Reportage uit Belfast

Een kwestie van geduld

Terwijl protestantse milities in Belfast een stammenoorlog uitvechten, wachten de katholieken rustig af. Demografische prognoses wijzen uit dat hun grote gezinnen uiteindelijk de vurig gewenste hereniging met Ierland zullen opleveren.

Belfast — in het groeiende hart van de gespleten stad verrijzen steeds meer kantoorgebouwen, megabioscopen, luxeappartementen en andere tempels van de economische vooruitgang. Maar belangrijker nog: er wordt lang zamerhand een nieuwe samenleving uit de grond gepeuterd. Vanuit het centrum lijkt de normalisatie zich als een stroperige olievlek te verspreiden. De «neutrale zones» worden groter, de vermenging van de bevolkingsgroepen neemt mondjesmaat toe. Een toekomst zonder politiek geweld lijkt onvermijdelijk.

Maar het vredesproces bevindt zich in zwaar weer. Afgelopen week ontstonden zware rellen tussen loyalistische en republikeinse jongeren in Noord-Belfast. En bij de Britse parlementsverkiezingen van drie weken geleden — ook in Ulster werd op districtskandidaten gestemd — kregen de hardliners van dominee Paisley veel proteststemmen. David Trimble, de gematigde protestantse «premier» van de Noord-Ierse Assembly, ziet zijn mandaat afbrokkelen en heeft gedreigd op 1 juli af te treden als de IRA niet voor die datum begint haar wapens in te leveren. Het vredesproces wordt echter nog zo breed gesteund dat een terugkeer naar het «echte» geweld er niet in lijkt te zitten.Ook Edward, een grijze planoloog die een vreemdeling meteen een lift aanbiedt als die hem naar de weg vraagt, heeft schoon genoeg van de strijd die decennialang de levens beheerste. Met een vriendelijke glimlach die op zijn gezicht gebeiteld lijkt, wijst hij gebouwen aan en vertelt ongevraagd iets over hun geschiedenis. «Dat is het Europa Hotel, het meest gebombardeerde hotel ter wereld.» Maar na een paar minuten begint hij — nog steeds glimlachend — met een klaagzang over de troubles. Als hij de Ormeau Road op draait, wijst hij naar de plaats waar elk jaar rellen uitbreken als de protestantse Orange Order door het katholieke deel van de straat wil marcheren. «Zelf ben ik protestants, mijn vrouw is protestants en ik heb mijn kinderen protestants opgevoed, maar we zouden eerlijk gezegd allemaal beter af zijn als er nooit meer gemarcheerd zou worden. De enigen die de marsen verdedigen, zijn de verstokte sektariërs. En die zogenaamde loyalistische paramilitairen die beweren ons te verdedigen. Dat zijn gewoon criminele bendes. Het gaat ze alleen om de controle over de wijken, zodat ze zich ongestoord met hun drugshandel kunnen bezighouden. Gelukkig gaat die mars nu niet door, dankzij de mond- en klauwzeer.» Voor het eerst verdwijnt de glimlach van zijn gelaat en zwijgt hij even. Dan, voorzichtig: «Stiekem hoop ik dat ze die epidemie niet voor het einde van het marsseizoen onder controle krijgen.»

Patrick, een IRA-veteraan met het gezicht van een zachtmoedige priester, heeft meer moeite met de huidige situatie. Hij kijkt strak voor zich uit terwijl hij met behoorlijke snelheid door het platteland ten zuiden van Belfast rijdt. Zijn auto was de enige plek waar hij wilde praten. «Niet iedereen hoeft ons te zien praten. Als ze lezen dat je twijfels naar buiten brengt, willen ze je daar al snel op aanspreken. Daar zit ik niet op te wachten.» Volgens hem zijn er meer actieve republikeinen die ernstige twijfels hebben, maar er zijn er weinig met genoeg status om hun ongenoegen in het openbaar te kunnen uiten. Maar zijn twijfels zijn logisch, vindt hij. «We hebben dertig jaar oorlog gevoerd en de grootste offers gebracht. Volgens mij hebben we dat niet gedaan om nu samen met de onderdrukkers onder een Britse vlag te leven.» Had hij dan liever gezien dat de strijd gewapend was voortgezet? Verwachtte hij dan uiteindelijk een militaire overwinning? «Misschien is de wapenstilstand te vroeg afgekondigd. De Britten rijden nog steeds in hun gepantserde wagens door de stad, hun vlag wappert voorlopig nog op het stadhuis. Het is voor katholieken nog even moeilijk om een huis of een baan te krijgen. Als je de helft van je leven in de gevangenis hebt gezeten, en je hebt je beste vrienden verloren, dan kun je deze situatie niet opeens aanvaarden. Ik zie in de praktijk nog weinig vooruitgang.» Hoewel hij hun motieven begrijpt, ontkent hij ten stelligste dat hij sympathie heeft voor de Real IRA, een radicale afsplitsing van het Ierse Republikeinse Leger die de wapenstilstand, vastgelegd in het Goede Vrijdag-akkoord, afwijzen. «They blew their chances at Omagh», smaalt Patrick.

