Ethiopië’s hoop

Een kroon op de vrede

In 1998 belandde ze onbedoeld in zijn handen, maar als het aan Rotterdammer Sirak Asfaw ligt gaat de antieke keizerskroon die zijn leven overhoop haalde binnenkort terug naar Ethiopië. Naar de man die de oorlog stopte: Abiy Ahmed Ali.

De Ethiopische keizerlijke kroon in Nederland © Carel Kramer Fotografie

De vlag van Ethiopië wappert tegen een achtergrond van een dichtbegroeid berglandschap, groen-geel-rood onder een blauwe lucht. Een man verschijnt in beeld, hij draagt een lichtblauw jasje met een speldje van dezelfde vlag op zijn revers, en hij maakt een buiging.

‘Lieve landgenoten’, zegt de ondertiteling, want hij spreekt in het Amhaars. ‘Mijn naam is Sirak Asfaw en ik woon 41 jaar in Nederland. Onverwacht en onbedoeld is een kunstschat, afkomstig uit het tijdperk van keizer Fasilides, in mijn handen gevallen, in april 1998. Ik geloof dat deze toebehoort aan Ethiopië en aan de Ethiopische mensen. Het had Ethiopië nooit mogen verlaten.’ Hij brengt zijn handen in de lucht in een gebaar van gedeelde ontzetting, een teken van onmacht. ‘Naar mijn mening is het verlies van cultureel erfgoed het verlies van de geschiedenis zelf. Dat is mijn sterke overtuiging.’

Sirak Asfaw werd geboren in Addis Abeba in wat hij noemt de mooiste tijd van Ethiopië. Onder het regime van Haile Selassie, de laatste keizer van het land, heerste er vrede en vrijheid, vertelt hij. De mensen konden reizen, van noord naar zuid en van oost naar west; ze konden zich vestigen waar zij wilden en overal zaken doen. ‘Geen enkele Ethiopiër verliet het land om politieke redenen. Waarom zou je? Je had bestaanszekerheid: er was goed onderwijs, de kinderen konden de hele dag naar school, en het rechtssysteem was weliswaar niet perfect, maar zo erg was het ook niet.’

Vandaag verblijven honderdduizenden Ethiopiërs gedwongen in het buitenland. Sirak is een van hen, en hij vertrok als een van de eersten. Want het systeem van Selassie verouderde, vertelt Sirak op een vrijdagochtend in zijn woning in Rotterdam bij een kop Ethiopische koffie. Er trad ‘metaalmoeheid’ op, een hongersnood trof het noorden van het land en de internationale oliecrisis van 1973 vormde de druppel. Sirak was een tiener toen de keizer werd afgezet en militairen de macht grepen. Er werd bloed vergoten en verschillende partijen stonden elkaar naar het leven. Een kolonel verkondigde dat Ethiopië van nu af aan een communistische staat was. Sirak vroeg aan een vriend wat dat eigenlijk was. De vriend antwoordde dat de kruidenierswinkel in de wijk nu staatseigendom was en dat zij niets meer hoefden te kopen, maar hun spullen daar gewoon konden gaan halen. Idealer kon het niet zijn. ‘Hoe onwetend wij ons land kapot hebben gemaakt’, denkt Sirak nu.

Sirak ging nog naar school, maar van leren was geen sprake meer. Er werden politieke discussies gevoerd over grote wereldmachten. De Chinese en Russische ambassades sluisden propagandafilms waarin het Rode Leger met zijn ijzeren discipline werd verheerlijkt door naar de jeugd. Sirak herinnert zich in het bijzonder een film die ging over een strijder die gemarteld werd maar niets toegaf en uiteindelijk zelfmoord pleegde in een ziekenhuis.

