heet de methode die de twee dienstplichtigen volgden, Hendrix in de rol van waarnemende deelnemer terwijl Van Doorn de richting van het onderzoek aangaf en de bevindingen vastlegde. Bij deze antropologische aanpak is het zaak nauwkeurig in kaart te brengen wat er voorvalt, maar degenen die erin voorkomen te anonimiseren. Naamsvermelding zou bovendien een flagrante doorbreking hebben betekend van de onderlinge code van stilzwijgen, zoals Oostindie later in zijn studie ook erkent.

En dan zijn tweede bezwaar: de mate waarin excessen zich voordeden. Inderdaad, het Van Doorn-Hendrix-relaas geeft geen inzicht in hoeveel er zijn begaan, maar dat is ook niet wat de auteurs met hun casestudy beoogden. Trouwens, Oostindie zelf is daarin evenmin geslaagd en volstaat met de aanduiding van ettelijke tienduizenden. Het aantal getuigenissen in zijn studie overtreft zeven keer de snelle, oppervlakkige opsomming van Fasseur, maar is geenszins een bruikbare maatstaf om de hoeveelheid te bepalen.

De vaststelling van opzettelijk en van boven af geregisseerd geweld blijft in Soldaat in Indonesië onderbelicht. Zeker, Oostindie noemt de ambiguïteit in de bevelsketen, de delegatie van bevoegdheden naar het laagste niveau, maar pleit de legerleiding vrij van voorkennis en betrokkenheid door meer dan eens te herhalen dat van boven af werd aangespoord tot correct gedrag en dat schending van het oorlogsrecht expliciet verboden was. Het is een verzekering die overtuiging mist. Van Doorn en Hendrix gaven al aan hoe de gewone soldaat terechtkwam in wat zij als een geweldsfuik omschrijven. Soms op eigen initiatief, maar vaak ook in opdracht. Zo ontstond ‘het pelotonsgeheim’, een code van stilzwijgen bezegeld door het veteranenlegioen. Hogerhand keek weg, gaf geen opdracht tot het rapporteren van excessen, weigerde de onverhoopte melding ervan in ontvangst te nemen en deinsde niet terug voor het verdonkeremanen van bewijsmateriaal. Oostindie geeft toe dat preventie en bestraffing van aperte oorlogsmisdaden geen hoge prioriteit hadden, maar houdt staande dat het opperbevel niet buiten de spelregels van legaliteit is getreden.

Nooit is het goed tot de publieke meningsvorming doorgedrongen dat de nederlaag onontkoombaar was

Zijn stelling behoeft tegenspraak: dat gebeurde wel en het begane onrecht omvatte het hele militaire apparaat. Met inbegrip van de militair-juridische diensttak die gemelde wandaden seponeerde, maar wel overging tot vervolging en veroordeling van soldaten die geweigerd hadden op bevel een kampong plat te branden of een gevangene af te maken. Na het uitzitten van de gevangenisstraf hebben zij nooit rechtsherstel gekregen, laat staan lof voor hun weigering een onwettig dienstbevel op te volgen. Wel vermeldt Oostindie dat Westerlings superieuren hem meerdere keren voor een hoge onderscheiding hebben voorgedragen en dat hij na het mislukken van zijn coup in West-Java door toedoen van de legerleiding in veiligheid is gebracht.

Oostindie geeft te kennen samen met enkele historische instituten verder onderzoek in te stellen naar het Nederlandse militair optreden in Indonesië en dit vervolg in de bredere context van dekolonisatieoorlogen te plaatsen. Zijn teleurstelling over de weigering van de overheid in 2012 om hiervoor extra fondsen beschikbaar te stellen is begrijpelijk. Waarin hij zijn voorgangers niet heeft gevolgd, is in zijn studie ook het koloniale verleden te betrekken. De relevantie van die erfenis bracht Van Doorn en Hendrix er terecht toe hun boek daarmee aan te vangen.

Medium koloniale oorlog gewenst solo midden java 21december1948 t schilling dlc na.original

De eerste foutieve inschatting aan Nederlandse kant was dat het weinig moeite zou kosten om na de Tweede Wereldoorlog het koloniale gezag te herstellen. Immers, de opstandelingen waren gering in aantal en zouden geen gehoor vinden bij de goedwillende bevolking die verlangend uitzag naar herstel van de oude orde. In deze mythe paste het begrip ‘politionele actie’, waarmee het Knil binnenlandse onrust placht te bezweren. Het teruggekeerde Indische bestuur maakte zich op de koloniale opdracht te hervatten, die onvoltooid was gebleven omdat land en volk werden geacht nog lang niet rijp te zijn voor nationale zelfstandigheid.

Achter die drang tot het verrichten van goede werken school natuurlijk een heel ander motief: begeerte naar het economische profijt dat de kolonie opleverde. De leuze Indië verloren, rampspoed geboren was een treffende verwoording hiervan, gelanceerd door een gezelschap van politici en zakenlieden die uit de Vaderlandse Club van de jaren dertig stamde. De invloed die deze lobby had behouden kwam tot uiting in de codenaam Operatie Product voor de eerste politionele actie die zich richtte op de bevrijding van plantages en mijnen uit handen van de vijand.

Net als zijn voorgangers wil Oostindie geen moreel oordeel vellen. Waarom niet blijft onduidelijk, maar die schroom heeft vermoedelijk te maken met de angst de eer van leger en natie te besmeuren. Klokkenluiders vinden niet als vanzelfsprekend een gretig en begrijpend gehoor. In dit geval waren zij bang voedsel te geven aan een nieuwe dolkstoot-in-de-rug-legende. De eerste suggereerde dat de oorlog verloren ging omdat Amerika en Groot-Brittannië aandrongen op de zelfstandigwording van Indonesië. De nieuwe legende zou het verlies van de Gordel van Smaragd wijten aan afvalligheid en verraad in eigen kring. Nooit is het goed tot de publieke meningsvorming in Nederland doorgedrongen dat de nederlaag onontkoombaar was: de strijd voor onafhankelijkheid was tot een volksbeweging uitgegroeid en de troepen die waren gekomen om te bevrijden vonden tegenover zich een land dat geen herbezetting duldde.

Koloniale historici hebben lang de lof bezongen van de beschavingsmissie overzee, een morele opdracht bekend als het daar-werd-wat-groots-verricht-epos. Minister Ben Bot van Buitenlandse Zaken heeft in 2005 toegegeven dat Nederland toentertijd aan de verkeerde kant van de geschiedenis stond. Een merkwaardige beeldspraak, maar met een duidelijke intentie die in voortgezet onderzoek beslag moet vinden. Uitbesteding daarvan, zo is mijn slotkanttekening, zou niet tot historici beperkt mogen blijven en evenmin tot de verloren strijd van het kolonialisme. Bovenal moet de schimmigheid die is blijven hangen rond de ontsporende militaire bevelsvoering aandacht krijgen, de duistere politieke besluitvorming en het samenspel daartussen. Dat geldt niet alleen voor de laatste koloniale oorlogen die zijn gevoerd, maar evenzeer voor geweldsontsporing in het postkoloniale tijdperk, zoals in Afghanistan en Irak.

Het heden is geworteld in het verleden en de belichting van die verbondenheid alleen aan geschiedschrijvers toe te vertrouwen zou niet het onrecht en kwaad boven tafel brengen die van grove schending van mensenrechten getuigen.


De foto bij dit artikel is onderdeel van de tentoonstelling De koloniale oorlog 1945-1949: Gewenst en ongewenst beeld in het Verzetsmuseum Amsterdam