Nieuw realisme in de geschiedwetenschap

Een land als zovele

Historici benadrukken doorgaans graag hoe uniek Nederland is. Maar nieuw onderzoek valt dit exceptionalisme aan. Het laat een verleden zien dat bol staat van oorlogszucht en uitbuiting.

Medium sk a 2350
Albert Cuyp, VOC Opperkoopman, ca. 1640-1660, olie op canvas, 138 x 208 cm. Waarschijnlijk Jacob Mathieusen met zijn vrouw. Op de achtergrond de rede van Batavia © Foto’s Rijksmuseum

Tolerantie, koopmanschap en innovatiedrift – in zijn laatste boek Een beknopte geschiedenis van Nederland roemt James Kennedy de inwoners van dat bescheiden landje aan de Noordzee om deze bijzondere eigenschappen. Want door deze karaktertrekken hebben de Nederlanders ontegenzeggelijk hun stempel gedrukt op de wereldgeschiedenis, stelt de historicus. Klein land, groots verleden. Natuurlijk zijn er ook dieptepunten in die geschiedenis te noemen – Kennedy heeft het over ‘stenen op de weg’ – maar het gaat de Amerikaan in de eerste plaats om de uniekheid van ons land.

Kennedy deelt deze fascinatie met vele gerenommeerde collega’s. Met name het Nederland uit de zeventiende en de eerste helft van de achttiende eeuw wordt gezien als een anomalie, als een onregelmatigheid in het algemene patroon dat Europese staten volgden in hun ontwikkeling. Opmerkelijk: onwelgevallige episoden en onaangename Nederlandse neigingen worden hierbij steevast onderbelicht en afgezwakt – Kennedy doet het ook. Het bloedvergieten tijdens de Atjeh-oorlog benoemt hij slechts kort en zakelijk. Hij laat bovendien onvermeld dat de Nederlanders ook de politiek-maatschappelijke infrastructuur in het noorden van Sumatra compleet verwoestten, wat zich tot op de dag van vandaag laat gelden in Atjeh.

De oorlogsmisdaden die Nederlandse soldaten begingen tijdens de Indonesische Dekolonisatieoorlog bespreekt hij eveneens summier en weinig overtuigend – deze koloniale kwesties passen niet in de opzet van het boek, stelt hij. De brandende kampongs, martelingen en verkrachtingen blijven geheel onvermeld. Een treffende beschrijving van het Nederlandse aandeel in de slavernij ontbreekt eveneens. Hoewel hij in zijn boek meer internationale dwarsverbanden en gedeelde ontwikkelingen noemt dan gebruikelijk is in dit soort geschiedschrijving, geeft de zoektocht naar uniciteit ook deze keer een geflatteerd beeld van het Nederlandse verleden.

Op verschillende geschiedenisfaculteiten en -instituten vindt momenteel een herijking plaats van de vaderlandse geschiedschrijving. Gewapend met nieuwe prioriteiten en frisse publicaties vallen veelal jonge historici het Nederlandse exceptionalisme aan. Zij vormen een opkomende school die zich niet bedient van vals sentiment of ongenuanceerde voorstellingen maar van onverbiddelijk realisme: haar geschiedschrijving benadrukt de samenhang van facetten in plaats van slechts enkele ‘unieke’ onderwerpen te belichten. Daarmee is ze niet alleen completer maar ook inclusiever. Zij laten zo een heel ander land zien dan dat van Kennedy en de zijnen. Voor bewieroking is geen plaats, daarvoor is het Nederlandse verleden te grauw en grimmig.

Vooral in de jaren negentig en direct na de eeuwwisseling was een groot deel van de Nederlandse geschiedschrijvers verzonken in zelfgenoegzaamheid. Er heerste een diep geloof in marktwerking en globalisering. Maar de opkomst van populistisch rechts, de economische crisis en de steeds verdere emancipatie van minderheidsgroepen hebben een aantal historici wakker geschud.

Een van de fakkeldragers van deze nieuwe school is Pepijn Brandon, verbonden aan het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (iisg) en de Vrije Universiteit in Amsterdam. Brandon keert zich met zijn onderzoek naar de relatie tussen geweld en kapitalisme in de Republiek tegen een van de meest hardnekkige vormen van exceptionalisme. Historici zien de Republiek graag als een wonder: hoe kon zo’n klein landje alle andere mogendheden domineren? De voortdurende verbazing over dit veronderstelde mirakel overschaduwde steevast andere, minder welgevallige kanten.

