Een kroon voor lanoye

TEN AANVANG SLAAT iemand in het halfduister met een ijzeren staaf drie keer op een aambeeld. De felle schijnwerper die ons aanvankelijk in het gezicht scheen, verdwijnt in de toneeltoren. Het toneellicht gaat langzaam aan over het reusachtige, in de zaal gebouwde voortoneel, een eikenhouten vlonder. (Er zijn minstens acht toeschouwersrijen ten behoeve van dit voortoneel gesloopt; over ‘zichtlijnen’ hoeft niemand zich hier te bekommeren.) Met ontbloot bovenlichaam en een soort oosterse rok voor martiale vechtsporten aan zit daar een op het oog gezellig dikkerdje, Le Roi Richaar Deuzième (Wim Opbrouck). Naast hem zit een blond meisje in een witte jurk, door hem gekoesterd als La Reine, zijn kindvorstin (Kyoko Scholiers).

Op het toneel is achter hen een tweede platform gelegd, daarachter (en gedeeltelijk daarbovenop) ligt er nog een. De trapsgewijs gestapelde plateaus zijn kaal en streng gelakt. Op het achterste speelvlak ligt een blauwwit gekleurd en oplichtend ‘schilderij’. Het ziet eruit als de verbeelding van de wereld, de globe. De achtermuren van het toneelhuis zijn onbedekt, we zien op den duur de muren. Het toneellicht hangt in het zicht van de toeschouwers. De theatermakers hebben niets te verbergen. Langzaam tooit de koning zichzelf met de simpele metalen kroon die tijdens de hele marathon voortdurend én zal worden doorgegeven én onderwerp is van gesprek. De Holle Kroon. In het halfduister achter Richard II en zijn piepjonge koningin staan mensen voortdurend te buigen. We zien ze (nog) nauwelijks. Links achter het vorstenechtpaar staat een sombere figuur, gekleed in een donkere pij en met een muts op: Jan van Gent, de oom van de koning, tevens diens stervende adviseur en vader van zijn voornaamste rivaal, Hendrik Bolingbroke.
RICHAAR DEUZIE`ME opent de marathon van tien uur theater met deze tekst: 'Mijn wijze grijze oom, mijn Jan van Gent,/ Wiens trouwe vleugels het aloude nest/ Van Lancaster beschermen lijk een schat,/ Vertelt mij: Is de aanklacht van Uw zoon -/ Mijn hevig helmboswuivende kozijn -/ Gegrond op een bewijsbaar, echt verraad/ Of eerder op een vage, valse vete?’ Daarmee zet dit personage de toon voor de hele inhoud van deze marathon met 'Shakespeare-Histories’ (de vraag van iedere heersende monarch luidt in de cyclus uiteindelijk: word ik bedonderd of hoe zit het?). En hij zet ook de toon van het taalgebruik dat de hertaler (van vertalen is hier geen sprake meer) Tom Lanoye hanteert: 'Mijn hevig helmboswuivende kozijn’. Dat je als Nederlander bij 'kozijn’ éérst aan ramen denkt, en pas daarna door hebt dat 'kozijn’ de verbastering is van 'cousin’, neef, dringt kort daarop door, wanneer Richaar Deuzième zijn neef toeroept: 'Mon Dieux, neveu! Vous êtes un peu nerveux.’
De eerste glimlach is binnen: dit wordt niet alleen maar eerbiedig luisteren naar elisabethaanse verzen, dit wordt ook lachen. En genieten. Richard II geeft gratis advies aan de twee vechtersbazen tegenover hem: 'Heethoofd en kemphaan, aanvaardt onze raad:/ Purgeert uw gal maar niet uw kostbaar bloed./ Vergeeft, vergeet, verzoent u. Stopt met haten - Het is een slechte maand voor aderlaten./ Nonkel, wilt gij niet ook eens met hen praten?’ Zoals gezegd, die eerste scène zet meteen een definitieve toon voor deze hele Shakespeare-marathon.
