Een kruistocht antroposofie en racisme

‘Het joodse volk zal verdwijnen.’ ‘Aborigines kiezen zelf voor hun uitsterven.’ ‘Nelson Mandela is een uitzondering.’ Toen Toos Jeurissen ontdekte dat antroposofen dergelijke uitspraken doen, haalde ze meteen haar kinderen van de Vrije School. En begon een kruistocht tegen het gedachtengoed van Rudolf Steiner. Op deze bladzijden haar relaas.
Verleden jaar verscheen van Toos Jeurissen Uit de Vrije School geklapt, bij uitgeverij Baal Produktie, Sittard.
TOEN EEN Vrije-Schoolmoeder, Angelique Oprinsen, mij voor het eerst aansprak over het racisme in het werkschrift van haar dochter Juliette, leerlinge van Vrije School De Berkel in Zutphen, kon ik me niet voorstellen dat antroposofen er racistische vooroordelen op nahielden. Ik wilde natuurlijk ook niet dat het waar was.

Mijn eigen kinderen zaten tenslotte ook op een Vrije School. Maar toch. De titel van het werkschrift luidde Rassenkunde en ook de inhoud herinnerde aan nazi-denkbeelden. In het schrift vond ik onder andere dit schema: ‘Zwarte ras - baby; gele ras - puber; blanke ras - volwassene; rode ras - ouderdom.’ De tekst in het schriftje was inmiddels door drie leerkrachten van De Berkel verdedigd.
Dan toch maar een leerkracht op de school van mijn eigen kinderen, Vrije School de IJssel in Zutphen, aangesproken. Toen ik hem vertelde dat in het schrift zwarten werden gelijkgesteld met baby’s, reageerde hij met: 'Ja, maar dàt is antroposofie, dat hoort niet in een kinderschrift.’ Het feit dat hij het als antroposofisch herkende, verontrustte mij nog meer. Hij beloofde mij dan ook de bewuste leerkracht te vragen een ouderavond te organiseren over dit onderwerp. Deze ouderavond heeft echter nooit plaatsgevonden.
Angelique Oprinsen vond evenmin gehoor bij leerkrachten en ouders. Telkens kreeg zij ten antwoord dat ze Steiners gedachten over 'rassen’ wel zou onderschrijven als ze Rudolf Steiner echt zou begrijpen; uit het feit dat ze zijn gedachten niet onderschreef, bleek dat ze Steiner niet had begrepen. Omdat haar bezorgdheid over het vak 'rassenkunde’ op school dus onbespreekbaar bleek, schakelde mevrouw Oprinsen de Volkskrant in. Dit resulteerde op zaterdag 4 februari 1995 in een voorpagina-artikel: 'Op Vrije Scholen hebben negers dikke lippen en gevoel voor ritme’.
Veel ouders waren kwaad op Angelique Oprinsen omdat zij naar de Volkskrant was gestapt. Het racisme in het lesmateriaal werd gebagatelliseerd. Negers hebben toch dikke lippen? Wat me verbaasde, was dat ook niet-antroposofische ouders zich lieten geruststellen door een briefje van het schoolbestuur. Daarin stond dat we als ouders ervan overtuigd mochten zijn dat de school elke vorm van discriminatie veroordeelde. Nergens werd inhoudelijk op de kritiek ingegaan. Dat was het dan.
ONTEVREDEN over de gang van zaken dook ik zelf in de materie. Ik vroeg documentatiemateriaal aan bij het Anti Racistisch Informatie Centrum en las het verhaal van August de Roode, een ouder van de Vrije School te Meppel, die in de jubileumuitgave Vijftig jaar ontwikkeling van het tijdschrift Vrije Opvoedkunst een bijdrage had gevonden van J. van Wettum, een Vrije-Schoolleerkracht die langere tijd in Zuid-Afrika had gewerkt, waarin deze beweerde dat 'het zwarte kind nog niet een gelijke partner is in de ontwikkeling der mensheid’. Maar met een beetje goede wil en inspanning van de (westerse) antroposofie kon ook dit zwarte kind, 'met behoud van de goede eigenschappen van dit ras’ (hier doelt de rassenveredelaar in spe op de door hem gesignaleerde 'diepe morele, echt warm-menselijke eigenschappen, die een wezenlijke bijdrage kunnen leveren voor de vooruitgang van het mensengeslacht’), zo ver komen.
