De Amerikaanse nachtmerrie

Een land op leeftijd

Amerika lijdt in toenemende mate aan zelfdestructie, twijfel en intellectuele verarming. Ondertussen schept de rijke elite een hel van een samenleving. Wanneer zette de rot in?

LANDEN ALS ITALIË, Griekenland en zelfs Frankrijk, daarvan kon je houden met je hart. Maar Amerika en ik, dat was anders. Passie en hartstocht ontbraken, het was altijd iets cerebraals, meer een liefde van het hoofd. Amerika liet me nadenken over Europa, over Nederland, terwijl mijn Europees-zijn me liet nadenken over Amerika. Wat ik miste in Nederland, dat vond ik in Amerika, maar volledige overgave, dat was er nooit bij. Het vergde te veel rationalisering om misstanden te rechtvaardigen of te verklaren. Nog maar zestig jaar geleden was het land gesegregeerd en nog steeds leven grote bevolkingsgroepen in armoede en achterstand. Het individualisme van de eigen verantwoordelijkheid was aantrekkelijk en tegelijk afstotend.
Hoe meer ik als student in de jaren zeventig met Amerika bezig was, des te meer ging ik het land waarderen. Ik ging er studeren, woonde er zeven jaar, schreef erover als correspondent, trouwde een Amerikaanse en koesterde in het algemeen warme gevoelens voor Amerika en de Amerikanen. Ergens in de afgelopen jaren is de balans omgeslagen. De negatieve aspecten van Amerika kregen de overhand en ze verleidden tot een diep pessimistisch gevoel over de toekomst van het land, zelfs een lichte afkeer van sommige aspecten ervan. Het was niet één ding, niet Bush of Obama, niet Irak of Katrina, niet de onaangename toon van het politieke debat. Het zit veel dieper. Ik krijg het gevoel dat wat Amerika sterk maakte, zowel qua macht als moreel, geleidelijk in zijn tegendeel is omgeslagen.
Misschien was Amerika al over the hill toen ik het ontdekte, maar het land leek zich als een duikelaar steeds opnieuw op te richten. De crisis van de jaren zeventig leidde tot het zorgeloze optimisme van Ronald Reagan en tot de hightechrevolutie, entrepreneurs, venture-kapitaal en economische groei. Hoewel Reagan er weinig mee te maken had, leek de ondergang van de Sovjet-Unie en haar satellieten te bevestigen dat Amerika de kracht voor het goede was in de wereld, meestal tenminste. Paul Kennedy’s stelling van imperial overstretch leek overdreven, de Japanse dreiging van de Amerikaanse economische positie bleek een papieren tijger. Bill Clinton leek een symbool van Amerika’s aanpassingsvermogen en veerkracht.
Maar in de loop der jaren, ook toen al, werd de sfeer in Amerika onplezieriger. De jaren dat ik in New York en Washington woonde, grofweg de jaren tachtig, waren de slechtste jaren van die steden. Criminaliteit en crackgebruik maakten dat je je onveilig voelde, de criminele burgemeester van Washington werd gedurig herkozen door gefrustreerde zwarte kiezers die liever een zwarte crimineel hadden dan een blanke manager. Maar beide steden leken zichzelf te heruitvinden, naar goed Amerikaans model.
Amerika leek ondertussen minder en minder samen te hangen. In politiek Washington was dat het beste zichtbaar. Blatende egotrippers, zoals de toenmalige afgevaardigde Newt Gingrich en zijn acolieten, leken geen ander doel te hebben dan hun opponenten te vernietigen. President Bush de Oudere werd afgemaakt omdat hij het lef had te doen wat nodig was, namelijk belastingen verhogen - Reagan deed dat ook maar hij was de betere politicus. President Clinton werd beschuldigd van moord, drugshandel en nog wat minder kwaad, voordat hij zichzelf politiek ontmande in de pantry van het Witte Huis. Banaler kon het bijna niet, maar tegelijkertijd waren de aanvallen op Clinton van een niveau waarvoor je je bijna schaamde, al waren ze in retrospectief kinderspel vergeleken met wat Barack Obama moet ondergaan.