TEN OORLOG BESTAAT uit drie delen. 'In de naam van de Vader en de Zoon’ bevat het eerder genoemde Richard II, het oorspronkelijk uit twee lange, lange delen bestaande en hier tot één uur teruggebrachte Hendrik IV, met daar meteen aan vast het chauvinistische Engels-Franse oorlogsdrama Hendrik V, ook teruggebracht tot één vol uur theater. Het tweede deel van de marathon heet 'Zie de dienstmaagd des Heren’, en is voornamelijk opgebouwd uit de drie delen van Hendrik IV, een van Shakespeares jeugdwerken. Hierin speelt voor het eerst een vrouw de centrale rol, de koningin(-moeder) Margaretha di Napoli. En ten slotte is er 'En verlos ons van het Kwade’, dat is opgebouwd uit de laatste bedrijven van Hendrik IV en verder uit het beruchte Richard III, hier Risjaar Modderfokker den Derde genaamd.
Ruim twintig acteurs spelen alle rollen op het kale plankier van Katrin Brack, in het feeërieke licht van Enrico Bagnoli en in de kostuums van Ilse Vandenbussche. Er is over de hele onderneming vijf jaar nagedacht en er werd zo'n veertien maanden gerepeteerd. Een aantal, voor de historie van het uitvoerend gezelschap - de Blauwe Maandag Compagnie - cruciale acteurs (Stanny Cretz, Peter van den Begin) is tijdens de repetities weggelopen, evenals mensen uit de staf. Je kon rond de twintigste november in Nederland en Vlaanderen geen krant opslaan of er stond wel een gesprek in met hertaler Lanoye of regisseur Perceval. Of met actrice Els Dottermans, die vlak voor de première zwaar geblesseerd raakte en die haar rol nu speelt in een corset dat haar gekneusde rugwervels beschermt. Van de subsidiënten kreeg de BMC (die binnenkort fuseert met de Koninklijke Nederlandse Schouwburg te Antwerpen) toestemming om een vol jaar geen voorstellingen te spelen en zodoende ruim tijd te maken voor de repetities van Ten oorlog - een unicum, ook en juist in Vlaanderen. We kunnen hier dus rustig spreken van een prestigieus theaterproject. Zich afspelend binnen de vierhoek: tomeloze energie in het acteren, liefde voor de teksten, aandacht voor de inhoud van het vertoonde (Shakespeares theater-van-een-tijd wordt hier schijnbaar moeiteloos theater-van-de-tijd), en humor, een soms schaamteloze relativering van de slachtvelden en moorden.
De cyclus opent met Richard II (Richaar Deuzième in Lanoyes hertaling) bijna retorisch. De gekozen speelstijl staat hier meteen als een huis: men acteert vrijwel altijd met het gezicht front zaal, er is geen zogeheten 'vierde wand’ (zoals die er in het originele Shakespeare-theater ook niet was). Er wordt ook razendsnel geschakeld van ernst naar luim, van de stille contemplatie naar de gulle lach. Neem de bijna-sterfscène van des konings adviseur, Jan van Gent. Jan van Gent: 'Mijn naam was zelden zo toepasselijk./ Ik ben gelijk een vogel voor de dood./ Gekortwiekt door gemis en ouderdom/ Heb ik tot nu mijn slapend land bewaakt -/ Dat kostte mij méér haren nog dan veren./ Zelfs ’t zangzaad waar een vader soms op teert -/ De aanblik van zijn kroost - werd mij ontzegd./ Ik ben geplukt, gepluimd, ten voeten uit./ Mijn graf wordt straks mijn laatste vogelmuit.’
Koning Richaar, die in zijn vrije tijd graag mag dichten, repliceert: 'Tien nieuwe jeux de mots op un oiseau,/ Niet één door mij bedacht! Quel culot,/ Voor iemand die op sterven ligt. Chapeau!’
Vlak na deze prachtige dialoog neemt Jan van Gent plaats op het blauwwit verlichte tableau dat de wereld, de globe moet voorstellen. Hij zakt in de grond. Met een oorverdovend geraas komt tegelijkertijd het achterste plateau omhoog, en vormt een (van achteren dreigend belicht) keldergewelf. Het is nu definitief gedaan met de flirt met macht en broederstrijd uit de eerste bedrijven van Richaar Deuzième. Het 'echte’ werk gaat beginnen. Op het voortoneel krijgt de kindvorstin, La Reine, haar eerste bloeding. Tot en met haar slotscène met de koning - wanneer híj al is afgezet - zal ze blijven rondlopen in een wit jurkje met rode vlekken. Het is gedaan met de onschuld.