Een hele generatie werd gehersenspoeld, ziet hij achteraf. Maar als tiener zag hij dat niet. Op een avond werd de jeugd opgeroepen om te gaan demonstreren tegen de toenmalige militaire leider en dat ontaarde in een vreselijk slagveld. Mensen werden gemarteld en vermoord: mannen en vrouwen, jong en oud, zonder uitzondering. Sirak herinnert zich een groep die terugkwam van de avondschool, zij droegen hun boeken bij zich – maar de geweldplegers kenden geen genade, dat waren de losers van de wijk die altijd al een hekel hadden gehad aan zij die het beter hadden. Sirak belandde in de gevangenis, kwam op voorspraak van een familielid weer vrij en werd toen met een militaire wagen de stad uit gesmokkeld. Van het hooggelegen, koele en regenachtige Addis Abeba kwam hij terecht in de kokende woestijn van de havenstad Assab, vandaag gelegen in Eritrea.

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Kees van den Bosch Roos van der Lint over haar ontmoeting met Sirak. Onze podcast is elke vrijdagochtend gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en via de andere bekende podcastkanalen

Eén dag staat voorgoed in zijn geheugen gegrift. Het was 12 september 1974 en samen met zijn familie zat hij klaar voor het achtuurjournaal. Zijn grootvader was er ook, een rijk en alom gerespecteerd man. Als kind had hij de mobilisatie tegen de Italianen nog meegemaakt en hij was nergens bang voor. Hij liep altijd gewapend rond en hij was dik. Sirak herinnert zich zijn buik tegen het stuur van zijn grote Mercedes. ‘Ik ben rijk, dit is mijn land en ik doe waar ik zin in heb’, was wat hij uitstraalde.

Het was een dag na het Ethiopische nieuwjaar en in de aankondiging van het nieuws werd gesproken over de afzetting van de keizer. Niemand had Ethiopië ooit zonder een keizer of keizerin gezien: het koningshuis hoorde al minstens duizend jaar bij het land. Het was stil in huis, de familie zat gebiologeerd naar de televisie te kijken en toen sprak opa, volledig ontredderd in zijn stoel: ‘Hoe kan dat nou, een land als Ethiopië helemaal zonder koning?’ En Sirak, vol van radicale ideeën, snauwde hem toe: ‘Hoezo, welke koning dan? Wíe is de koning?’ Iedereen schrok van zijn uitval en wachtte af wat de oude man nu zou doen. Maar hij deed niets. Sirak weet nog hoe triest hij keek. ‘Ik zag hem denken: “Deze generatie gaat dus de mist in.” Dat was ook zo. Sinds dat moment zit Ethiopië in de ellende.’

De woonkamer van Sirak in het Oude Noorden van Rotterdam ademt in alles Ethiopië. Van de figuurtjes op de mokken waar we uit drinken tot de Ethiopische vlag die prijkt op de wijzerplaat van twee klokken in de kamer. Van een prachtige oude plaat met het Amhaarse alfabet tot een bos gedroogde teff die ingelijst aan de muur hangt. Teff is een grassoort dat waarschijnlijk zijn oorsprong kent in Ethiopië en waarvan de bijzonder fijne graankorrels het basisingrediënt vormen van het Ethiopische nationale gerecht, de injera – een hartige pannenkoek. Het patent op teff werd een aantal jaar geleden echter verleend aan een Nederlands bedrijf, iets waar vervolgens veel debat over was. De stengels van de bos van Sirak worden bij elkaar gehouden door een strik in drie kleuren: groen, geel en rood.

Ook in de havenstad Assab was geweld alomtegenwoordig. Op een dag rond lunchtijd – altijd brood met saus, want injera was in oorlogstijd voorbehouden aan militairen en vrachtwagenchauffeurs – werd iedereen door de militairen naar buiten geroepen. Op een plein voor de ingang van de haven kwamen drie gele auto’s aanrijden, open Toyota’s, met mannen in de laadbak gewikkeld in hun gabi, een traditionele deken. Het waren havenarbeiders of medewerkers van de raffinaderij, vermoedt Sirak, ze keken wat verloren rond, moesten uitstappen en werden toen doorzeefd met kogels. ‘Een mens door kogels beschoten, dat is niet zoals we dat uit films kennen. Het is onbeschrijflijk hoe leeg en klein wij eruit kunnen zien’, zegt Sirak. Hij denkt ook aan een vriend. Hij kende de naam van de jongen eigenlijk niet eens, maar hij hoorde bij hen en hij werd niet zomaar vermoord, maar mishandeld op straat achtergelaten met een briefje op zijn lijf, ‘vijand van de revolutie’. Niemand mocht hem helpen, want vijanden van de revolutie hielp je niet, en de vriend lag een hele dag in de kokende zon te sterven.

