Een lady tussen de boys

Met verwondering schrijft Katharine Graham over haar vroegere zelf. Van een onzekere huisvrouw werd ze de machtigste vrouw van Amerika.

Medium graham

Haar leven had veel weg van een sprookje. Van dat van het lelijke eendje dat uiteindelijk een zwaan werd. Ze noemde zichzelf ook een Assepoester, die op middelbare leeftijd tot haar grote verbazing opeens het middelpunt van het bal werd. Toen ze nog leefde ging over haar al het verhaal dat ze een vrouw met twee levens was: eerst was ze een grijs, onzeker musje en na de tragische dood van haar man nam ze het familiebedrijf over en werd de machtigste vrouw van Amerika. Dat familiebedrijf was The Washington Post Company, eigenaar van de gelijknamige krant, het opinieblad Newsweek en verschillende televisiestations.

De autobiografie die Katharine Graham (1917-2001) in 1997 publiceerde en die nu in het Nederlands is verschenen is een merkwaardig boek. Het leest heerlijk weg, want Graham is een smakelijke verteller, met veel oog voor detail en fijne anekdotes. Bovendien kon ze putten uit een kennelijk zorgvuldig bijgehouden persoonlijk archief vol brieven en andere documenten, waardoor ze ruim kan citeren en soms met verwondering haar vroegere zelf aan het woord kan laten. Ze vertelt ook over een aanlokkelijke wereld, waarin de ‘best and brightest’ van Amerika – presidenten, ministers, opinieleiders en schrijvers – aanschuiven aan haar dinertafel, waarin wild de twist gedanst wordt in het Witte Huis, waarin ze niet alleen in Washington maar ook in New York van jetset-feest naar soiree gaat en waarin ze tijdens haar reizen de machtigen der aarde ontmoet, van de Russische president Chroesjtsjov tot de Japanse keizer Hirohito.

Maar merkwaardig is het narratief waar ze zo nadrukkelijk voor heeft gekozen: dat lelijke eendje dat opeens die metamorfose doormaakt naar zwaan. Dat narratief heeft veel te maken met hoe westerse vrouwenlevens er in de twintigste eeuw uitzagen: de ware bestemming was het huwelijk en moederschap en dan was je nu eenmaal niet meer dan de deurmat – Graham gebruikt dat woord ook zelf – van je man en kinderen. Met dank aan het feminisme werd het aan het eind van de eeuw pas makkelijker om voor een andere bestemming te kiezen. En natuurlijk was je als huisvrouw onzeker en bleu als je tussen de wereldleiders verkeerde en vanzelfsprekend was het flink wennen als je dan opeens aan het hoofd stond van een groot bedrijf – niet alleen voor jezelf, maar ook voor al die corporate mannen en journalisten die nu niet meer jongens onder elkaar waren.

Het is een geste van hoffelijkheid jezelf niet voortdurend in de lucht te steken. Maar Katharine Graham gaat wel heel ver in het omgekeerde, het uitmeten van haar onzekerheid. ‘Naarmate ik ouder werd’, schrijft ze over haar puberteit, ‘was ik, dacht ik, realistisch over wat ik waard was en wat ik wel en niet kon. Ik was niet erg knap, al vrij lang voor mijn leeftijd en in mijn eigen ogen dan ook onhandig en lomp. Ik geloofde niet dat ik ergens goed in was en ik was ervan overtuigd dat ik nooit een man zou vinden die ik leuk vond.’ Toen ze toch getrouwd was met een man die ze leuk vond, was ze ‘tevreden met het leven van een plantje’. Terugkijkend op haar professionele leven wijst ze telkens weer op haar gebrek aan vaardigheden. En de dingen die ze goed deed? Dat was, of het nu ging om de rol die haar krant en zij in het Watergate-schandaal speelden of de prijzen die ze als uitgever kreeg, vooral een kwestie van geluk. Het is helemaal volgens het sleetse adagium: mannen schrijven successen aan zichzelf toe en mislukkingen aan de omstandigheden; vrouwen, en Graham dus ook, doen precies het omgekeerde.

Hoe bescheiden Graham ook is, ze was een uitzonderlijke vrouw. In de bestuurskamers en tijdens de redactievergaderingen van The Washington Post was ze, volgens mannen die haar meemaakten, helemaal geen onzeker vrouwtje met een bibberstem, maar een sterke en charmante persoonlijkheid die ook arrogant en zelfs bits uit de hoek kon komen. Ze kon even genadeloos als een mannelijke ceo personeel aannemen en ontslaan. Tijdens ‘Watergate’, en ook daarvoor, bij de publicatie van de Pentagon Papers door de Post, speelde ze een beslissende rol – zij kon de drukpersen laten draaien of stoppen. Een Assepoester is ze ook nooit geweest, ze leefde in paleizen, en dan niet in de keuken.

