Een kwart eeuw dudok

Hij was geen modernist en geen traditionalist. Het werk van architect Dudok is van een tijdloze schoonheid. Hij wilde de wereld mooier achterlaten dan hij haar aantrof

OP DE HILVERSUMSE Noorderbegraafplaats valt deze ochtend niet veel te doen. De opvallend excentrisch gelegen hoofdingang is dicht, zodat de bezoeker met de dienstingang genoegen moet nemen. Het is nevelig weer, het motregent; de gebouwen zijn bij deze lichtval van een onbestemd soort geel. Een paar honderd meter verderop is een graafmachine aan het werk. Willem Marinus Dudok (1884-1974) heeft zijn begraafplaats zelf ontworpen. De gebouwen zijn sober uitgevoerd, op de vertrouwde manier vierkant gerangschikt en met grote muurvlakken die de aanblik van het geheel rust verlenen. In zijn toelichting bij het ontwerp schreef Dudok dat hij heeft afgezien van de gebruikelijke ‘landschapsstijl’, met zijn 'slingerpaden en met de toevallige schoonheid van hier en daar fraaie beplantingen’. Dudoks begraafplaats is 'streng en ordelijk geprojecteerd’; de architect verwachtte daarvan 'na lange jaren, wanneer de beplanting tot waschdom is gekomen een plechtige en monumentale werking’. Dudok wist zoals altijd precies welk effect hij beoogde: 'De eigenlijke begraafplaatsen zijn ordelijk rondom het middenveld gegroepeerd als kleinere eenheden, door een haag en hooger opgaande beplanting omsloten; een begrafenis heeft daardoor steeds een min of meer intiem karakter.’ Het graf van Hilversums beroemde bouwmeester en zijn echtgenote ligt half verscholen onder een oude conifeer. De staande marmeren zerk is groen uitgeslagen. Het graf ziet er noch verwaarloosd, noch verzorgd uit. 'Hij heeft het zo gewild’, legt een werknemer uit, 'sober, eenvoudig.’ Er worden nooit bloemen neergelegd, er komen geen drommen bewonderaars. De meeste bezoekers zijn buitenlandse studenten. HET IS VERLEIDELIJK om de bescheidenheid van dit graf als een metafoor op te vatten voor Dudoks positie in de architectuur, maar een dergelijke visie zou niet met de feiten stroken. Hij is, 25 jaar na zijn dood (hij stierf op 6 april 1974), een bekende en gewaardeerde architect. Trouw schreef eens dat je zijn naam zelfs in een quiz kon gebruiken. Volgens de architectuurhistoricus Herman van Bergeijk, auteur van het standaardwerk Willem Marinus Dudok (1995), is Dudok dé architect voor het grote publiek. Zijn beroemdste werk, het Hilversumse Raadhuis, is in de periode 1989-96 voor 35 miljoen gulden gerestaureerd. Hij ontwierp kazematten, bruggen, woonhuizen, scholen, de deels weggebombardeerde en later afgebroken Bijenkorf in Rotterdam, een slachthuis, banken, benzinestations, het hoofdkantoor van de Hoogovens, de Stadsschouwburg van Utrecht, het Erasmushuis in Rotterdam, en verder tekende hij vele (niet gerealiseerde) uitbreidingsplannen voor Nederlandse steden. Hij werd in binnen- en buitenland gewaardeerd; grootheden als de architecten Saarinen en Mendelsohn zochten hem op; en de Keulse burgemeester Konrad Adenauer, die in 1949 de eerste bondskanselier van de nieuwe Bondsrepubliek zou worden, kwam in de jaren twintig kijken hoe mooi er in Hilversum voor de arbeiders werd gebouwd. Dudok was niet ijdel, maar hij kende wel de waarde van zijn werk. De heer Faber, die Dudok persoonlijk heeft gekend, was tot aan zijn pensionering stedebouwkundige in Hilversum en is tegenwoordig lid van de Dudokstichting. Hij vertelt hoe Dudok zijn compagnon Magnée aan zijn sterfbed riep, zijn hand op diens hoofd legde en vroeg: 'Robert, zul je goed voor mijn werken zorgen?’ Vanaf 1980 heeft de stichting zich belast met de bescherming van zijn erfenis, maar de laatste tijd worden er door overheden en particuliere eigenaars van Dudok-panden helaas steeds minder adviezen gevraagd. 