EEN VAN mijn beste herinneringen aan de jaren dat ik in Amerika woonde, was het hoge niveau van de conversaties bij dinner parties en op feestjes. Eerst in New York, waar ik op Columbia University ontdekte wat een echt intellectueel klimaat was, daarna in Washington, waar de vrije uitwisseling van ideeën het een genot maakte om te debatteren. Zoals de opiniepagina’s van The New York Times en The Washington Post oneindig veel beter waren dan die van Nederlandse kranten.
Het publieke debat heeft plaatsgemaakt voor het poneren van stellingnames en het verdacht maken van wie iets anders denkt. Het agressieve discussiëren dat de Amerikaanse televisie altijd spannend maakte, gebeurt niet meer in groepjes van vier verschillend georiënteerde mensen, maar één tegen één, of, in het geval van roeptoeters als Rush Limbaugh, in de vorm van onemanshows. De hightechrevolutie had als bijeffect dat mensen uit steeds meer bronnen hun nieuws en analyse konden betrekken. Helaas is het gevolg niet dat ze zich door verschillende kanten laten voeden, maar dat ze kiezen voor kanalen waarmee ze het eens zijn. Limbaugh of mediaterroristen als Ann Coulter en Glenn Beck zijn de toon gaan zetten. Je hoeft Limbaughs directe invloed niet te overdrijven, maar zijn stijl van eenrichtingsverkeer heeft school gemaakt.
Geleidelijk hield politiek op een beschaafd gespreksonderwerp te zijn. En politiek opereert niet in een vacuüm: de samenleving stopte met communiceren. Wie het niet eens was met de scherpslijpende evangelische sociale conservatieven en ideologisch geïnspireerde anti-overheidsactivisten werd als verrader afgeserveerd. Liever deed je er het zwijgen toe. Voor de barbecue bij de buren kreeg je ingefluisterd wat de gevoelige onderwerpen waren voor de gastheren. Een foute opmerking en daar kwamen de socialistische hordes weer opdraven of, in andere omgevingen, de evangelische clichémannetjes. De diverse partijen groeven zich in en bestookten elkaar met onwrikbare standpunten. Het niveau van de discussie is Monty Python in actie: ‘I don’t want to talk to you no more, you empty headed animal food through wiper. I fart in your general direction.’
Als compulsieve politieke junk is RealClearPolitics, een verzamelsite met artikelen over Amerikaanse binnenlandse politiek, een vast station in mijn werkdag. Ik merk dat ik steeds minder lees. De opiniestukken zijn niet meer artikelen die je aan het denken zetten, maar set pieces die de ene of de andere (vooral de ene, dat wil zeggen, Obama) partij neerzetten als randdebielen of landverraders. De opmerking van presidentskandidaat Rick Perry dat de president van de Federal Reserve, Ben Bernanke, een verrader is en zich niet in Texas zou moeten wagen, past in het patroon van de huidige conversatie. Enige bescheidenheid van een Texaanse gouverneur over nationale politici die een bezoek aan Dallas wel eens niet zouden kunnen overleven, lijkt geheel afwezig.