Hij doelt op de eerste grote actie van de RIRA, de bomaanslag van 15 augustus 1998 in Omagh waarbij 29 mensen het leven lieten. Het RIRA-openingsoffensief had inderdaad nog het meest weg van een zelfmoordpoging. De verantwoordelijkheid voor de slachting werd vooral gelegd bij twee van de vermoedelijke oprichters van de RIRA en haar politieke tak, de 32 County Sovereignty Movement. De dissidente chef-staf van de IRA, Michael KcKevitt, en zijn vrouw Bernadette Sands (zus van IRA-martelaar Bobby Sands) werden na de aanslag door woedende buurtgenoten bedreigd. Het dagelijks leven werd ze zo onmogelijk gemaakt dat zij hun huis bij de Ierse stad Dundalk ontvluchtten. In maart werd KcKevitt gearresteerd wegens verdenking van betrokkenheid bij de aanslag.

Maar nog steeds is een harde kern van de RIRA actief. In het noordwesten is dit jaar een nieuw offensief in gang gezet. Vorige maand nog werd in Derry een zware autobom ontmanteld. Een week later werd in hetzelfde stadje een handgranaat naar een politiebureau gegooid. De meeste publiciteit behaalt de factie tegenwoordig echter met haar verstoringen van het treinverkeer tussen Belfast en Dublin. Bijna wekelijks worden langs het spoor explosieven aangetroffen, en men overweegt nu de verbinding op te heffen. Dat is volgens velen precies de bedoeling van de RIRA, die haar activiteiten vooral zou financieren door eigenaren van tankstations en garagehouders af te persen. De bommen zouden niets anders zijn dan investeringen in de afperspraktijk. Het aureool van heldhaftig, bijna heilig strijderschap dat de RIRA zich probeert aan te meten, staat in ontluisterend contrast met dergelijke prozaïsche «publieke geheimen». Ontevreden ex-gevangenen voelen geen behoefte zich bij zo'n leger aan te sluiten. Dat heeft de RIRA aan zichzelf te danken. De voedingsbodem was er, maar ze heeft die niet weten te ontginnen.

Maar hoe klein de RIRA ook is — haar ledental wordt geschat op honderd tot honderdvijftig — ze vormt nog altijd een sluimerende bedreiging voor het vredesproces. Elke centimeter die Sinn Féin (de politieke tak van de IRA die wél het Goede Vrijdag-akkoord steunt) weggeeft in haar consensuspolitiek, is een centimeter voedingsbodem voor de radicale dissidenten en hun politieke vleugel, de 32 CSM. Op een muur langs Falls Road, het hart van de republikeinse gemeenschap in Belfast en de vestigingsplaats van Sinn Féin en veel van haar zusterorganisaties, staat «RIRA — fuck the PIRA». De (Provisional) IRA is hier in het westen van de stad nog steeds almachtig, maar de RIRA heeft lef, zoveel is duidelijk. Ze moet ook regelmatig tonen niet bang te zijn, wil ze er ooit succesvol kunnen rekruteren. Maar voorlopig hebben de meeste hardliners nog steeds vertrouwen in de op vrede gerichte tactiek van Sinn Féin-leider Gerry Adams.

Veel protestanten lijken tegenwoordig meer angst te hebben voor hun «eigen» loyalistische bendes dan voor de RIRA of een hervatting van de gewapende campagne van de IRA. De lokale pers maakt melding van hernieuwde activiteiten van de UDA (Ulster Defence Association). De militieleden patrouilleren ’s nachts gewapend en gemaskerd door Noord-Belfast «om etnische zuiveringen te voorkomen». De protestantse buurt zou worden bedreigd en aangevallen door nationalisten. De acties lijken echter vooral bedoeld om het eigen territorium veilig te stellen en een signaal af te geven naar de rivaliserende UVF (Ulster Volunteer Force) die maar wat graag de controle over de buurt wil overnemen. Confrontaties met de republikeinen zijn zeldzaam geworden, maar de strijd tussen de vroegere partners UDA en UVF heeft al een aantal levens gekost en zorgt voor grote spanningen in de protestantse wijken. Regelmatig worden mannen van rond de dertig in de knie geschoten.