De man die zich zo fel had afgekeerd van Ethiopië’s koningshuis besloot nu: deze kroon ga ik beschermen met mijn leven

Het was een dag na Ethiopisch Pasen en de militairen vierden de Dag van de Arbeid. Er was geen avondklok en Sirak zag zijn kans schoon om te vertrekken. Opgewonden toog hij naar het café tegenover de haven waar zijn vrienden zaten te drinken en zei: ‘Gaan jullie mee?’ Maar ze wilden niet, het was te gezellig zonder avondklok. ‘Ik ben naar buiten gegaan, ik stond op het plein en begon te twijfelen. Niemand wilde meer mee, moest ik dan terug? Of toch verder, naar de haven?’ Hij haalde een muntje van tien cent uit zijn zak en zei tegen zichzelf: als het kop is, dan ga ik. Paf, het was kop. Hij verstopte zich op een Grieks schip, bestemming onbekend, en voer als verstekeling over de Rode Zee, helemaal naar Rotterdam. Er waren tal van ontberingen, Egyptenaren die in het Suezkanaal met hun spulletjes aan boord kwamen en ondertussen stalen als de raven, maar de goedheid van de Griekse kapitein zal hij nooit vergeten. In plaats van dat ze hem overboord gooiden, zorgde hij voor hem voor een veilige aankomstplaats.

Sirak leerde twee dingen: de mens kan veel hebben en overal zijn goede mensen.

Achttiende-eeuwse muurschildering in een kerk in Gondar, Ethiopië. In het midden te paard keizer Fasilides als de heilige Joris, ‘redder van het christendom’ © Jack Malipan / AGE / ANP

Wat hij meenam op zijn vlucht naar Nederland? Nee, zeker geen kroon. Sirak opent een glazen deurtje in zijn boekenkast en haalt een paar blauwe teenslippers tevoorschijn. Hierop liep hij door de woestijn van Ethiopië, hiermee kwam hij aan in Nederland. Kijk, je kunt zien dat hij toen nog rookte, gloeiende peuken smolten kleine zwarte gaten in de kunststof zolen. Verder verkeren ze nog in goede staat, geweldige kwaliteit.

In mei 1978 voer een Ethiopische man op een Grieks schip Nederland binnen. In zijn keuken, boven de eettafel, hangt nu een metersgrote kaart van de haven van Rotterdam, compleet met kleine rode lampjes die de vaarroutes aangeven. Met Kerst mogen ze weer aan.

In eerste instantie zagen hij en andere Ethiopiërs in Nederland zichzelf helemaal niet als vluchtelingen, herinnert hij zich. ‘Als jullie ons trainen en wat wapens geven, dan zijn we zo weer weg’, hadden ze gezegd. Maar Sirak kwam terug van dat idee. De Nederlandse taal leerde hij samen met Chilenen bij het Salvador Allende-centrum, uit een dik geel lesboek dat gericht was op laaggeschoolde arbeid. Het ging over Ali, een Turkse man met een hoedje op en een baardje. De baas van de fabriek, een forse Hollander, zei tegen hem: ‘Ali, je moet werken.’ Ali vroeg: ‘Wat moet ik doen?’ ‘Je moet werken aan de machine.’ ‘Waar staat de machine?’ ‘Daar staat de machine.’

Het was goed bedoeld, maar in de avonduren ging Sirak naar de Volksuniversiteit. Hij ontwikkelde zich, las VN-rapporten over zijn land, keek naar de vpro en luisterde naar Radio 1 en raakte overtuigd van het pacifisme als enige mogelijke oplossing voor conflict.

Zijn huis werd een opvangplek voor landgenoten die in steeds groteren getale in Rotterdam arriveerden. Bij hem konden ze op adem komen, eten, slapen, en dan weer verder. Er kwamen mensen bij hem die nergens terechtkonden, mensen met wie hij nachtenlang over politiek en geschiedenis kon praten. Hij droeg in deze tijd een speld met een gebroken geweer op zijn jasje.