Door de nadruk op tolerantie, koopmanschap en innovatiedrift was er bijvoorbeeld nauwelijks oog voor de ongebreidelde oorlogsdrang en moordlust die er heersten tijdens die zo bejubelde eeuw. En dat terwijl deze facetten toch zo Nederlands blijken te zijn als de Nachtwacht en de gulden. ‘De Republiek was in de zeventiende en eerste helft van de achttiende eeuw een zeer succesvolle en meedogenloze oorlogsstaat’, stelt Brandon. ‘Haar geschiedenis valt alleen te begrijpen als dat aspect ook volledig belicht wordt.’

In het debat over de ontwikkeling van Europese staten speelt de theorie van historicus Charles Tilly nog altijd een cruciale rol. Een van zijn voornaamste theses is dat de ontwikkeling van staten nauw verbonden is met oorlogvoering: ‘War makes states and states make war.’ Tilly meent dat iedere samenleving weliswaar anders omging met de oorlogsdruk, maar dat de machtsstrijd tussen de Europese mogendheden in de zeventiende en achttiende eeuw de ontwikkeling van deze staten op hoofdlijnen in dezelfde richting stuwde.

‘De Republiek heeft op talloze plekken gruwelijk huisgehouden en is veel conflicten zelf begonnen’

In zijn boek War, Capital, and the Dutch State (1588 – 1795) legt Brandon uit dat in de vroegmoderne tijd de financiële dimensie van oorlogvoering steeds aanzienlijker werd. Door de komst van buskruit, het toenemende belang van de belegering van steden en de steeds hogere militaire discipline werd er veel gevraagd van soldaten. Omdat zo’n professionele troepenmacht niet verkregen kon worden uit feodale verplichtingen, zoals in de late Middeleeuwen nog gebruikelijk was, waren heersers steeds meer afhankelijk van huurlingen. Oorlogen werden daarmee dure aangelegenheden. Dit was volgens Tilly in het voordeel van sterk gecentraliseerde staten, aangezien alleen zij voldoende belastinggeld konden ophalen.

‘Het is evenwel duidelijk dat ook de Nederlandse staat in de zeventiende eeuw een groot belastingsysteem wist op te tuigen’, stelt Brandon. Dat verklaart waarom de Nederlanders zo actief waren op het militaire vlak. ‘Maar de vorm die de Republiek kreeg, wordt gezien als compleet afwijkend. Er kwam nooit een sterke centrale staat van de grond. Belangrijke takken van oorlogvoering werden bovendien uitbesteed aan privé-ondernemers, wat eveneens als ongewoon gezien wordt. In het traditionele beeld was de Republiek een ongebruikelijke verschijning op het Europese strijdtoneel.’

Brandon ziet dat anders. ‘Als je nauwkeurig kijkt zie je dat de staten waar Nederland mee moest concurreren evenzeer erg verdeeld waren. En net zo goed waren zij gedwongen om aanzienlijke oorlogstaken uit te besteden.’ Wat in eerste instantie compleet anders lijkt, valt bij nader inzien dus in een patroon dat veel algemener is. ‘De Republiek is niet de grote uitzondering’, meent Brandon. ‘Ze is de meest extreme vorm van de norm. Dat klinkt misschien als een semantische kwestie, maar maakt een wezenlijk verschil.’

Nederland organiseerde zijn oorlogen dus op vergelijkbare wijze als andere machten van die tijd. Het deed dat ruim anderhalve eeuw bovendien bijzonder succesvol. Tussen 1650 en 1670 was de Republiek zowel in de Baltische wateren als in de Middellandse Zee heer en meester. Iets later, rond 1700, beleefde het Nederlandse landleger zijn summum. Geen enkele andere strijdkracht was ertegen opgewassen, tot grote frustratie van le Roi-Soleil Lodewijk XIV. Daarnaast valt de inval van Willem III in Engeland in 1688, die de Glorious Revolution inluidde, niet anders te zien dan als een sterk staaltje regime change, dat tot op heden zijn gelijke niet kent. ‘De Nederlanders vochten verder vier Engelse Oorlogen uit, waarvan alleen de laatste echt dramatisch voor hen afliep. Je moet dus concluderen dat de Republiek op militair vlak simpelweg een van de voornaamste spelers was’, zegt Brandon.