Dat de loyalisten zich met drugshandel bezighouden, is volgens de militieleden anti-Britse laster. Weinig burgers geloven echter dat John Adair, de leider van de UDA, zijn nieuwe huis van ruim acht ton in het rustieke dorpje Comber heeft betaald met de opbrengst van de knutselwerkjes die hij in de gevangenis produceerde, zoals hij zelf beweert. De politieke motieven van de loyalistische groepen slaan niet meer aan, en het beetje steun dat er in de eigen gemeenschap was, is daarmee weggevallen.

Uitvloeisel van de wapenstilstand was het ontslaan van alle gevangenen die vastzaten voor hun aandeel in de troubles, en afstand hadden gedaan van de gewapende strijd. Op 28 juli vorig jaar werd de laatste politieke gevangene in vrijheid gesteld. Vooral in de protestantse gemeenschap was de angst groot dat een massale vrijlating voor een snelle hervatting van de gewapende strijd zou zorgen, en anders wel voor een stijgende criminaliteit. Uit de hulp die de gevangenen bij hun vrijlating kregen, bleek dat de Britse en Ierse regeringen zich niet bepaald maximaal inspanden om een voorspoedige reïntegratie te bewerkstelligen, zoals ze beloofd hadden. Al snel werd de leegte van het politieke gebaar duidelijk. Alle gevangenen kregen vijftig pond mee, en als ze geen vaste woon- of verblijfplaats hadden, kregen ze daar eenmalig 51 pond bovenop. Verder moesten ze het zelf maar uitzoeken.

Drie jaar na de ondertekening van het Goede Vrijdag-akkoord is bij de ex-gevangenen bijna elke illusie over serieuze medewerking van autoriteiten verdwenen. Een van de grootste problemen is de standaardvraag bij sollicitaties, hypotheekaanvragen en inschrijvingen voor woningen: of de aanvrager een criminal record heeft. En omdat geen van hen zichzelf als ex-crimineel beschouwt, maar als voormalige politieke gevangene, weigeren ze die vraag te beantwoorden. Met alle gevolgen van dien. Om dezelfde reden weigeren zij hulp van de reclasseringinstanties. Maken ze toch melding van hun strafblad, dan is de kans op werk, woning of lening meestal verkeken. Verzoeken om de dossiers van voormalige politieke gevangenen op te schonen worden door de autoriteiten verworpen. De politieke status van de voormalige gevangenschap wordt nog steeds ontkend — alsof die met de vrijlating niet al impliciet is gegeven.

De republikeinse gemeenschap lijkt de reïntegratieproblemen beter te kunnen opvangen dan de loyalistische. De protestanten waren gewend door Her Majesty’s Government bediend te worden, maar die ziet de voormalige gevangenen nu als een ongewenste erfenis die men het liefst zou vergeten. De republikeinen daarentegen hebben al decennia een schaduweconomie en -infrastructuur, waardoor ze ook na de gewapende strijd onafhankelijker zijn van de welwillendheid van de autoriteiten. De grootste organisatie voor republikeinse ex-gevangenen en hun families is Coiste na n-Iarchimí (Comité ex-gevangenen). Dat coördi neert de activiteiten van groepen en individuen die zich richten op de ondersteuning van ongeveer tweeduizend van de oudgedienden. Het comité organiseert cursussen, bij- en herscholingsprogramma’s, family counseling, helpt bij het opzetten van bedrijfjes en zet zich in voor de verbetering van de rechtspositie. De organisatie is in 1998 door voormalige IRA-gevangenen opgezet met financiële steun van het Europese Steunfonds voor Vrede en Verzoening.

Mike Ritchie is projectmanager bij Coiste. Zijn kantoortje, in een zijstraat van Falls Road, kijkt uit op twee enorme muurschilderingen. Op een ervan prijken de martelaren die hun hongerstaking met de dood bekochten, en de andere viert de verbondenheid van de Ieren met de Catalanen. «De steun die organisaties als de onze krijgen van de Ierse en Britse autoriteiten is echt minimaal. Van de Ierse regering hebben we een zeer beperkte financiële bijdrage gekregen om een kantoortje in Dublin op te zetten. Dat is meer een symbolisch steuntje in de rug. Van de Britse regering krijgen we voornamelijk goede woorden. Ze geven alleen wat ze door Europese afspraken verplicht zijn te geven, en dat is weinig.»

Van de lokale overheden hoeven ze ook weinig te verwachten, want alle macht is daar de laatste decennia weggenomen. En als die al wat konden doen, waren ze nog afhankelijk van de Sinn Féin-afgevaardigden. De unionisten weigeren een cent te besteden aan hulp voor daders, terwijl slachtoffers zelf gehandicapt thuiszitten of met veel moeite de begrafeniskosten van hun gedode geliefden afbetalen. Ritchie heeft weinig begrip voor deze onwil. «Ze weigeren te beseffen dat er in onze gemeenschap ook slachtoffers zijn gevallen. Dat de meeste ex-gevangenen ook familieleden of vrienden hebben verloren, doet er blijkbaar niet toe.»