Sirak gaat me voor naar boven, de trap op, langs een poster met een glimlachende Nelson Mandela. ‘Mandela for President. The people’s choice.’ We gaan naar de logeerkamer.

Hij vertelt het verhaal als volgt. Op een avond in 1998 zaten hij en zijn toenmalige vriendin samen met een gast aan tafel te studeren en te werken, ieder voor zich. De volgende ochtend was zijn vriendin een werkstuk voor de universiteit kwijt en hun gast was al vroeg opgestaan en vertrokken. Of het document per ongeluk tussen zijn spullen terecht kon zijn gekomen, ze had het echt nodig. In de logeerkamer viel hun oog op een koffer.

Sirak haalt de koffer van achter het bed tevoorschijn: het is een robuuste, zwartleren pilotenkoffer met twee goudkleurige gespen met een cijferslot. Door een kleine gleuf zag hij destijds iets glimmen, nu laat hij zien hoe hij de stevige flappen van de tas uit elkaar trok, vervolgens een rits aan de zijkant opende en de koffer van binnenuit open kreeg. Hij laat zien hoe deze dan openvalt en ruimte biedt aan een vak dat nog altijd is volgestopt met ritselend vloeipapier. Daar lag toen een kroon, voorzien van christelijke decoratie, met in het metaal het jaartal 1632 gegraveerd, plus de naam van keizer Fasilides (1603-1667) – maar die naam ontdekte hij veel later pas. Of hij toen wist waar hij naar keek? ‘Ik wist alleen dat ik iets zag wat hier niet hoorde. Ik wist dat hoge officieren het land van binnenuit kapot probeerden te maken en ons erfgoed, en daarmee onze geschiedenis, wilden vernietigen. En ik was kwaad. Niet via dít huis. Dit is het huis van Ethiopië.’

Twintig jaar verbleef de kroon van de zeventiende-eeuwse keizer Fasilides in een Rotterdams appartement

Sirak sprak naar eigen zeggen af met zijn gast in een café nabij het station en confronteerde hem met zijn vondst. De kroon was al gecertificeerd, er bleek al een bedrag afgesproken in Parijs, de deal was rond. De gast verdedigde zich. ‘Als het huis van je vader wordt leeggeroofd, dan kun je daar maar beter aan meedoen’, was zijn filosofie. Maar Sirak dacht: ‘Wie steelt er nu uit een kerk? Je voorouders hebben daar gestaan, gebeden, gehuild, áánbeden. Iedereen wil het financieel beter hebben, maar er zijn principes. Dat wil ik de komende generatie meegeven: dat je een mens blijft.’ De man die zich als tiener zo fel had afgekeerd van het koningshuis besloot nu: deze kroon ga ik beschermen met mijn leven. Hij gaat pas terug op het moment dat Ethiopië een nieuwe man of vrouw in het paleis heeft.

Waar in huis zou ik een waardevolle kunstschat verstoppen, een antieke keizerskroon? Ik mag overal kijken, in het appartement gelegen op de derde verdieping waar Sirak samen met zijn vriendin woont. Ik mag overal komen, alle mogelijke suggesties doen, maar ik kan niets verzinnen, kom niet verder dan het dressoir.

Plezier beleefde Sirak als bewaarder van de prachtige kroon niet. Hij verkeerde in een tweestrijd: de kroon hoorde hier niet, maar hij moest hier zijn. Hij ging te rade bij andere Ethiopiërs, vroeg hun wat zij in zijn plaats zouden doen. Er is uit april 1998 een brief bewaard gebleven waarin het gaat over een ‘onwaarschijnlijk waardevol historisch Ethiopisch artefact’. ‘Het mag niet in iemands persoonlijke bezit terechtkomen, maar het moet veilig bewaard blijven. In tussentijd zal ik het met vertrouwen bewaren, in naam van en voor alle Ethiopische mensen. Please advise me.’