Onthutst had De Roode een open brief geschreven aan ouders, leerkrachten en bestuur van de Meppelse Vrije School. De leerkracht aan wie hij deze brief had overhandigd, was echter van mening geweest dat de ouders niet in staat waren om Steiner te begrijpen, laat staan te beoordelen; de brief was niet rondgedeeld.
Een soortgelijke reactie had De Roode ook ontvangen van de heer Veldman, voorzitter van de Vereniging voor Vrije Opvoedkunst, die in zijn brief terloops vaststelde dat De Roode vanwege zijn bruine huid overgevoelig zou zijn voor dit soort aangelegenheden.
Ook hoorde ik van Greet Crum, kleuterleidster van de Vrije School in Driebergen, dat een zwarte kleuterleidster uit Afrika in 1994 tijdens een internationale kleuterleidstersconferentie in Eindhoven haar beklag had gedaan over de belerende houding van haar blanke collega.
WAT ME ECHTER nog het meest schokte, waren de bevindingen van het Nijmeegs Comité van Waakzaamheid, dat in 1985 twee lezingen had bijgewoond van de antroposoof Frank Wijnbergh. Wijnbergh had in Nijmegen gesproken op verzoek van het Antroposofisch Studiecentrum. De titel van de beide lezingen luidde 'Rassenproblematiek’. Het 'rassenprobleem’ was door de heer Wijnbergh behandeld binnen het kader van de antroposofische theorie over reïncarnatie. Antroposofie zou inzicht geven in karma en reïncarnatie, in de godenwereld in verleden, heden en toekomst. Men gaat er in deze theorie van uit dat er mensen van verschillende 'rassen’ bestaan en dat mensen van het ene 'ras’ ook werkelijk anders zijn dan mensen van een ander 'ras’. Volgens Steiner beschikken de verschillende 'rassen’ over bepaalde mogelijkheden èn onmogelijkheden en zijn zij op de wereld gezet om een bepaalde cultuuropdracht te vervullen die de mensheid verder moet brengen. Als de opdracht bijna is vervuld, hebben de lichamen van deze 'rassen’ geen functie meer. Er zullen dan alleen nog lagere zielen in deze lichamen incarneren. Het ras zal degenereren en uiteindelijk verdwijnen.
Ook Wijnbergh had tijdens zijn lezing uiteenlopende kenmerken en kwaliteiten toegekend aan de diverse 'rassen’. Hij was er ook niet voor teruggeschrokken om tegenover het vrijwel kritiekloze publiek het uitroeien van bepaalde volkeren te 'verklaren’, met name dat van de Indianen. Een citaat uit de lezing: 'En je ziet dat het Indiaanse “ras” zich op een bepaalde manier is gaan gedragen. Namelijk het heeft geresigneerd. Dat dan het blanke “ras” zo onvriendelijk is om dat te verhaasten door ze uit te roeien, dat is een gebeuren dat je voortdurend in de geschiedenis ziet gebeuren. Op het moment dat een impuls niet meer krachtig, niet meer op zijn plaats is, zijn er altijd andere volkeren, andere mensen, andere invloeden, die ze een kopje kleiner maken. (…) Dat is een wet!’
Toen ik onlangs tijdens een gesprek met de leden van de ouderkring van de Vrije School De IJssel dit verhaal voorlas en vroeg wat zij ervan vonden, was hun antwoord: 'Je pakt wat zinnen en legt ze naast elkaar. Wij weten niet wat er van tevoren is gezegd, we weten niet wat er na dit citaat is gezegd, uit welk verband dit citaat is gehaald.’