Het is niet zo dat deze oorlogsactiviteiten totaal onbekend zijn bij het grotere publiek. Waar het volgens Brandon aan ontbreekt, ook bij historici, is inzicht in hoe die oorlogvoering deel uitmaakte van de samenleving. Het besef dat militaire activiteiten geen bijzaak waren maar een fundamenteel onderdeel van zowel de Nederlandse staat als het dagelijkse leven ontbreekt nu vaak. ‘Dat komt doordat oorlog en bloedvergieten thema’s zijn die in de geschiedschrijving over Nederland al snel buitenspel komen te staan’, zegt Brandon. ‘Wij zien ons land als een handelsnatie, niet als een oorlogvoerende mogendheid.’

Ter illustratie: zo’n tien procent van de werkgelegenheid in de Republiek was oorlogsgerelateerd, schat Brandon, een ongekend percentage. Daarbij was geweld in die periode verre van abject, zoals wij nu vinden. Voor de bestuurders van de Republiek was geweld een vorm van ondernemen. Het voorbeeld van Jan Pieterszoon Coen noemt Brandon in dit verband exemplarisch: ‘Coen wordt met name geroemd om het stichten van het Nederlandse handelsimperium in Azië. De genocide die hij pleegde op de Banda-eilanden wordt gezien als een exces, dat ook in het belang van de voc beter voorkomen had kunnen worden. Maar beseffen we wel dat geweld een structureel onderdeel van zijn onderneming was? Met bloedvergieten zette Coen de bestaande omstandigheden voortdurend naar zijn hand. Geweld en handel vallen simpelweg niet los van elkaar te zien.’

Zo oorlogslustig als de Nederlanders waren in de zeventiende en achttiende eeuw, zo oorlogsschuw worden ze door veel historici gekenschetst. Het verbaast Brandon dan ook niet dat oorlog de Nederlanders in de geschiedschrijving vrijwel altijd overkomt. ‘De Nederlandse Republiek figureert maar zelden als agressor’, stelt hij. ‘Andere machten dringen het geweld op aan Nederland, dat zich vervolgens moet verdedigen. Dat klopt niet, de Republiek heeft op talloze plekken gruwelijk huisgehouden en is veel conflicten zelf begonnen.’

Medium sk a 4283
Hendrik van Schuylenburgh, Nederlandse plantage in Bengaal, 1665, olie op canvas, 133 x 205 cm © Foto’s Rijksmuseum

Onderzoek als dat van Brandon laat een minder fraaie kant van de Nederlandse geschiedenis, die te vaak wordt genegeerd of opgeschoond, in al haar omvang zien. Het resultaat is geschiedenis die ontdaan is van vervorming of illusie. ‘Maar let wel, het gaat hier niet om zwarte-bladzijde-geschiedschrijving of louter een parallel narratief’, zegt historicus Matthias van Rossum. ‘Deze herijking is fundamenteler dan dat. Wie het Nederlandse verleden echt wil begrijpen moet de minder plezierige zaken als structurele onderdelen van het geheel bekijken.’ En juist daar wringt de schoen doorgaans. Het historisch exceptionalisme verzwijgt niet alleen de Nederlandse oorlogslust van de zeventiende en achttiende eeuw, het geeft ook ruim baan aan het bagatelliseren van het Nederlandse aandeel in de slavernij.

Van Rossum noemt slavernijbagatellisering een bedreven activiteit onder een aantal geschiedschrijvers. ‘Piet Emmer is daar een goed voorbeeld van. Hij betoogt steevast dat de handel in slaven de Republiek niet bijster veel heeft opgeleverd en dat de Nederlandse betrokkenheid niet groot was.’ In zijn onlangs verschenen boek Het zwart-witdenken voorbij herhaalde Emmer deze achterhaalde opvattingen opnieuw.