IK MOET EERLIJK bekennen dat ik Wim Opbrouck (Richard II, later La Falstaff) nog nooit heb zien spelen. Hij was voor mij meteen dé ontdekking van deze marathon. Opbrouck is fors gebouwd, kaal, hij heeft stevige mannenborsten, en een stem als een kerkklok. En hij kan schakelen, schijnbaar moeiteloos. Wanneer Richard II (in het beroemde vierde bedrijf van het stuk) wordt opgebracht om openlijk afstand te doen van troon en kroon, weet Opbrouck van de afgang van Richard II een magistrale opkomst te maken, een heus nummer: 'Het mangelt mij, Messieurs, aan zeggingskracht/ Om te vertolken hóe zeer in de wolken/ Uw bede mij niet heeft gebracht, uw roep -/ Als groep! - om mij, een doodgewone vent,/ Ovationeel op ’t voortoneel te halen/ Voor - tja, wat? Een encore? Een Grand Finale?/ Weet: ik betreed de bühne sans rancune.’
Dank natuurlijk ook vooral Tom Lanoye die hem deze meesterlijke teksten (met prachtig binnenrijm) in de mond legt. Opbrouck maakt van deze tekst muziek. En doet dat ook in een duet met zijn opvolger, Hendrik Bolingbroke, de latere Hendrik IV. Bolingbroke: 'Gij wildet afstand doen, gij waart zo vrij.’ Richaar: 'Ja, van mijn kroon; mijn smart, die blijft van mij.’ Bolingbroke: 'Ten dele hangt uw smart toch aan uw kroon?’ Richaar: 'Ik blijf ook zonder niet van zorg verschoond./ Mijn zorg? Verloren zorg, de zorg voorbij./ Uw zorg? Verworven zorg, veel zorg erbij.’
Het zijn simpele toonhoogteverschillen waarmee Wim Opbrouck duidelijk maakt welke lasten hier worden doorgegeven: Bolingbroke krijgt de zorgen van de macht, de afgezette koning krijgt de last van het moment waarop hij zal moeten sterven. Shakespeare schrijft in deze bloedstollende scène voor dat de afgezette koning een spiegel vraagt. Hier krijgt hij een ouderwetse, witmetalen ziekenhuissteek, een pispot. Hij kijkt erin. 'Is dit de kop die zoveel zotheid zag?’ In de originele tekst gooit Richard de spiegel kapot. Bij Luc Perceval leegt hij de pispot op de speelvloer. Ontluisterender kan bijna niet.
Vanaf dat moment begint het Grote Inbreken van tekst en regie van Ten oorlog in de regels en de aanwijzingen van Shakespeare. Wanneer de afgezette koning in een gevangenis in het hoge noorden wacht op zijn dood, leest hij een gedicht voor van Kafavis, 'Rome in afwachting van de barbaren’. Hij sterft niet in een steekpartij, maar simpelweg doordat hem een vergiftigde schotel wordt voorgezet, die voor het eerst sinds hij koning is níet wordt voorgeproefd: 'Stijgt op, mijn ziel! Gaat ginds uw plaats verwerven -/ Mijn zware lijf stijgt op, om hier te sterven.’ En tergend langzaam dooft het licht op de eerste dode koning.
VIC DE WACHTER (in Richaar Deuzième nog een woest om zich heen meppende Bolingbroke en gedoodverfde troonopvolger Hendrik Vier in het gelijknamige stuk dat in de cyclus direct volgt) ziet er in de opvoering van Luc Perceval uit als Stalin. Alleen de snor ontbreekt. Hendrik Vier is een gefrustreerde man, die wordt achtervolgd door de schaduw van zijn voorganger. En door allerlei denkbare tegenstanders, die rigoureus moeten worden opgeruimd. In feite ziet hij in ongeveer iedereen een potentiële tegenstander.
Hendrik Vier was Shakespeares vingeroefening voor Macbeth. Nooit meer slapen, altijd op zijn hoede. En dan heeft die arme koning ook nog een losbollige zoon, hier Henk geheten (gespeeld door Jakob Beks). Die wordt meteen in de ingedikte versie van dit tweedelige koningsdrama ten tonele gevoerd als een kind dat komt toneelspelen op het vijftigjarig huwelijksfeest van zijn grootouders. Hij treedt op in onderbroek en met vleugeltjes. Zijn chaperonne en leraar is La Falstaff (Wim Opbrouck), een travestiet die - in een hoerig-rode jurk en met een roodbruine pruik - Hendrik Vier opent met een op hoge toon gezongen Ave Maria. De toon van dit deel is dan ook meteen gezet: de koning worstelt met zijn verleden en met zijn actuele tegenstanders, zijn zoon past niet in die wereld en wil liever in onderbroek en met vleugeltjes optredens verzorgen. Die illusie is snel voorbij. Nog even valt Henk in slaap in de schoot van La Falstaff, terwijl zijn vader wanhopig over het speelvlak rondwaart, op zoek naar een werkelijke compaan.