IK WERD LID van de antroposofische bibliotheek en bezocht antroposofische boekwinkels. Daar viel mijn oog op Antroposophie und Rassismus, een boek uit de Flensburger Hefte-serie, geschreven door Duitse antroposofen. Verrast door het feit dat er antroposofen bestonden die tot kritiek op Steiner in staat waren, kocht ik het boek.
In dit boek worden de gebruikelijke uitvluchten van antroposofen onderuitgehaald. Dat de teksten van Steiner uit hun verband zijn gehaald of dat er fouten in de stenogrammen zouden zijn geslopen. Het voorwoord meldt: 'Onder de uitspraken van Steiner bevinden zich enkele die door niets meer te rechtvaardigen zijn en waar men zich consequent van zou moeten distantiëren. Wij zijn ons ervan bewust dat dit pijnlijk kan zijn, maar we menen dat het noodzakelijk is en dat het ook in de bedoeling lag van Steiner, die er immers telkens weer toe opgeroepen heeft zijn uitspraken te onderzoeken. Wij hebben niets anders gedaan dan aan deze oproep gehoor te geven en een werkelijk onderzoek kan niet plaatsvinden onder de voorwaarde dat er geen fouten of vergissingen gevonden mogen worden.’
Ik belde Helmut van Renesse van de Bond van Vrije Scholen en vroeg hem wat de bond van plan was met de kritiek te gaan doen. Van Renesse nodigde mij uit voor een gesprek. Ik stemde toe, als hij eerst de Flensburger Hefte zou lezen. Daar was hij gaarne toe bereid. Ook het bestuur van De Berkel verzocht ik dit boek te lezen. Verder meldde ik hun dat ik een artikel voor de schoolkrant zou schrijven als reactie op het artikel over racisme van een leerkracht van De Berkel, waarin niet inhoudelijk op de kritiek werd ingegaan. Een bestuurslid van De Berkel adviseerde mij om voorzichtig te zijn; de ouders moesten gedoseerd te horen krijgen dat Steiner ook maar een mens was, anders zou er van de Vrije School weinig meer overblijven dan een leuk alternatief schooltje.
UIT GESPREKKEN met ouders was mij ondertussen duidelijk geworden dat men de racistische ideeën van Steiner nog steeds aanhing. Men moet daarbij niet vergeten dat de antroposofie een allesoverkoepelende leer is die een levenshouding met zich meebrengt waarbij de antroposofische gedachte zich in alles manifesteert. In deze leer heeft alles een betekenis, is alles karmisch bepaald, zelfs de gruwelijkste dingen. Ook het lijden wordt als nuttig ervaren. Een antroposofe vroeg ik wat dan de karmische noodzaak kon zijn van het feit dat er tijdens de holocaust levende baby’s in de ovens zijn gegooid. Ze dacht dat hun zielen door de schok misschien konden kiezen voor het licht.
In een boek van Simon Wiesenthal, Geen wraak maar gerechtigheid, kwam ik een passage tegen die me hieraan deed denken. Het gaat over kamparts Aribert Heim, die in Mauthausen een twaalfjarige joodse jongen als slachtoffer voor zijn ontleedproeven had uitgekozen. Heim verklaarde het kind met vriendelijke stem, alsof hij hem van de noodzaak van een amandeloperatie moest overtuigen, waarom de joden moesten sterven. Zij droegen de schuld van het onheil in de wereld en vooral van deze oorlog. Vervolgens doodde hij de jongen met een gifinjectie in het hart. Ik kan niet geloven dat al deze kampbeulen geestesgestoord waren. Het waren allemaal mensen die overtuigd waren dat wat ze deden goed was.