De andere kant opkijken, adviseerden sommigen, om niet te hoeven vrezen voor je leven. De kroon moet terug, zeiden anderen, maar haar terugbrengen naar hetzelfde regime dat haar had laten stelen, was geen optie. Het is nog te vroeg, zeiden weer anderen, Ethiopië staat in brand. Europese instituten durfde Sirak ook niet te vertrouwen: mocht Ethiopië de kroon in de toekomst terugvragen, dan was het maar de vraag of zij het zouden geven. Dat had de geschiedenis wel uitgewezen. Sirak heeft eens geprobeerd de kroon aan iemand mee te geven met de opdracht haar onder te brengen in een klooster, als bewaarplaats tot betere tijden zouden aanbreken. Ben je gek geworden, zei degene aan wie hij dat vroeg.

De verantwoordelijkheid drukte zwaar op hem en de smokkelaars lieten het er van hun kant niet bij zitten: er was sprake van bedreigingen waar Sirak liever over zwijgt. Uit angst voor brand installeerde hij wel acht brandmelders in zijn huis. Hij bracht de kroon ook een tijdje onder bij een vriend, maar dat was nog erger, stel dat hém iets zou overkomen? Hij stelde een testament op met verschillende scenario’s voor als hij onverwacht zou komen te overlijden. Daar stond in: ‘Stel dat Ethiopië uit elkaar valt, dan moet degene die de kroon in zijn of haar bezit heeft wachten tot een of twee etnische groepen weer een mini-Ethiopië creëren. Dan moet hij terug. Stel dat er een staatsgreep plaatsvindt en het nieuwe bestuur een begin maakt met een opbouw, dan moet de kroon ook terug, als aanmoediging.’

Een keer heeft Sirak de kroon toen nog tevoorschijn gehaald, toen zijn dochter twaalf jaar oud werd en hij vond dat ze moest weten dat er iets was. Sirak haalt een fotoalbum uit de kast en legt dat opengeslagen op mijn schoot. Op de foto’s zit zijn dochter in Ethiopische kledij met haar vader op de rode bank, de plek waar ik nu zit. De kroon staat tussen hen in. Meer dan een kennismaking met de kroon lijkt het een plechtigheid: Sirak is gekleed in witte, traditionele kleding, hij houdt een dik boek in zijn handen en leest daaruit voor.

Dat boek haalt hij nu ook uit de kast. Het vertelt over de strijd die woedde in de zestiende eeuw, toen Ethiopië werd aangevallen door een moslimleger en kerken en kloosters in vlammen opgingen. De keizer riep de hulp in van de christelijke Portugezen en zijn zoon was zo verstandig om hen op ‘vriendelijke wijze’ het land weer uit te werken.

Sirak vertelt de geschiedenis met smaak en dan komen we bij de overlevering over keizer Fasilides zelf, een vredelievend man. ‘Er was ook tussen christenen onderling enorm gevochten, tussen het katholicisme en de koptische kerk, en de jonge prins ging met zijn vader kijken bij het slagveld waar meer dan achtduizend gesneuvelde militairen lagen. De prins zou zijn vader gevraagd hebben: “Ben je nu tevreden? We zullen door iedereen worden uitgelachen, door de moslims en door de ongelovigen. Kijk, zij roeien elkaar uit.”’

Fasilides nam de macht over en bouwde zijn paleis in de stad Gondar, tot 1855 de hoofdstad van Ethiopië. Zijn kastelen staan daar nog altijd overeind en prachtige beelden uit Gondar prijken op de achtergrond van de film die Sirak opnam voor zijn landgenoten. In die film komt ook een achttiende-eeuwse muurschildering van Fasilides voorbij. De schildering toont de keizer op zijn paard, gehuld in een kleurrijk koninklijk gewaad met blote voeten. Zijn donkere haar is in een cirkel om zijn hoofd geschilderd, aureool en afrokapsel in een. In elke hand houdt hij een speer – hij is afgebeeld als de heilige Joris, ‘redder van het christendom’ – maar Sirak sneed voor zijn film de afbeelding ergens onder het paard af. Daar ligt namelijk geen neergestoken draak, maar een gewonde moslim, en dat past zeker niet bij zijn boodschap.

