China heeft last van Hongkong en Taiwan

Eén land, één systeem

Democratie, dat kunnen we hier niet hebben, denken de leiders van China. Intussen proberen Hongkong en Taiwan onder het juk van Peking uit te komen.

China is in razende ontwikkeling, behalve op het gebied van de politiek. Sinds het bloedbad van Tiananmen in 1989 zijn politieke hervormingen taboe. Daarover denken de nieuwe Chinese leiders net zo als de oude: democratie, dat kunnen we hier niet hebben. Daarvoor zijn we te veel, te arm en te onderontwikkeld. Het zou een kakafonische chaos worden.

En het zou vooral het einde zijn van het machtsmonopolie van de communistische partij.

De chaos begint dicht te naderen. Want juist vanuit de Chinese wereld zelf wordt China belaagd door het onbruikbaar geachte systeem. In Hongkong, sinds 1997 een autonoom gebied binnen de Volksrepubliek, demonstreerden zondag duizenden mensen, een zwarte rouwband om de arm, tegen het Chinese ingrijpen in Hongkongs democratische ontwikkeling. Zaterdag manifesteerde zich de democratie in Taiwan, toen de oppositie te hoop liep tegen China’s grootste vijand: president Chen Shui-bian.

In de tijd dat Taiwan dictatoriaal bestuurd werd door de Kwomintang, de partij van Chiang Kai-shek die de burgeroorlog tegen de communisten had verloren, dreigde voor China geen enkel democratisch gevaar. Hetzelfde gold voor Hongkong toen het nog een Britse kroonkolonie was. Wijlen Deng Xiaoping bedacht de leus «één land, twee systemen». Deze formule, bedoeld om de «afvallige provincie» Taiwan de terugkeer naar het moederland te vergemakkelijken, werd eerst toegepast op Hongkong. Bij de overdracht aan China kreeg het de verzekering dat het vijftig jaar zijn politieke en sociale systeem mocht houden en dat het zich intussen mocht ontwikkelen tot een volledige democratie.

De verwachting dat Hongkongs politieke systeem even inspirerend op China zou werken als zijn markteconomie is niet uitgekomen. «Eén land, twee systemen» is geleidelijk uitgehold. Op 1 juli vorig jaar kwamen een half miljoen Hongkongers de straat op, een mega-aantal in een stad van 6,7 miljoen inwoners die normaal niet aan politiek maar aan geld denken. Hun protest tegen het plan voor een veiligheidswet uit Chinese koker, die ze een gevaar vonden voor de democratische vrijheden, had effect. Maar het was voor Peking ook het sein om het over een andere boeg te gooien teneinde zijn politieke greep op Hongkong te behouden.

Hongkongs Chief Executive is de scheepsmagnaat Tung Chee-hwa. Hij werd in 1997 aangewezen door China, en vijf jaar later door een Peking-gezind kiescollege herbenoemd. Hoewel Tung een perfecte stem van zijn meesters is gebleken, heeft hij voor Peking zijn nut als plaatselijke megafoon verloren. Daarvoor is hij te impopulair en zijn zijn nederlagen en die van de pro-Peking-partijen te pijnlijk.

Hongkongs mini-grondwet voorziet over een paar jaar in vrije verkiezingen voor Chief Executive en de wetgevende raad. De Chinese leiders weten dat hun pionnen dan geen kans maken. Daarom hebben ze vorige week beslist dat zijzelf het laatste woord hebben over politieke hervormingen in Hongkong, waar alleen «patriotten» in het bestuur mogen komen. Dat betekent dat democraten worden uitgesloten en dat hervormingen zullen uitblijven, tenzij ze in het voordeel van China zijn. Het betekent ook dat de politieke toverformule in de praktijk neerkomt op één land, één systeem. Het zal waarschijnlijk onmogelijk zijn de Hongkongers dat goedschiks te laten accepteren.

Na wat er met Hongkong is gebeurd, moeten de Taiwanezen minder van de oude formule hebben dan ooit. In 1996 had het eiland zijn eerste vrije presidentsverkiezingen, en sindsdien is het voor China van kwaad tot erger gegaan. Op 20 maart werd met een flinterdunne meerderheid Chen Shui-bian herkozen, volgens de oppositie (de oude Kwo mintang) dankzij geritsel en een raadselachtige beschieting, die Chen en zijn running mate nauwelijks verwondde maar hun wel sympathiestemmen opleverde. In grote demonstraties blijft de oppositie de geldigheid van de verkiezingen bestrijden.

Chen spreekt met drie tongen. Tegen zijn achterban roept hij dat Taiwan niet alleen de facto maar ook de jure onafhankelijk moet worden, tegen Amerika zegt hij dat de status van Taiwan niet zal veranderen, en China krijgt nu eens het één, dan weer het ander te horen. De democratie in Taiwan is het, vaak rumoerige, bewijs dat deze staatsvorm in de Chinese wereld wel degelijk mogelijk is. China heeft er daarom even weinig mee op als met de «separatist» Chen.

Alle Chinese dreigementen tegen Taiwan hebben een averechts effect gehad. Hoe meer raketten op Taiwan werden gericht, des te groter werd het aantal voorstanders van de onafhankelijkheid. Chen wil nu een nieuwe grondwet opstellen en die afkondigen in 2008, het jaar waarin Peking zich vanwege de Olympische Spelen geen militair avontuur tegen Taiwan kan veroorloven. Maar een paar hoge Chinese militairen hebben al gezegd dat China bereid is desnoods de Spelen en zelfs de economische vooruitgang op te offeren voor de hereniging van het vaderland.

Washington heeft politieke en economische relaties met China, maar tegelijk heeft het zich verplicht Taiwan militair bij te staan. Die spagaat, die «strategische ambiguïteit» heet, is bedoeld om de status quo te hand haven. Totdat de spreidstand leidt tot uitscheuring.