Na een bloedstollende ruzie geeft Henk zich gewonnen. Hij trekt het kostuum van de oorlogszuchtig gemaakte jongeling aan. En hij begint prompt te schreeuwen. Binnen één uur is Henk omgebouwd. Hij aanschouwt zijn lamenterende en stervende vader. Hendrik Vier: 'Hoeveel tienduizenden aan onderdanen,/ Hoe nederig of hoog zij zich ook wanen,/ Zijn niet in slaap op dit ellendig uur?/ O zoete Slaap, verpleegster der Natuur!/ Aan welk vergrijp ging ik mij dan te buiten,/ Dat gij geen ooglid meer van mij wilt sluiten?’ Henk pakt de vallende kroon van de stervende vorst, zijn vader, op. De scène krijgt hier echt iets van het sterven van Stalin. Volgelingen dansten al rond diens sterfbed toen hij de ogen nog niet definitief had gesloten. Hendrik Vier: 'Uw honger naar mijn lege troon moet groot/ Zijn, als gij zo - gij jonge idioot -/ U met mijn eretekens wil bekleden/ Nog voor ik goed en wel ben overleden.’ Kort daarop is Hendrik Vier toch Hendrik den Vijfden geworden. En La Falstaff kan gaan. Hij wordt als 'een oude knar, een lijk’ terzijde geschoven.
BIJ SHAKESPEARE sterft Falstaff van verdriet aan het begin van Henry V. Bij het duo Lanoye/Perceval ontdoet hij zich van jurk en pruik. Wim Opbrouck trekt een pak aan. En fungeert vervolgens als de verteller in Hendrik den Vijfden, de oorspronkelijke Proloogspreker: 'Was ik niet ik, maar Muze van het Vuur;/ Kon ik, als vlam, verzengend stijgen naar/ De hoogste hemel der verbeeldingskracht -/ Ik nam geen vrede met dit vals theater./ Ik koos een koninkrijk, geen plankenvloer./ Ik ronselde echte prinsen, geen acteurs./ Ik liet slechts vorsten binnen als publiek.’ Hendrik den Vijfden wordt vervolgens bijna achteloos, cabaretesk afgewikkeld.
De twee grote veldslagen in het stuk worden verbeeld door lawines meubilair op het toneel te flikkeren, gegooid tegen een inderhaast opgetrokken wand. Er staat ook een 'paard’ tussen, een kruising tussen een gymtoestel en een opgezet dier. De Franse tegenstanders van Hendrik den Vijfden (koning, kroonprins en kroonprinses) worden getoond als afgetrapte circusartiesten die 'iets’ met stokbroden doen. Topnummer is daarbinnen Vic de Wachter, die Charles VI neerzet als tamboer-maître die almaar overmoedig zijn trommelstokje in de lucht werpt en het maar niet vangen kan. Hendrik den Vijfden is in het gelijknamige deel griezelig in zijn fanatisme, dat almaar verder uitbot en groter en enger wordt. Dit chauvinistische en wanhopig naar roem en weerklank verlangende mensenkind is geen lang leven beschoren. Zo is het ook: was de oorlog nu nog gericht op een vijand over het Kanaal, spoedig zullen alle vijanden in Engeland zelf te vinden zijn. Met de triomf van Hendrik den Vijfden is het grote bloeden binnen in Engeland definitief begonnen. La Falstaff leidt het in: 'Ik ben elk medicijn voorbij, voor mij/ Kent hartstocht maar één naam, één bed: de dood./ O ziel van mij, leef voort. Versier je met/ De pluimen die je knecht, mijn Lijf, verliest./ Betaal mijn hemel met het zinloos wegrotten/ Van maag en strottenhoofd, van merg en bloed./ Zo teer je op de Dood, die teert op ons./ En als de Dood sterft, sterft het leven mee.’
Het volgende Grote Sterven kan beginnen.