De beperkte financiële steun is echter niet het belangrijkste struikelblok op het rechte pad. Minstens zo belangrijk zijn de blokkades die worden opgeworpen door het strafblad. Ritchie: «De integratie zou ondersteund moeten worden door een verbod om mensen op grond van hun politieke gevangenschap werk te weigeren. Werken in de publieke sector is onmogelijk, en de meeste bedrijven doen navraag naar iemands strafblad. De meeste ex-gevangenen kunnen weinig anders dan taxichauffeur of nachtclubportier worden. Voor een serieuze reïntegratie is amnestie nodig.»

Veel ex-gevangenen hebben last van het «Doornroosje-effect», en kunnen moeilijk aan de «nieuwe wereld» wennen. «Iemand gaat zijn cel in als 28-jarige met een kind van drie. Opeens staat hij buiten als man van 44 en heeft hij een dochter van negentien. Sommige mannen hebben de hele feministische golf gemist, en bij thuiskomst moeten alle verhoudingen binnen het gezin opnieuw worden vastgelegd.»

Maar niet alleen de thuissituatie is veranderd. Ook de tactiek van Sinn Féin en de IRA is niet meer de oude. Er is voorlopig een «einde aan alle militaire activiteiten», en de strijd voor hereniging wordt nu met politieke middelen gevoerd. Gerry Adams heeft in kleine kring gezegd dat Ierland herenigd moet worden in 2016, precies honderd jaar na de Paasopstand waarmee de onafhankelijkheidsstrijd in Dublin was begonnen. Er moet dus nog zo'n zestien jaar gewacht, gehoopt en gebeden worden, en niet iedere veteraan kan zich daar dus makkelijk mee verzoenen. Tot die tijd blijft de vraag hoeveel geduld er is.

Ritchie: «Hoewel er natuurlijk IRA-leden teleurgesteld zijn in het trage verloop van het proces, heb ik niet gemerkt dat er veel animo is om zich bij de dissidenten aan te sluiten. De RIRA probeert voorlopig vooral jongeren te rekruteren die nog onbekend zijn bij de inlichtingendiensten. Veel IRA-leden zetten zich nu op een andere manier in voor de gemeenschap en zijn bijvoorbeeld politiek actief geworden op lokaal niveau. We moeten nu weer een normale gemeenschap opbouwen.»

Tim is een IRA-veteraan die dacht dat hij de rest van zijn leven achter de tralies zou doorbrengen. Maar toen hij de principes van het Goede Vrijdag-akkoord onderschreef, werd hij vrijgelaten. Hij heeft absoluut geen twijfel over de ingeslagen weg. «De meerderheid in beide gemeenschappen heeft gewoon geaccepteerd dat het nooit meer wordt zoals vroeger», zegt hij zonder een spoortje melancholie in zijn stem. «Iedereen weet hoe de toekomst eruit zal zien. Niemand heeft nog een mandaat om politieke doelen met geweld na te streven. De demografische ontwikkeling is al bijna een garantie voor een verenigd Ierland. Onze gemeenschap groeit en de protestanten houden die groei niet bij.»

Er wordt dan ook halsreikend uitgekeken naar de resultaten van de volkstelling die 29 april in het gehele Verenigd Koninkrijk werd gehouden. Halverwege volgend jaar worden de uitkomsten gepubliceerd. Niet alleen is het aantal katholieken en protestanten dan weer vastgesteld, maar ook kan men de laatste berekeningen bijstellen om te bepalen wanneer een referendum over aansluiting bij Ierland een gunstige uitslag kan opleveren. Het Goede Vrijdag-akkoord maakt zo'n volksraadpleging mogelijk. Achteraf blijkt dat een onderdeel van het meesterplan te zijn geweest van John Hume, de leider van de gematigd nationalistische SDLP en inmiddels winnaar van de Nobelprijs voor de vrede. Met de demografische prognose in de hand wist hij Gerry Adams en de IRA te overtuigen van de goede afloop van een hernieuwd vredesproces, en bracht dat zo op gang. Het proces had altijd maar één doel: hereniging van Ulster met Ierland. Die lijkt nu onvermijdelijk, hoe hard de unionisten ook op de rem gaan staan. «Daarom krijgt die zogenaamde Real IRA zo weinig gehoor», zegt Tim ontspannen. «We weten dat het nu slechts een kwestie van geduld is.»

(Patricks naam is op zijn verzoek gefingeerd.)