Gedurende de hele toespraak van Abiy bij de uitreiking van de Nobelprijs voor de Vrede stond Sirak rechtop bij de tv

Twintig jaar lang verbleef de kroon van keizer Fasilides in een appartement in het Oude Noorden van Rotterdam. Zij lag te wachten op het verstrijken van de tijd op een plek die niet opvallend, maar wel in het zicht was: waren de smokkelaars komen zoeken, dan hadden ze hem nooit kunnen vinden. In maart 2018 gebeurde het onmogelijke: er diende zich een nieuwe man voor Ethiopië aan. Als uit het niets verscheen premier Abiy Ahmed Ali op het toneel.

Sirak: ‘Ik had nog nooit van hem gehoord maar ik zag hem en ik dacht: dit is hem, this is the one. Hoe hij op het plein verscheen met Mandela op zijn T-shirt. Of hij het gaat redden, dat weet ik niet, maar dit is de man die we nodig hebben.’ Abiy, zoals hij kort genoemd wordt, had zich binnen de partij verkiesbaar gesteld als premier en kwam meteen aan de macht. ‘Je moet je voorstellen dat je je leven lang van binnen lijdt. Dat je de moed niet verliest, maar wel twijfelt of het ooit nog goed gaat komen met Ethiopië. Of er ooit iemand zou komen die zou zeggen: rustig maar, we stoppen met vechten. We houden ermee op.’ Een maand later besloot Sirak tot actie over te gaan. De kroon moest terug. ‘Dat is ook goed voor hem. Dan kunnen de mensen zien: zie je wel, premier Abiy heeft ons zo ver gebracht dat we zelfs ons cultureel erfgoed weer terugkrijgen.’

Gondar, tot 1855 de hoofdstad van Ethiopië, met het paleis van keizer Fasilides op de voorgrond © William Campbell / Sygma via Getty Images

Op een tafeltje naast de stoel van Sirak ligt het boek waarin de premier zijn politieke filosofie uiteenzet. Hij liet duizenden politieke gevangenen vrij en zorgde voor een ongekende persvrijheid. Hij loste het twintig jaar slepende conflict met Eritrea op en zette zich in voor vrede in het oosten en noorden van Afrika. De wereld keek toe en voor zijn inspanningen kreeg hij de Nobelprijs voor de Vrede 2019 uitgereikt, na nog maar achttien maanden premierschap.

Zijn boek is vertaald in het Engels, maar Sirak leest het natuurlijk in het Amhaars. Op de cover verschijnt het hoofd van premier Abiy van dichtbij. Op zijn hoofd moet de kroon. Niet letterlijk, maar toch, op zijn hoofd alleen.

Bleek dat dat zo makkelijk niet ging. Want hoe breng je een kostbaar stuk erfgoed van het ene land naar het andere? Waar breng je het daar naartoe? Hoe kom je überhaupt de douane door, met een antieke kroon in je tas?

Sirak nam contact op met Arthur Brand, de kunstdetective die gestolen en verloren gewaande kunstschatten wereldwijd in het vizier heeft: onlangs bracht hij de ring van Oscar Wilde, gestolen en volgens de dief al lang en breed omgesmolten, ongeschonden boven water. Voor Sirak legde hij de nodige contacten met instanties – politie en ministeries – en met een onderzoeker uit Oxford die de authenticiteit van de kroon kon vaststellen. Het was een precaire en uiterst complexe organisatie. Brand regelde ook een veilige plek voor de kroon, een voorlopige verblijfplaats. Het wachten is nu op de overdracht, die door Nederlandse en Ethiopische ministeries voorbereid wordt.

Maar iedereen wist het nu en in Ethiopië werden de mensen ‘behoorlijk opgewonden’. Mensen reageerden enthousiast en emotioneel op de bekendmaking in de media, maar twee etnische groepen claimden vervolgens het eigendom, vertelt Sirak. Het hielp volgens hem ook niet dat de expert, die de kroon bij Sirak thuis onderzocht, in de pers geen sluitend, eenduidig verhaal hield.