Laten we eens kijken wat antroposofe Mellie Uyldert ervan zegt in haar blad De Kaarsvlam: 'Men is het geboren slachtoffer, de martelaar, of men wil of niet. Vaak neemt zo iemand vrijwillig de voor anderen bestemde slagen op zich, kiest altijd het naarste plekje in vervoermiddelen of schouwburg en neemt de schuld van een ander op zich (…) Zij zuigen als het ware de disharmonieën van hun omgeving in zich op en boeten die uit met hun lichaamslijden. (…) Dit type komt bijzonder veel voor onder het joodse volk, dat, in wezen wars van alle geweld en agressie, het lijden van de gehele volkerengemeenschap op onze planeet op zich genomen heeft en de collectieve schuld uitboet, niet alleen in haar grote zoon Jezus van Nazareth, maar in de miljoenen bij pogroms en in concentratiekampen gemartelde en in onzegbaar lijden vernietigde en toch onsterfelijke joden. Zij zijn het grote voorbeeld van dit aspect: het verlossen van anderen door hun eigen ondergang. (Daardoor kunnen zij ook onmogelijk kerkchristen worden, dus het dogma aannemen dat Jezus voor hen gestorven zou zijn - zij sterven zelf met hem mee voor dezelfde zaak.)’
Toen ik op verzoek van het antiracistisch meldpunt Open Deur op 4 september in Deventer een lezing van Mellie Uyldert bezocht, kwam ik daar de leerkracht tegen die verantwoordelijk was voor de racistische tekst in de schoolschriftjes van de kinderen op De Berkel. Toen ik hem vertelde hoezeer ik geschrokken was, zei hij: 'Ja, vreselijk hè, maar toch knap dat ze dat nog kan op haar leeftijd.’ Ik zei dat ik geschrokken was van het feit dat híj daar zat. Hij zei: 'O, daar hoef je niet van te schrikken. Je moet je breed oriënteren.’
ONDERTUSSEN zocht ik steun bij andere critici: Paul Smulders, voormalig lid van de werkgroep tegen fascisme; historicus Gjalt Zondergeld, die de verwevenheid van antroposofie met racisme aan het licht bracht; Bram Moerland, filosoof en schrijver van het boekje Racisme met charisma. We richtten de Werkgroep Antroposofie en Racisme op.
Het tweede deel van een schoolkrantartikel dat ik had geschreven zou na de vakantie worden geplaatst. Redacteur Henny Polwijk liet me echter weten dat het te lang was; het was beter om alleen mijn eigen bevindingen te plaatsen en niet de conclusies van de Duitse antroposofen. Hoofdredacteur Bob Tempelman vond het artikel te wetenschappelijk voor een schoolkrant; ik zou de ouders overspoelen met informatie en de ouders zouden het wel eens als waarheid kunnen lezen. Tijdens een gesprek dat ik enige tijd later met leerkrachten van De Berkel had, vertelden ze dat ze intern allang afstand hadden genomen van Steiners racisme: ik liep volgens hen voorop in een bewustwordingsproces en de rest zou wel volgen.
Uit gesprekken met een aantal ouders van die school bleek dat dat afstand nemen nog wel meeviel. Volgens hen was er alleen maar gezegd: 'Mocht Steiner ooit discriminerende uitspraken hebben gedaan, dan distantiëren wij ons daarvan.’
De schoolkrant verscheen met twee andere artikelen over het onderwerp. Een van Henny Polwijk, waarin hij de lezer vraagt of het ontkennen van rasverschillen niet erger was dan 'racisme’. Natuurlijk wel met de beste antroposofische bedoelingen. Het tweede artikel was van Louis Boeken, die mij neerzette als iemand die Steiner nog niet begreep. Zijn laatste alinea luidde: 'Racisme stelt dat bepaalde rassen (en in bredere, tegenwoordig meer gebruikte zin, bepaalde groepen mensen) minder, andere meer waarde hebben. Dat achtten wij, humanistisch denkende West-Europeanen, mensonwaardig. (…) Bestrijden kunnen we het alleen in onszelf omdat het iets innerlijks is. Het gevaar van die antiracisten schuilt hierin dat ze zo gefixeerd raken op wat je als racistische uitlatingen zou kunnen beschouwen dat ze die overal gaan waarnemen.’