‘De VOC bevond zich in een permanente staat van conflict, soms op wel zeven strijdtonelen tegelijk’

‘Het is duidelijk dat Emmer de slavenhandel een plek probeert te geven in de marge van het Nederlandse verleden’, vindt Van Rossum, eveneens verbonden aan het iisg. ‘Zeer onterecht, Nederland deed op dit vlak bepaald niet onder voor andere landen. De handel in slaven droeg significant bij aan de economie van de Republiek.’ Onderzoek dat Van Rossum deed met Karwan Fatah-Black laat dit duidelijk zien. Een studie van Gerhard de Kok naar de impact van de slavenhandel op Walcheren ondersteunt die conclusie. ‘Dat komt ook doordat er door de slavenhandel talloze economische activiteiten in gang gezet werden waar de Republiek van profiteerde, zoals handel in textiel of het bouwen en bevoorraden van schepen. Voor steden als Middelburg en Vlissingen was de slavenhandel een belangrijke pijler van de lokale industrie.’

‘Daarnaast werd er vanuit Nederland fors geïnvesteerd in de internationale plantage-economieën van andere staten’, zegt Brandon, die op dit moment met andere historici onderzoek doet naar de vraag wat Nederland verdiende aan de slavernij. ‘Ook leverde de in- en verkoop van door slaven geproduceerde producten veel op. De betrokkenheid van de Nederlanders in de trans-Atlantische slavenhandel gaat dus veel verder dan enkel de fysieke handel in slaven waar zij verantwoordelijk voor waren. Dat is maar een fractie van het Nederlandse aandeel’, onderstreept Brandon.

Matthias van Rossum doet op dit moment onderzoek naar de Verenigde Oost-Indische Compagnie en haar handel en wandel in Azië. ‘Een oorlogsmachine’, typeert hij de multinational. ‘Ze bevond zich in een permanente staat van conflict, soms op wel zeven strijdtonelen tegelijk. Maar ook was de voc een koloniale overheid die bepaald niet vies was van systematische inzet van dwang en geweld. Van kettinggangers die te werk gesteld werden, inwoners van het kaneelrijke Ceylon die verplicht herendiensten moesten leveren, tot een bloeiende handel in slaven – in Azië welteverstaan, een kant van de Nederlandse slavenhandel die schromelijk onderbelicht is.’

Om dat te illustreren wijst Van Rossum op het omslag van zijn boek Kleurrijke tragiek: De geschiedenis van slavernij in Azië onder de VOC. Daarop is een schilderij te zien dat op dit moment te vinden is in de catalogus van het Rijksmuseum onder de naam Hollandse koopman met slaven in heuvellandschap, geschilderd door een onbekende kunstenaar omstreeks 1700. Maar dat is niet de originele titel. ‘Toen het museum het schilderij verwierf, gingen de curatoren er als vanzelfsprekend vanuit dat het afgebeelde tafereel was gesitueerd in de Atlantische wereld. Dat moest wel, er waren immers slaven te zien op het doek. Dus werd er aanvankelijk in de naam van het werk gesproken over een West-Indisch heuvellandschap. Wie goed kijkt, ziet dat de afgebeelde vrouw en soldaten kledij dragen die duidelijk wijzen op een Aziatische omgeving. Een veelzeggende vergissing.’

Dwangarbeid vormde ook in Azië de ruggengraat van de koloniale economie. In het Batavia van de zeventiende eeuw was grofweg een derde van de bevolking slaaf. Veel van deze mensen kwamen uit de Indonesische archipel en Zuid-Azië. Slaven waren daardoor niet direct te herkennen door huidskleurverschillen, in tegenstelling tot slaven in de Nieuwe Wereld. ‘Batavia herbergde bijvoorbeeld onvrije Bengalen uit de regio van Calcutta, maar er leefden ook Indiase kooplieden en zeelui uit dezelfde contreien’, zegt Van Rossum. ‘Soms deden deze slaven ook nog eens exact dezelfde werkzaamheden als die laatste groepen.’

De erfenis van de slavernij is daardoor minder zichtbaar in Aziatische samenlevingen. Maar hoewel moeilijker te herkennen, milder dan die in de Atlantische wereld was het slavenbestaan in Azië niet, zoals nogal eens wordt gesteld. Er waren huisslaven, die relatief licht werk deden, maar het merendeel van de tot slaaf gemaakte mensen in de Oost werd te werk gesteld in werkplaatsen en in zogenoemde ‘tuinen’ en ‘perken’ – plantages waar onder meer nootmuskaat, peper en suiker verbouwd werden. Zij deden daar zwaar en uitputtend werk.