'In het gemeentehuis denken ze zeker dat ze Dudok-experts zijn’, merkt Faber op. Dudok was een autodidact. Tijdens zijn opleiding aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda kreeg hij één uur per week 'bouwkunst’. Later bekwaamde hij zichzelf naast zijn werk bij het Utrechtse Regiment Genietroepen in het architectonisch ontwerpen. Van 1910-1913 was hij onder meer belast met de bouw van bomvrije kazematten. Dit werk vond hij esthetisch niet uitdagend. In april 1913 werd hij ingenieur en plaatsvervangend directeur van Gemeentewerken in Leiden; in 1915 directeur Gemeentewerken in Hilversum, met een dubbele taak ditmaal: de bouw van een nieuw raadhuis en het ontwerp van een uitbreidingsplan. Onder zijn beheer vielen nu ook tramvervoer, elektra, gas, telefoon, riolering en straatmeubilair als kiosken en wachthuisjes. Hij kreeg het druk. Dudok onderging de invloeden van Berlage en de Amsterdamse School, en later die van de Neue Sachlichkeit en Frank Lloyd Wright, maar hij zou zich nooit tot één bepaalde richting bekeren: hij was geen echte modernist, maar ook geen traditionalist. 'Dogma’s ken ik niet’, schreef hij zelfbewust, 'en aan een formule heb ik mij nimmer willen binden.’ Architectuurkenners schrijven in zulke gevallen dat de bouwer 'synthetisch’ is en niet 'eclectisch’, dat wil zeggen: hij leent niet in het wilde weg elementen van anderen, maar creëert een persoonlijke vormentaal. De problemen van de avantgarde interesseerden Dudok niet en hij mengde zich nauwelijks in de debatten van zijn tijd. De theoreticus Fanelli ziet in Moderne architectuur in Nederland 1900-40 Dudoks beste werken niet 'als begin van mogelijke ontwikkelingen, maar vooral als de absolute synthese van de verschillende stromingen in de moderne architectuur’. Op het gevaar af in flauwe paradoxen te vervallen zou je kunnen zeggen dat zelfs Dudok niet altijd 'dudokist’ is: zijn Hilversumse schoolgebouwen uit de jaren twintig zijn van een grote verscheidenheid, en de Bijenkorf (indien bewaard gebleven misschien wel uitgegroeid tot Dudoks tweede magnum opus) was zeker geen kopie van zijn Velsener Raadhuis of het kantoor van de Hoogovens. (DUDOK KWAM UIT een muzikale Amsterdamse familie. Zijn vader was violist bij het Concertgebouw, zijn moeder speelde piano. Dudok was verslingerd aan muziek; hij hield van Brahms, Beethoven, Bach en Schumann. Bartok kwam bij hem over de vloer. Toen de Hongaar eens iets van zichzelf speelde, vroeg Dudok: 'Bartok, spielen Sie auch Brahms?’ Toen Bartok antwoordde dat Brahms 'nicht interessant’ was, bekoelde de vriendschap. Dudok is naar zijn zeggen diepgaand geïnspireerd door de grote componisten. 'Ik voel diep de gemeenschappelijke basis van de muziek en de architectuur: ze ontleenen immers beide haar waarde aan de juiste maatverhoudingen.’ 'Soms, wanneer hij op de piano speelde’, vertelt Faber, 'stond Dudok met een ruk op om naar zijn tekentafel te gaan.’ Tijdens muziekavonden voor vrienden sprak hij liefkozend over 'de oude heer Bach’, maar overigens ook over 'de oude heer Mozart’. Een relatie tussen muziek en Dudoks architectuur lijkt voor de hand te liggen (zei de filosoof Friedrich von Schelling niet: 'Architectur ist überhaupt die erstarrte Musik’?) maar het valt niet mee om in dit verband voorbij algemene termen als 'ritme’ en 'maatgevoel’ te raken. Dudok-specialist Van Bergeijk vindt al die muziekmetaforen, toegepast op bouwwerken, niet erg verhelderend. 'Muziek en architectuur zijn verschillende talen. Laten we dat zo houden.’ Dudok kon hautain en afstandelijk zijn, een militair uit de tijd dat bevelen nog werden opgevolgd. Zijn haar zat altijd netjes, zijn auto was schoon. Hij was hard tegen het personeel. Een jonge tekenaar, die ter gelegenheid van zijn verjaardag een sigaartje meende te kunnen opsteken in de tekenkamer, werd ter plekke naar het uitvoerend werk gecommandeerd, wat neerkwam op een degradatie. OP DE PERMANENTE Dudok-expositie in de kelder van het Raadhuis hangt een mooie foto van de meester, ontspannen rokend, maar met een kritische blik die je om de een of andere reden treft als bijzonder integer. Hij had altijd respect voor andermans werk. Het grofste wat hij over een bouwtekening kon zeggen was: 'Ik vind het niet mooi, maar wel lelijk.’ De ontstaansgeschiedenis van het Hilversumse Raadhuis is adembenemend langdradig. Vanaf de eerste tekeningen tot aan de oplevering in 1931 verliepen er zestien jaar, en niet omdat de stadsarchitect zo langzaam werkte. Er is uitvoerig gecorrespondeerd en gediscussieerd over drie verschillende locaties en uiteenlopende ontwerpen, en er was zelfs een poging tot afstel. Toen het eindontwerp in 1924 moest worden goedgekeurd vond de burgemeester, aldus Dudok in een brief aan de familie Willink, 'dat het meer op een fort leek dan op een Raadhuis. De secretaris (…) vond het mooier dan de Beurs van Berlage, maar die Beurs vond hij bepaald lelijk.’ De gemeente vond het gebouw te duur. 'Dat is altijd zo geweest’, zegt Faber, 'veel poeha, maar geen geld. In feite was het Raadhuis destijds een van de goedkoopste in zijn soort. Als je het tapijt in de raadszaal optilt, blijkt er geen marmer onder te liggen.’ Er was geen geld om met bouwen te beginnen, en van 1924 tot 1927 gebeurde er niets. Sommige beoordelaars zijn van mening dat de restauratie te geel is uitgevallen. Dudok hield van ritme, dynamiek, 'sterk wisselende indrukken’ en 'zeer contrasteerende werkingen van belichting, van volume en vormtegenstelling’. Dus waarom zou de bouwmeester zulke grote oppervlakten geel hebben laten sauzen? Overigens heerst er allerwegen tevredenheid over de restauratie, die werd uitgevoerd onder leiding van de architect Van Hoogevest. Sommige gebruikers van het gebouw laten echter kritische geluiden horen over de atmosfeer - te veel marmer, de gangen te imponerend, de akoestiek overijverig. Maar misschien is er altijd wel wat: het is en blijft een prachtig gebouw. Jaap Huisman schreef in de Volkskrant dat hij er bijna 'dwangmatig’ omheen wil blijven wandelen, 'om te zien hoe de vlakken en lijnen telkens verschuiven’. Dudoks toelichting maakt duidelijk dat deze ervaring niet op toeval berust: 'Die wisselende beelden, dat zien van hoogere bouwmassa’s over lagere gevels heen; dat voortdurend verschuiven van die bouwdeelen ten opzichte van elkaar, naarmate de toeschouwer zich verplaatst, die z.g. “coulissenwerking”, dat is tenslotte toch een plastische rijkdom, met zuivere bouwkunstige middelen bereikt.’ HET IS BETREKKELIJK normaal in een architectenleven dat er af en toe een project niet doorgaat. Dudok beleefde zijn hoogtepunt aan tegenwerking na de oorlog in de gemeente Den Haag. Hoe kon hij met alleen maar bouwtekeningen en plannen aan leken duidelijk maken dat hij gelijk had? Hij geloofde niet dat commissies goed waren in artistieke beoordelingen, hij haatte het democratische spel van 'vrije meningen’, want 'hoe kan een kunstenaar tegenover de menigte bewijzen dat zijn oplossing de beste, of zelfs de enige goede is? (…) Kunst is immers nooit een zaak voor de meerderheid geweest; integendeel, hoe dikwijls bleek hij het sterkst, die alleen stond!’ Inspraakprocedures ergerden de voormalige militair Dudok meestal, hij zag die als 'hinderlijke bemoeizucht en drukkende ambtenarij’. Hij wilde dat de autoriteit van de bouwmeester gerespecteerd werd, maar die tijden waren voorbij. Dudok had een uitgesproken visie op stedebouw: de stad moest een organisch geheel zijn, waarbij hij van groot naar klein dacht - vanuit de stad naar de wijk, vervolgens naar de straat, dan naar de woning. In een ongepubliceerde lezing schreef hij te geloven in een 'weldadige ordening van het stadsplan’. Volgens hem moest de stad 'een gelukkig woonoord’ zijn voor de toekomstige bevolking en het lichamelijke en geestelijke welzijn van het volk in de hoogst denkbare mate ten goede komen. Hij bouwde in Hilversum 'omarmende scholen’, scholen met vriendelijke lage vensterbanken. 