Ik belde de school om te melden dat ik mijn kinderen van school haalde. Ik had er meer dan genoeg van. De leraar van mijn middelste zoon wilde er met mij over praten. Het was een goed gesprek waarin hij als enige duidelijk stelling nam. Ik zocht vervolgens contact met Jaap de Boer, directeur van de schoolbegeleidingsdienst van Vrije Scholen. Deze stelde dat 'een ieder die nog vindt dat het allemaal wel meevalt met het racisme in Steiners leer, zelf racistische vooroordelen moet koesteren. Want als je racistische vooroordelen koestert, ja dan valt het wel mee.’ Hij sloot zich aan bij onze werkgroep.
Een tweede gesprek met De Berkel volgde. Ik zei dat ze ruimte open lieten voor racisme zolang ze zich niet distantieerden van Steiners ideeën. Dit resulteerde in het toevoegen van twee zinnen aan een artikel in het jaarverslag: 'De zich herhalende publiciteit rond de op onze school gegeven volkenkundeperiode heeft ons ervan bewust gemaakt dat sommige uitspraken van Rudolf Steiner gezien kunnen worden als een rechtvaardiging van plat racisme. Wij distantiëren ons van deze uitspraken.’
AANGEZIEN IK mijn verontrusting niet kwijt kon in de schoolkrant, belde ik Helmut van Renesse van de Bond van Vrije Scholen weer. Hij raadde me aan contact op te nemen met Hanneke Steutel van de Vereniging voor Vrije Opvoedkunst. Zij zou mij wel in de gelegenheid willen stellen om mijn bezorgdheid uit te spreken in het blad van de VOK. Steutel vroeg mij inderdaad de door de schoolkrant geweigerde tekst op te sturen. Op 8 november ontving ik haar reactie: 'Ben onder de indruk. Er zijn wel een paar dingen op aan te merken maar daar gaat het niet om: de inhoud blijft overeind. U hoort zo gauw mogelijk iets.’ Daarna hoorde ik niets meer.
Als werkgroep besloten we om dan maar een brochure van mijn niet-geplaatste artikel te maken. Een vriend van Paul Smulders maakte er een radioprogramma over dat werd uitgezonden op de dag dat mijn brochure in de brievenbus van alle vrije scholen in Nederland viel. In dit programma verdedigde Christof Wiechert enkele racistische uitspraken van Rudolf Steiner. Hierdoor zag het bestuur van de antroposofische vereniging zich genoodzaakt tot het plaatsen van een advertentie waarin het, voor zover er sprake was van een rassenleer bij Steiner, daar afstand van nam. Leden hadden kritiek op de advertentie. Er dreigde een breuk in de vereniging; niet het 'rassenvraagstuk’, maar de vraag of het bestuur wel kon blijven zitten beheerste de discussie.
In het VOK-blad verscheen een reactie waarin gezegd werd: ’…bovendien denk ik dat je de invloed van de leerstof en de leerkracht overschat wanneer je vreest dat kinderen racistisch gaan denken op grond van clichés en stereotyperingen. Als ik mijn kinderen een sprookje van Grimm voorlees, waarin de jood steevast wordt afgeschilderd als een onbetrouwbaar, diefachtig persoon, voel ik mij van binnen wat onbehaaglijk. Toch sla ik deze passages niet over en ik denk ook niet dat mijn kinderen er antisemitisch van worden.’
Ook publiceerde Vrije Opvoedkunst een ingezonden brief van ene A.D. met kritiek op de brochure. De briefschrijver citeerde uit mijn brochure: 'De aan Steiner verwante theosofe Alice Ann Bailey, nog steeds in iedere esoterische boekwinkel te vinden, zei nog in 1949 dat “uit karmische noodzaak de moord op zes miljoen joden een vuur van gerechtigheid” was.’
De schrijver had mij eerder telefonisch verweten dat ik door dit citaat Steiner zo op één lijn bracht met de ideeën van de theosofe Bailey. Dat klopte niet, vond A.D., want Steiner kende Bailey niet. De antroposofie komt echter voort uit de theosofie en is alleen een eigen weg gegaan omdat Steiner uit de theosofische vereniging is gezet.