Door de grootschalige mensenhandel in verschillende delen van Azië is de betrokkenheid van de Republiek bij de wereldwijde slavernij veel groter dan lang werd aangenomen. Haar aandeel is klein noch onschuldig te noemen in vergelijking met andere landen die zich inlieten met dit soort praktijken. ‘De Nederlanders hadden ook geen andere moraal of overtuigingen dan bijvoorbeeld de Engelsen of Portugezen’, concludeert Van Rossum. ‘Nederland was geen uitzondering, maar een land als alle andere.’

Matthias van Rossum en Pepijn Brandon zijn onderzoekers die aan het begin staan van hun carrière. Hun werk is de belichaming van fris elan in de Nederlandse geschiedschrijving. Maar dit nieuwe realisme is niet enkel voorbehouden aan jonge historici, benadrukt Peter van Dam. ‘Er is geen sprake van een generatiekwestie. Dit leeft even goed bij verschillende geschiedwetenschappers die al langer bezig zijn.’ De nieuwe school waar ook Van Dam toe behoort, beperkt zich evenmin tot de zeventiende en achttiende eeuw. Traditioneel wordt bijvoorbeeld ook de verzuiling gezien als typisch Nederlands.

Van Dam deed onderzoek naar deze periode. Na de publicatie van zijn boek Staat van verzuiling: Een Nederlandse mythe ontdekte hij dat de heersende opvattingen over dit onderwerp eveneens gestoeld zijn op een karikatuur van de geschiedenis. ‘Steeds als ik een lezing gaf bleek het traditionele verzuilingsjargon erg diep verankerd te zijn bij mijn publiek. Ik probeerde dan duidelijk te maken dat het idee van vier strikt homogene zuilen gewoon niet klopt. De grenzen tussen groepen waren steeds omstreden en de samenleving veranderde door de jaren heen ingrijpend. Maar dat sluit niet aan bij hoe we Nederland graag zien.’

Hij benadrukt de dynamiek van de Nederlandse samenleving. ‘Er ontstonden in de negentiende en in de twintigste eeuw allerlei groeperingen die weliswaar een bepaalde signatuur hadden, maar de ene protestantse groepering kon er bijvoorbeeld volkomen andere denkbeelden op nahouden dan een volgende groep van diezelfde gezindte.’ Bovendien is de traditionele verzuilingsopvatting tamelijk simplistisch. ‘Alsof er geen socialistische katholieken bestonden; de meeste liberalen waren nota bene protestanten.’

Nederland was eerder een lappendeken, een mozaïek met vele kleurschakeringen. Van Dam stelt dan ook voor om de term ‘verzuiling’ niet meer te gebruiken. ‘Ze schept alleen maar verwarring.’ Er waren weliswaar zeer uniforme regio’s, maar over het algemeen kwamen mensen met verschillende ideeën en overtuigingen elkaar constant tegen. ‘Dat gold met name voor de steden, die veel gemengder waren dan het gemiddelde plattelandsdorp. Als je de geijkte opvatting over de verzuiling loslaat, zie je bovendien dat deze situatie niet uitzonderlijk is voor Nederland’, zegt hij. ‘Denk je dat het heel anders werkte in Duitsland of Frankrijk?’

Ook Van Dam laat zo zien: historisch exceptionalisme vervormt het verleden. Het nieuwe realisme waar hij zich net zoals Van Rossum en Brandon van bedient, levert geschiedenis op zonder grootheidswaan of bijzonderheidspredikaat. Bovenal geeft ze een veel completer beeld van het vaderlandse verleden. Dat deze fundamentele herijking een verdere impuls zal krijgen staat vast: onder redactie van migratiehoogleraar Leo Lucassen, historicus Karwan Fatah-Black en anderen wordt er gewerkt aan een Wereldgeschiedenis van Nederland. Deze publieksbundel zal gebeurtenissen, ontwikkelingen en personen uit het vaderlandse verleden koppelen aan internationale aspecten, om zo te laten zien dat de geschiedenis van Nederland allerminst exceptioneel is.