Haar ouders waren al buitengewoon. Haar vader Eugene Meyer, kind van joodse immigranten, schopte het van winkelbediende tot miljonair. Haar moeder, Agnes Ernst, afstammeling van lutherse predikanten uit Noord-Duitsland, was arm maar beeldschoon. Ze werkte aan het begin van de eeuw al als journaliste, vooral over kunst, schreef voor het eerste avant-gardetijdschrift van Amerika en was bevriend met uiteenlopende kunstenaars als de fotograaf Edward Steichen, de schilderes Georgia O’Keeffe en Rodin, Brancusi, Picasso en Satie (de laatsten uit de tijd dat ze in Parijs woonde). Toen haar vader haar moeder voor het eerst zag, in een museum, riep hij onmiddellijk dat dat de vrouw was met wie hij zou trouwen.

Toen haar vader rijk was, kon hij zich aan zijn werkelijke ambitie wijden: de publieke zaak. Hij ging met zijn vrouw naar Washington om de War Industries Board te leiden – later zou hij nog voorzitter worden van de Amerikaanse centrale bank en de eerste leider van de Wereldbank; in 1933 kocht hij The Washington Post. Hun vier kinderen, Katharine was nog een baby, lieten ze achter in New York, waar ze door kindermeisjes en gouvernantes werden opgevoed. Pas toen zij vier was lieten haar ouders hen naar Washington komen. In de kast van een huis waarin ze woonden, werden ze van alle gemakken voorzien door ruim tien personeelsleden; de top van de politiek en het bedrijfsleven bezocht de diners en grootse partijen.

Katharine had niet alleen te lijden gehad onder afwezige ouders, in haar autobiografie maakt ze ook duidelijk dat haar moeder niet alleen extravagant en snobistisch was (en van een flinke slok hield), maar ook zo egocentrisch dat ze haar kinderen, en vooral Katharine, vaak kleineerde. Het moederschap was niet direct de eerste prioriteit van mijn moeder, stelde Graham fijntjes in haar autobiografie.

‘Ik geloofde niet dat ik ergens goed in was en ik was ervan overtuigd dat ik nooit een man zou vinden die ik leuk vond’

Graham ging eerst aan Vassar, een meisjesuniversiteit, studeren, en daarna aan University of Chicago. Na haar afstuderen besloot ze dat ze journalist wilde worden. Ze begon bij The San Francisco News en werd daarna redacteur van de Post. Daar hield ze een jaar later mee op toen ze trouwde met Phil Graham, een charismatische en razend slimme jurist die aan Harvard had gestudeerd en voor opperrechter Felix Frankfurter werkte. Haar vader haalde hem na de oorlog naar The Washington Post, eerst als assistent-uitgever, later werd hij zijn opvolger als voorzitter van het bedrijf en uitgever.

Het is fascinerend om te lezen hoe Eugene Meyer en Phil Graham leiding gaven aan de krant: ze waren eigenaar en uitgever tegelijk, bemoeiden zich volop met de redactionele koers en waren ondertussen politiek actief. Phil Graham was bijvoorbeeld dik bevriend met senator Lyndon B. Johnson (lbj) die een gooi deed naar het presidentschap. Hij leerde ook John F. Kennedy goed kennen en toen deze de Democratische kandidaat werd, regelde Phil Graham achter de schermen dat lbj zijn vice-president werd. Terwijl hij aan de Post en Newsweek werkte – hij was verantwoordelijk voor de uitbreiding van het bedrijf met het weekblad en de tv-stations – schreef hij speeches voor lbj en bemoeide zich met de politieke benoemingen van jfk. Veel van de nieuwe ministers waren bij hem kind aan huis.