Ik antwoordde de heer A.D. dat ik het citaat van Bailey in de twee de druk wilde vervangen door een citaat van Steiner over het jodendom. De heer A.D. kende dat citaat niet, dus las ik het voor: 'Het jodendom heeft zichzelf overleefd, heeft geen bestaansrecht meer in het moderne leven, en dat het desondanks behouden is gebleven, is een wereldhistorische fout waarvan de gevolgen niet konden uitblijven.’ A.D. schrok van deze uitlating, maar deed er een beetje lacherig over. Ik vertelde hem vervolgens dat het al met al niet zo veel uitmaakte, omdat het citaat van Bailey en het citaat van Steiner dezelfde uitwerking hebben. Alleen mijn woorden 'dat het al met al niet zoveel uitmaakte’ kwamen vervolgens in A.D.’s ingezonden brief terecht, waardoor de indruk ontstond dat ik het niet zo nauw nam met de waarheid. Ik schreef een brief, maar de hoofdredacteur, de heer Veldman, weigerde deze te plaatsen.
DAN DE HEER Stefan Geuljans. Deze man verweet mij niet op zijn vijftien A4'tjes te hebben gereageerd. Ik heb die echter nooit gezien. Wel heb ik van het Willehalm-instituut het stuk Evolutie en involutie van zijn hand ontvangen, met de boodschap dat ik me op kon geven voor een vraaggesprek met hem. Uit deze tekst bleek dat Geuljans niet bereid was kritisch naar Steiner te kijken. Toen hij mij belde heb ik met aandacht naar hem geluisterd; zelf kwam ik nauwelijks aan het woord. Hij beëindigde zijn monoloog met te zeggen dat ik een integer mens was. Waarschijnlijk omdat hij dacht mij te hebben overtuigd. Toen hij er echter op een bijeenkomst in Amsterdam achter kwam dat ik de racistische uitlatingen van Steiner nog steeds gevaarlijk vond, deelde hij mij in bij 'de vijanden’ waarop men karaktermoord diende toe te passen.
Wat mij ook stoort in de discussie is dat telkens wordt gewezen op een aanslag op Steiner in opdracht van Hitler. Maar wat zegt een aanslag op Steiner? De nazi’s schakelden ook de gebroeders Strassner en Arthur Diender uit, alle drie racisten van het zuiverste water. En in 1934 is er grote opruiming onder de SA gehouden.
Toch zou ik Geuljans hartelijk willen bedanken, omdat hij in zijn brief ook een deel van de racistische ideeën van Steiner citeert die de moordpartijen nu juist wel 'verklaren’: 'Steiner geeft aan dat culturen elkaar opvolgen in de richting van oost naar west waarbij de beschavingen door de daarop volgende culturen in de regel middels oorlogen worden vernietigd. Dat is een aardse wetmatigheid. Doordat de tijdgeest sterft, valt de cultuur uit elkaar en zijn de mensen zonder bescherming op zichzelf aangewezen. Zoals een individu op zichzelf is aangewezen als zijn beschermengel zich terugtrekt. Dit is volgens Steiner een kosmische wetmatigheid.’
Als lid van het Nederlands Centrum voor Inheemse Volken en van de Nederlandse actiegroep Noord-Amerikaanse Indianen maak ik me bezorgd over de toekomst van inheemse volken. Opmerkingen van antroposofen dat dat niet nodig is omdat bijvoorbeeld de meeste Indianen toch al lang als blanke zijn gereïncarneerd, stellen mij niet gerust. Integendeel.
In mei 1996 werd ik benaderd door Michiel ter Horst. Hij was een van de organisatoren van het Michaels-festival. Het thema van dit antroposofisch wereldcongres, dat gehouden werd in Maastricht, luidde: grensoverschrijdingen op het gebied van wetenschap, kunst en maatschappelijk leven. Hij vroeg mij om in samenwerking met Jelle van der Meulen een werkgroep te leiden over racisme. Ik voerde één gesprek met Ter Horst en Van der Meulen, maar een vervolg kwam er nooit: ik werd op 26 juni gebeld met de mededeling dat men van mijn diensten afzag. Tijdens de voorbespreking was door enkele antroposofen ernstig bezwaar gemaakt tegen mijn deelname. Op het congres werd het thema racisme niet besproken.