'Het gehele gebouw dient een les te zijn in goedheid en verstandigheid, zo mogelijk een aangename les.’ In een voordracht op Monumentendag, 25 mei 1951, blikte hij ietwat weemoedig terug op het nationale verleden: 'Steeds treft ons hoe stad of dorp als een bondig geheel oprijst uit het gave land. Stelt u zich eens prenten voor van Hercules Seghers, of van Rembrandt, of dat overbekende doek van Ruysdael, Gezicht op Haarlem met die prachtige lucht boven dat wijde, rhytmisch gedeelde polderland, waar dan dat kartelend stadssilhouet uit opbloeit: een nationaal aspect, voorwaar, dat ons dierbaar wezen mag!’ Dudok geloofde in eeuwige schoonheidswaarden, hij wilde de wereld 'mooier’ achterlaten dan hij haar aantrof. De ware aard van architectuur was voor hem 'onstoffelijk’, 'het verstilde spel van ruimte’. Dudok blonk uit in het harmonisch groeperen van ruimtemassa’s, in contrast, ritme en dynamiek. Wanneer hij sprak over het 'monumentale’, bedoelde hij niet het pompeuze maar een 'zin voor harmonie en orde’. 'Monumentaliteit doet de hoofdzaak domineren, niet alleen in materiële, maar vooral ook in geestelijke zin. (…) Want monumentaliteit, dat is: in praegnante vorm gesublimeerde orde.’ Hij paste niet op berekenende wijze allerlei esthetische wetten toe, hij werkte intuïtief. Wanneer zijn vrouw koffie kwam brengen vroeg ze wel eens: 'Wim, wat ben je aan het ontwerpen?’ Hij liet haar dan het ontwerp zien dat hij onder handen had en wanneer zij uitriep dat ze er 'niets’ van begreep, verscheurde hij de tekening met de woorden: 'Als mijn vrouw het niet snapt, wie dan wel?’ Je zoekt bij Dudok tevergeefs naar religieuze bevlogenheid, hoogdravende taal over de kosmos of Heilige Driekleurentheorieën. Hij vond Bauhaus en De Stijl eigenlijk maar dogmatisch. 'Als ik een kleur mooi vind’, zei hij, 'dan gebruik ik hem.’ HET INTUITIEVE karakter van zijn werk heeft helemaal niets met naïviteit te maken. Hij heeft precies uitgedokterd op welke wijze een bruidsstoet het Raadhuis zal betreden, via de lage vestibule die plotseling wordt gevolgd door een zestien meter hoge ruimte. Hij wil imponeren, hij wil plechtige effecten. Hij gebruikt de functieloze toren van het Raadhuis op een muzikale manier, als een contrapunt, of 'als een evenwichtsas in de massacompositie’, zoals een criticus schreef. Niet iedereen hield van dat effectbejag en die monumentaliteit. Van Bergeijk oppert in zijn boek zelfs dat in Nederland 'elke vorm van monumentaliteit grondig wordt verfoeid (…) Dudoks problemen met de Nederlandse democratie zijn in feite vanzelfsprekend geweest.’ Het laatste woord is hierover niet gezegd. Wanneer we met 'monumentaliteit’ alleen maar grote gebouwen zouden bedoelen (niet het standpunt van Dudok: het monumentale kan ook klein zijn, als het maar 'praegnant’ is), kan de stelling als weerlegd worden beschouwd door reusachtige panden als Richard Meyers Haagse stadhuis en het ministerie van Vrom. Misschien is de Nederlander vooral bang voor pathos. Dudoks monument op de Afsluitdijk (1933), prachtig gefotografeerd door alweer Cas Oorthuys - hij lijkt niet zozeer de vastlegger van een bepaalde lichtval, als wel de uitvinder ervan - is smaakvol en elegant, en je vraagt je af met welk pompeus monument voor De-Slag-bij-X-Hill zo'n dertig kilometer lange dijk in een land als de Verenigde Staten bebouwd zou zijn. 'Het komt in de kunst eigenlijk maar op weinig aan’, luidt een bekende uitspraak van Dudok. 'Maar dat weinige, deze “stilte”, kost een menschenleven om te bereiken.’