Terwijl Phil zich vol dynamiek op werk en politiek stortte, was Katharine de huisvrouw, maar dan wel een die niet kon koken, stofzuigen of strijken – in haar boek biecht ze op dat ze nog nooit van haar leven een rok of jurk heeft gestreken. Pas later realiseerde ze zich dat Phil haar, net als haar moeder, steeds geringschattender ging behandelen. Hij was grappig, maar steeds vaker ten koste van haar. Ze was een paar kilo aangekomen en hij begon haar ‘Porky’ te noemen. Bij haar zelfbeeld van lelijk eendje paste dat ze dat vanzelfsprekend vond en zich, ze herhaalt het zelf keer op keer, steeds saaier en onzekerder begon te voelen. Critici wezen erop dat ze ook toen veel meer dan ‘een plantje’ was: ze werkte voor Democratische campagnes en achter de schermen van nationale politieke conventies en ze nam deel aan de onderhandelingen bij het verwerven van Newsweek en de tv-zenders.

In 1957 kreeg Phil zijn eerste zenuwinzinking. Na verloop van tijd bleek dat hij manisch-depressief was, een woord dat Katharine Graham toen nog niet kende. Hij begon zich buitensporig en, tegenover haar, steeds bruter te gedragen, begon een affaire met een _Newsweek-_journaliste en wilde scheiden. Graham schrijft openhartig en aangrijpend over zijn ziekte en uiteindelijke zelfmoord toen hij op proefverlof was uit de psychiatrische kliniek. Hij was weer bij haar terug, zij hoorde een geweer afgaan en vond hem dood in de badkamer.

En toen was er de grande tournure in haar leven. Ze nam de leiding van het bedrijf over, aanvankelijk, heel klassiek, om het in handen te houden voor haar oudste zoon, later steeds hartstochtelijker en betrokkener. Ze benoemde na enige tijd een nieuwe hoofdredacteur bij The Washington Post, Ben Bradlee, met wie ze van 1972 tot 1974 in de gierende achtbaan van het Watergate-schandaal terechtkwam. Opeens wordt haar boek van een society-_roman – Henri James in de twintigste eeuw – een journalistiek jongensboek en zij is de lady tussen boys. Ze zat met haar neus boven op Watergate en laat haarscherp zien hoeveel mensen betrokken zijn bij zo’n complex journalistiek onderzoek, veel meer dan de wereldberoemd geworden Woodward en Bernstein. Ze roept ook op hoe benard het was voor _The Washington Post, want niet alleen de regering-Nixon voerde venijnig campagne tegen de krant, ook veel ‘gewone’ Amerikanen vonden dat ze met modder gooiden. Als er geen procedure tegen Nixon was ingezet en als de bandopnamen die hij liet maken van zijn vergaderingen en telefoongesprekken daarin niet waren opgeëist, had het op een debacle voor de krant kunnen uitlopen.

Het opmerkelijke is dat Graham ook in dat jongensboek haar bescheiden toon niet laat varen. Op tweederde van haar autobiografie weidt ze uit over haar verhouding tot de opkomende vrouwenbeweging. Eerst moest ze er niets van hebben, pas toen ze bevriend raakte met Gloria Steinem begreep ze de felheid van de feministische voorhoede en begon ze zich steeds meer voor gelijke behandeling van vrouwen in te zetten, ook binnen haar eigen bedrijf. Zij was, schrijft ze, opgevoed met het idee dat vrouwen inferieur waren aan mannen en haar generatie had zich met die aanname vereenzelvigd, mannen behandelden vrouwen als inferieur en het gevolg was dat de meeste vrouwen ook inferieur wérden. Ze merkte het ook bij zichzelf: de neiging om te rebbelen, het verlangen om te behagen, om bovenal aardig gevonden te worden. Ze merkte ook hoe ongemakkelijk mannen het vonden op de werkvloer. Op de ene na de andere vergadering opende de voorzetter met: ‘Heren en mevrouw Graham’, en dan altijd met een klein lachje. Op de krant werd ze in de nota’s ‘mama’ of ‘mam’ genoemd.

Ze zag het allemaal heel scherp, maar blijft in haar boek toch representant van haar generatie, al lukte het haar om die sprong naar een nieuw soort, maatschappelijker vrouwenleven te maken. Ze is, in de bescheidenheid die ze tot het eind toe tentoon blijft spreiden, meer dan hoffelijk tegenover haar lezer, ze wilde vooral aardig gevonden worden, en ze wás ook aardig, maar ietsje minder aardig had ook gemogen.


Medium graham

Katharine Graham, Persoonlijke geschiedenis, Vertaald door Ed van Eeden, Karin van Gerwen en Richard Kwakkel. Linda.boeken, 797 blz., € 45,-


Beeld: (1) Katharine Graham in de lobby van The Washington Post (Ken Feil, The Washington Post / Getty Images)