Sirak bemoeit zich er niet mee. Of de kroon nu uit 1632 of 1732 komt, dat maakt hem niet uit. Het enige wat hij wil, is de kroon teruggeven, of dat nu aan het noorden of aan het zuiden is. Ethiopië is aan zet. De boodschap aan zijn landgenoten aan het eind van zijn film is helder: ‘Mijn verzoek is of de Ethiopische overheid dit historisch gezien zeer belangrijke artefact van mij wil overnemen en behandelen met alle respect. Zodat het terug kan naar de plek waar het hoort… in Ethiopië. Dank u.’ En hij buigt.

Ergens in Nederland wacht een kroon op terugkeer naar Ethiopië. Ze heeft bijna vier eeuwen doorgebracht op een hoogte van meer dan tweeduizend meter en nu ligt ze op een plek twintig meter boven zeeniveau, veilig voor als dit land onverhoopt onder water komt te staan. Sirak tilt de kroon uit een krat en legt haar op een statig rood fluwelen kussen met gouden franjes. Een vriendin van hem is mee en ze draagt voor de gelegenheid een lange witte Ethiopische jurk, prachtig geborduurd met onder meer de kleuren van de vlag en kruizen die verwijzen naar een christelijke traditie. Sirak vond het oude kussen in een winkel en samen met haar ging hij naar de markt op zoek naar de franjes. Het is een kussen speciaal gemaakt voor deze kroon. Een doek met banen in groen-geel-rood wordt ernaast gedrapeerd en de vriendin houdt een kleine vlag in haar handen.

De kroon is groter dan gedacht en indrukwekkend detailrijk. Het is een architectonisch hoogstandje: op het hoofddeksel staat een opengewerkte vierkante doos met een rand van fijnbesneden kantelen en daarop rust een prachtig gedecoreerde bolvorm ter grootte van een bescheiden pompoen. Deze draagt op zijn beurt weer een kleine bol en daarop staat het kruis. Op de vier zijden van de kroon zijn de twaalf apostelen afgebeeld, elk met hun naam in het Amhaars erbij vermeld, en op de hoeken prijken op prachtige kleine zilverkleurige bollen de vier aartsengelen. Het kruis draagt aan een kant Jezus en aan de andere kant de heilige drie-eenheid. Op verschillende plekken hangen kleine zilverkleurige bellen aan fijne draadjes aan het goudkleurige metaal. De meeste zijn met de tijd verloren gegaan.

Een dag eerder kreeg premier Abiy Ahmed Ali de Nobelprijs voor de Vrede uitgereikt door het Nobelcomité. Vooraf hadden de kranten volgestaan met speculaties over de toekenning van de prijs. Waarom wilde Abiy de pers niet te woord staan, waarom woonde hij de feestelijkheden voorafgaand aan de uitreiking niet bij? Het rommelt in Ethiopië, groepen verkeren in staat van opstand, de vrede wankelt. Kerken gaan opnieuw in vlammen op, burgers vinden opnieuw de dood. De bbc liet zien hoe het boek van de premier met zijn visie voor Ethiopië publiekelijk werd verbrand. Werd hij misschien te vroeg beloond?

Maar tijdens de uitreiking in Oslo hield premier Abiy een indrukwekkende toespraak. ‘Een droom over vrede werd een nachtmerrie van oorlog.’ Hij deelde zijn persoonlijke ervaringen met oorlog en gaf daarmee inzicht in zijn hardnekkige geloof in de vrede. Hij citeerde zowel uit de bijbel als uit de koran. En hij zei tegen het eind van zijn speech: ‘Ik heb beloftes te houden voordat ik naar bed ga. Ik heb kilometers te gaan op de weg naar vrede.’ Hij kreeg de gouden medaille met de beeltenis van Alfred Nobel daarop uitgereikt.

Sirak had de hele toespraak rechtop bij de televisie gestaan en in tranen genoten van elk woord. Abiy was gewoon economy class naar Noorwegen gevlogen en had de mensen in het vliegtuig een hand gegeven. Sirak zag een interview met een oude Ethiopiër op televisie die had gezegd: ‘Een man als premier Abiy komt maar eens in de honderd jaar voorbij.’ Daar kon hij weleens gelijk in hebben, denkt Sirak, en hij hoopt dat hij overeind kan blijven. Dan kan de kroon, na een uitstapje naar Nederland, terug naar huis.