Sentimentaliteit

Een kuil om snikkend in te vallen

Veertig jaar geleden kocht ik het eerste deel van wat een reeks van acht zou worden: Anathema’s 1 van Rudy Kousbroek. Het is wetenswaardig om dit te melden, omdat ik veertig jaar geleden platzak was en me zo'n grote uitgave niet kon veroorloven. Er was toen niet een studiebeurs voor iedereen, mijn vader betaalde en ik wilde daarvan af.

Medium doeschka

Nog voor mijn kandidaats verwierf ik een baantje als leraar Nederlands aan het Ignatius College te Amsterdam. Het moet van mijn eerste verdiende geld zijn geweest dat ik dat boek van Rudy Kousbroek aanschafte. Ik was meteen verliefd op dat eerste deel van de Anathema’s, pas in 1984 zou ik verliefd worden op de man die voor een even indrukwekkend als modern oeuvre stond. Niets is verouderd aan het werk van Kousbroek, het is alsof het gisteren is verschenen. Zie bijvoorbeeld het essay Egorgez, egorgez, egorgez, waarvan de titel volgens mijn vriendelijke woordenboek luidt: slacht ze, slacht ze, slacht ze. Over het Israëlisch-Palestijnse conflict. Na veertig jaar is het een scherpe analyse als was die vandaag geschreven.

Kousbroek is, misschien samen met Karel van het Reve, de grootste essayist die de twintigste eeuw heeft gekend. Menno ter Braak bijvoorbeeld was tien jaar na de oorlog al gedateerd. Dat is, behalve een kwestie van oorlog, vooral een kwestie van stijl.

Ter Braaks schrijfstijl is doordrongen van de ernst waarmee hij onderhavige zaken behandelt. Die zaken zijn ook van de hoogste prioriteit. Bij Kousbroek ligt het grilliger. Ook hij heeft zijn ernst over de lopende zaken in de wereld, maar hij beschikt over een bijna absurdistische humor en een machtig gevormde fantasie, twee eigenschappen die zijn reputatie als vertegenwoordiger van de ratio geen goed zouden doen, maar die integendeel die ratio naar de hoogte brengen waarop zij bij uitstek gedijt. Laat ik het voorbeeld nemen van de auto’s. Zoals bekend schreef Kousbroek graag over zijn liefde voor oude auto’s. ‘Een klassieke auto’, schrijft hij, 'behoort tot het universum van de machine, en de meeste moderne auto’s tot het universum van de luie stoel.’ De moderne auto heeft een verdoezelend dashboard: 'Lintsnelheidsmeters in plaats van snelheidsmeters met naald en sector. Een grafische voorstelling van een jerrycan in plaats van een verdeling in liters. Geruststellen, geruststellen. Geen cijfers, geen gradaties zodat niets geïnterpreteerd hoeft te worden; alleen ja/nee situaties, gekleurde lichtjes, verlichte vakjes.’

Hier is Kousbroek de strenge meester, hij duldt geen omwegen, hij is de man van de enige twee echte wetenschappen, wiskunde en logica (vooruit, laat ik er nog de natuurkunde aan toevoegen) en alles daarbuiten is gezwatel en gezwalk. Reden waarom in onze sponzige samenleving waar alles anders wordt opgediend dan gegeten zijn werk zo opvallend modern is. (Bij gebrek aan alternatieven gebruik ik hier het woord 'modern’.) Het is heet van de naald geschreven, actueel, in scherpe analyse verwoord, maar het is ook opwekkend, geestig en aandachtig. Zoals Kousbroek zou je willen denken, je zou willen redeneren zoals hij het doet.

Maar er is een ander terrein waarop Rudy Kousbroek onovertroffen is en dat is in het moeras van de sentimentaliteit. In de Anathema’s komt elk onderwerp, hoe vanzelfsprekend het ook is, of hoe vreemd maar vanzelfsprekend gemáákt door Kousbroek het ook is, op als nieuwe pootjes terecht: het blijft een kwestie van helder denken en zuiver spreken, zoals mijn hoogleraar Stuiveling ons voorhield. Dat is niet zo vreselijk moeilijk, eigenlijk een kwestie van bij de les blijven en zo kritisch mogelijk op afstand blijven van wat men zelf wil beweren.

Dan blijft er nog een bulk van gegevens achter die niet in de mal van de Anathema’s passen. Dat zijn Kousbroeks herinneringen aan Nederlands-Indië in Een passage naar Indië, aan zijn schooltijd daar, aan het gevoel van een eeuwig schurend verlies, aan de overtocht naar Europa. En zijn bijzondere, zo niet extreme liefde voor dieren. Ook ten aanzien van zulke diepe en nauwelijks te omschrijven emoties moet verantwoording worden afgelegd. In deze categorie gaf Kousbroek vrij spel aan hete tranen, onbegrijpelijke gevoelens, katse levens, gefotografeerde honden (in een soepjurk van oma) en het is in deze zogenaamde off-side books dat hij durft vrijuit te gaan: alles is met dikke tranen verteld en het is maar de vraag of de lezer er met droge ogen vanaf komt. Eerder vormen ze 'een kuil om snikkend in te vallen’, zoals de titel van een van die boekjes luidt.

Deze off-sides zijn bedoeld sentimenteel en daarom zijn ze zo aanstekelijk. Het is alsof Kousbroek wilde zeggen: alle eruditie, alle intelligentie plus het gezonde verstand zijn niet in staat het sentimentele in ons eronder te krijgen. Laten we het dan ook maar benoemen voordat er misverstanden over bestaan. Ja, ik ben net als Nietzsche in staat om een stervend paard om de hals te vliegen, ik ben een sympathiek monster dat de kat in de ogen durft te kijken, ik val flauw als ik een zebra het zebrapad zie oversteken. Ik ben menselijk. Help mij.


Beeld: arthur BastIaanse / anp