In het maandblad van de antroposofische vereniging wordt melding gemaakt van de Commissie Antroposofie en het Vraagstuk van de Rassen. Deze commissie zou, onafhankelijk van het bestuur, klaarheid moeten scheppen in Steiners werk en het werk van andere antroposofen met betrekking tot de onderwerpen ras en racisme. Het belangrijkste punt ontbrak echter aan de onderzoekslijst van deze commissie, namelijk de vraag 'Weet ik wel wat racisme is?’ Maar in de aankondiging werd al wel gezegd dat de kritiek die de afgelopen decennia op de antroposofie was geuit, waarschijnlijk als onterecht moest worden beschouwd. Dat schept weinig vertrouwen in deze commissie.
Iemand in wie ik wel vertrouwen heb, is Arfst Wagner, een Duitse antroposoof met wie wij als Stichting Informatie over Maatschappelijke Problemen rond Occulte Stromingen contact hebben opgenomen. Deze man is een van de medewerkers van de Flensburger Hefte. Het thema antroposofie en nationaal-socialisme is door hem onderzocht. Hij vindt ook dat Steiner kritiekloos nagepraat wordt. Zelf is hij ervan overtuigd dat Steiner het allemaal niet zo bedoeld heeft. Hij neemt de racistische uitspraken van Steiner serieus, maar hij accepteert ze niet. Hij vindt dat 'in de spiritualiteit geweldige afgronden liggen. Himmler heeft in de reïncarnatieleer ook een onderbouwing voor de holocaust gezien. De opvatting dat Hitler een ingewijde in spirituele kringen is, komt ook in antroposofische kringen voor in enigszins gecultiveerde vorm. Helaas verbreidt zich de laatste tijd het idee van een wereldkomplot van joden en vrijmetselaars in antroposofische kranten.’
ZELF HEB IK me altijd afgevraagd hoe mensen aan de kant hebben kunnen blijven toekijken naar de massamoord op joden, zigeuners, homoseksuelen en gehandicapten. Een antwoord op die vraag vond ik in het boekje van Bram Moerland, Racisme met charisma, over het racisme van Steiner en Blavatsky: 'Je hebt een theorie nodig waarmee je jezelf buiten schot kunt stellen. Je moet een gedachtenconstructie maken waarmee je het lijden van de medemens “verklaart”. Je kunt zelfs een allesoverkoepelende leer opstellen waarmee je precies kunt uitleggen waarom het zo hoort dat die medemens slachtoffer is. Dan kun je je handen in onschuld wassen en langs de zijlijn onaangedaan toekijken.’
Een citaat van Steiner uit zijn boek De volkszielen over het lot van de Indianen. Ten eerste waarschuwt hij ons ervoor dat, als we de kosmische betekenis van het lot van de Indianen willen begrijpen, we geen 'persoonlijke sympathie of persoonlijk enthousiasme moeten laten meespelen, want daar komt het niet op aan. Het komt slechts aan op wat besloten ligt in de grote wetmatigheden van het mensdom.’ Die wetmatigheden liggen besloten in de leer van karma en reïncarnatie, aldus Steiner: 'Daardoor leren we juist verdragen wat we in onze tegenwoordige tijd gaan zien van de geheime samenhangen tussen de rassen en de volkeren. Als alles goed begrepen wordt, dan zal geen gevoel van onvrede worden opgewekt.’
Daarmee kun je vergeten dat de ander ook verdriet kan hebben: om de ander met geweld te onderdrukken moet je eerst je eigen gevoel onderdrukken. Het verraad van de ander begint met het verraad aan jezelf, aan je medemens-zijn. Pas dan is je denken vrij om een theorie te produceren waarmee je je eigen meedogenloosheid goed kunt praten. Dan ben je kennelijk ook rijp voor het hogere, omdat je daarmee de wereld kunt ontkennen en alles wat daarmee verbonden is. Dan noem je de wereld 'laag’. In die vlucht van het denken uit de wereld ben je zelf onaanraakbaar, onkwetsbaar, superieur.