Een kus voor Tatjana

Raymond van den Boogaard blogt op ongezette tijden over de boeken die hij zoal leest. Vandaag: de strijd om het Parijse grafmonument voor Tatjana Rasjevskaja.

Als een jong iemand zich van het leven berooft, is dat voor de omgeving moeilijk verdraagbaar. Had je iets kunnen doen? Wat had hij of zij nog kunnen worden? Dat zal bij Tatjana Rasjevskaja, een Russisch meisje van goede familie dat in Parijs op 22 november 1910 zelfmoord pleegde, niet anders zijn geweest. Toch zou er weinig aanleiding zijn geweest om, meer dan een eeuw later, nog terug te komen op dit te korte leven, wanneer op haar graf, op het Cimétière Montparnasse in Parijs, niet een beeld van de in 1910 nog relatief onbekende kunstenaar Constantin Brancusi (1876-1957) was geplaatst.

Het gaat om een van de vele versies van Le baiser (De kus) die Brancusi, een Roemeen die in Parijs leefde, gemaakt heeft, voorstellende twee gelieven die zich omarmen met een zodanige intensiteit dat zij samen één blok steen vormen – wat ze, materieel gesproken, ook eigenlijk zijn. Dit beeld is inzet geworden van een juridische strijd tussen de erven van Tatjana Rasjevskaja, die het willen laten verwijderen van het graf en door een kopie vervangen, en de Franse staat die dat wil verhinderen en het beeld tot ‘trésor national’, nationaal cultuurgoed, heeft verklaard, zodat het voorlopig niet kan worden verwijderd of uit Frankrijk geëxporteerd. Achtergrond van dit alles is dat werk van Brancusi tegenwoordig op veilingen tientallen miljoenen euro’s opbrengt. De erven, op het bestaan van het beeld geattendeerd door een Franse kunsthandelaar, menen de jackpot te hebben getroffen.

Over de in 1887 geboren Tatjana Rasjevskaja is het een en ander bekend, omdat de sovjetschrijver Ilja Ehrenboerg haar in Parijs heeft ontmoet en haar noemt in zijn mémoires (Mensen, jaren, leven). Ook de Roemeense kunstkenner Barbu Brezianu heeft zich over haar leven gebogen. Zij kwam uit Kiev en was door de familie naar Parijs gestuurd om medicijnen te studeren – wellicht mede om haar te behoeden voor revolutionaire ideeën en activiteiten die in de jaren na de bloedige onderdrukking van de revolutie van 1905 op veel intelligente Russische jongelui grote aantrekkingskracht uitoefenden. Volgens Ehrenboerg had Tatjana in verband daarmee al een Russische gevangenis van binnen gezien.

Naar het schijnt kreeg Tatjana een verhouding met de aan het Institut Pasteur verbonden arts van Roemeense origine Solomon Marbais. Het is zijn zuster die Tatjana op een dag levenloos aantreft in haar appartement aan Boulevard de Port-Royal. Ze heeft zich opgehangen, nog maar 23 jaar oud. Haar moeder, uit Moskou overgekomen, laat Tatjana begraven op het Cimétière Montparnasse – in een graf met eeuwigdurende rechten, dat dus nooit geruimd mag worden. Dokter Marbais bemiddelt kennelijk bij het zoeken naar een passend grafmonument. Hij suggereert de nog onbekende Brancusi de opdracht te geven. Diens Le baiser wordt begin 1911 op het graf geplaatst.

© Wikimedia Commons

Tot zo ver wat er bekend is. Maar Frankrijk lijkt tegenwoordig het land van de fictieve geschiedenis. Sommige historici bekennen zich tot wat ‘histoire contrefactuelle’ genoemd wordt. Het verbod op a-historische hypothesen – hoe zou de wereldgeschiedenis zijn verlopen wanneer Cleopatra een kleinere neus gehad had? – wordt daarbij nadrukkelijk terzijde geschoven, onder het mom dat deze methode verhelderend inzicht biedt in de mechanismen volgens welke de geschiedenis wél is verlopen. (Wat mij sterk de vraag lijkt.) En ook de Franse literatuur is door dit postmoderne procédé aangestoken, vooral sinds Éric Vuillard in 2017 de Prix Goncourt won voor l’Ordre du jour, een speculatieve roman rond de Oostenrijkse ‘Anschluss’ bij Duitsland in 1938.

In deze trant is nu over de zaak rond het graf van Tatjana Rasjevskaja een roman verschenen: Le baiser van Sophie Brocas (1961), in het dagelijks leven prefect van het departement Eure-et-Loir. Het is best een aardig boek, dat bestaat uit een fictief dagboek van Tatjana en het verhaal van ene ‘Camille’, een advocaat die de juridische strijd aanbindt met de hebzuchtige erfgenamen van het graf. Ten aanzien van de historische werkelijkheid, voorzover bekend, gaat Brocas behoorlijk los. In de roman heeft Tatjana een verhouding met Brancusi, door wie zij ontmaagd wordt en van wie zij zwanger raakt. Als de onstuimige jonge kunstenaar dan met andere vrouwen, modellen, aan de haal gaat, ligt het tragisch einde voor de hand.

Dokter Marbais, hier ‘Bémard’ geheten, is bij Brocas maar een bijfiguur. Bij alle woeste speculatie berust Le baiser duidelijk op grondige documentatie, wat de lectuur ook wel iets didactisch en vermoeiends geeft. Tatjana komt bij Brocas ook in Parijs in aanraking met linkse ideeën. Ze wordt zoiets als een feministe, die Du mariage van Léon Blum heeft gelezen, waarin deze socialistische leider ervoor pleit dat ook vrouwen vóór het huwelijk seksuele ervaringen opdoen.

Brancusi, gefotografeerd door Edward Steichen

In zekere zin is het jammer dat Tatjana niet echt een verhouding heeft gehad met Brancusi – voorzover bekend wederom want er is geen dagboek van haar bewaard gebleven. In 1957 heeft Brancusi, inmiddels genaturaliseerd tot Fransman, al zijn rechten en bezittingen aan de Franse staat nagelaten. Daarom beschikt het Centre Beaubourg in Parijs ook over veel werk van Brancusi, en over de inrichting van zijn atelier. Als Brancusi werkelijk gedreven was door liefde voor Tatjana zou de Franse staat wellicht morele rechten kunnen doen gelden ten aanzien van het sculptuur op het Cimétière Montparnasse. Maar helaas is Le baiser in 1910 gewoon in opdracht vervaardigd en verkocht.

Tot ‘trésor national’ verklaren is maar een tijdelijke oplossing – de Franse staat zal binnen afzienbare tijd met een geloofwaardig bod op het werk moeten komen, wat, gezien de tientallen miljoenen die een ‘Brancusi’ tegenwoordig opbrengt, vermoedelijk niet realistisch is. Daarna kan Le baiser alsnog door de erven worden geveild en geëxporteerd. Nu naar Parijs afreizen om een relatief nog onbekende Brancusi te zien, heeft overigens geen zin. De erven hebben hun miljoenenbezit inmiddels door een houten kist aan het oog onttrokken, om hun kus tegen de invloeden van weer en wind en uitlaatgassen te beschermen.


De historische bijzonderheden in dit blog zijn grotendeels ontleend aan een artikel van Jérôme Dupuis in l’Express (9-1-2019)