HET BEPERKT zich niet tot de politiek. Dat doet het nooit. Een van de dingen die mij altijd aanspraken van Amerika was de optimistische 'we can do it’-houding. Die was vaak naïef, van de realiteit losgezongen, maar hij inspireerde en was voor de Amerikanen een bron van energie. Dat is verdwenen. Amerikanen zijn nu bitter en negatief. De economische onzekerheid was altijd groot, maar het gevoel dat het altijd wel weer goed kwam is verdwenen. De middenklasse zit al jaren in de klem en merkt dat ze het niet kan bijbenen, dat ze achteruit gaat.
Amerika kende nooit hoge structurele werkloosheid: het aantal mensen dat wilde werken maar meer dan een jaar aan de kant stond, was altijd gering. De afgelopen tien jaar is dat veranderd. Het begon met de dotcomcrisis en wordt afgerond in de huidige depressie. Een groot aantal mensen zit structureel zonder werk. Volgens één berekening kan liefst zestien procent van de mensen die zouden willen werken geen werk vinden - de officiële werkloosheid, in Amerika altijd een te laag getal, ligt op negen procent. Het bewustzijn van permanente werkloosheid was ooit een Europees fenomeen en werd volgens Amerikanen veroorzaakt door onze hoge uitkeringen voor niets doen. Nu is het een deel van het dagelijks leven in de VS. Deze keer zijn het niet enkel Vietnamveteranen die ronddwalen in de ghost town van werkend Amerika, maar zijn het al die mensen die simpelweg niet nodig zijn.
De Amerikaanse economie draaide de laatste decennia op consumptie. Dat zal niet gauw terugkomen, althans niet voor het overgrote deel van de mensen onder de inkomensmediaan, en voor menigeen daarboven. Ooit was het bezit van een huis het ultieme bewijs van zelfstandig burgerschap. De huizenballon heeft veel speculerende burgers het deksel op de neus geslagen en ook veel goedwillende en hard werkende Amerikanen meegezogen. De veelbezongen mobiliteit stagneert: je kunt niet weg als je huis minder waard is dan je schuldenlast. Pessimisme domineert, zowel over de eigen toekomst als over de kwaliteit van de Amerikaanse samenleving. De inkomensongelijkheid is extremer dan ooit en het geloof dat iemand in de onderste regionen van het inkomensgebouw ooit grootverdiener kan worden, of zelfs één inkomensklasse kan opklimmen, is verschrompeld. De veel bezongen Amerikaanse droom, een veilig middenbestaan, het ideaal van de jaren vijftig, heeft weinig meer te betekenen.
De uitwassen waren al langere tijd zichtbaar. In Las Vegas kreeg ik het onaangename gevoel dat ik rondliep in een virtuele wereld van onproductief rondgepompt geld, niet alleen overdadig en overdreven maar vooral ook oneindig smakeloos en nutteloos. Het waren de jaren dat Nevada de grootste groei kende in bevolking en in banen, dat stukken woestijn werden omgetoverd tot groene weides met huizen en golfbanen. Anno 2011 is Nevada de staat met de hoogste werkloosheid, de huizen staan leeg, de nieuwe gokhuizen blijven betonnen staketsels en de casino-economie ligt op z'n gat. De woestijn kruipt langzaam terug.
Ik zal er geen traan om laten. Het was een ongeluk dat eraan zat te komen. Las Vegas is uitzonderlijk, maar in staten als Californië, Arizona en Florida staan nu hele wijken met slecht gebouwde huizen te verrotten in leegstand. De suburbs die in Zuid-Californië heuvel op, heuvel af marcheerden staan er belabberd bij. Veel eigenaren zullen hopen dat de jaarlijkse bosbranden hun stulp platbranden. Dat levert meer op dan een verkoop. Dakloosheid neemt ondertussen met sprongen toe.
De idiote wapenwetten, nu met 'concealed gun’-rechten (je mag je wapen verborgen dragen) in staten waar ze toch al schietgraag zijn, waren altijd een onbegrijpelijk fenomeen. De zelfmoord via een massamoord heeft een verdovende regelmaat gekregen. Het aantal doden door wapens is in Amerika hoger dan in welk beschaafd land ook. De houdgreep waar de National Rifle Association de samenleving in houdt, is alleen maar steviger geworden.
Sinds de jaren tachtig zijn steeds meer Amerikanen in gevangenissen verdwenen. Er is geen aantoonbaar verband met lagere of hogere misdaadcijfers, maar wel met straffen die rechters verplicht moeten opleggen aan iemand met een paar gram marihuana. Het gaf een illusie van meer veiligheid. Ondertussen zitten miljoenen mensen in peperdure en ineffectieve gevangenissen en is een hele industrie ontstaan die hard lobbyt om dat zo te houden. De effecten op de samenleving van deze epidemie van opsluiting zijn desastreus.
Je kunt beter niet ziek worden in Amerika, en Obama’s goed bedoelde poging om daar wat aan te doen is verbazend impopulair. Het blijft bizar dat het idee om vijftig miljoen Amerikanen te verzekeren in plaats van te wachten tot ze in emergency rooms geholpen móeten worden is weggezet als 'socialistisch arrangement’. De leefcultuur die ervoor zorgt dat arme gezinnen moeten leven op double burgers met french fries of pizza omdat dat het goedkoopste eten is, het stuit tegen de borst.
Amerikanen hebben nu niet alleen hun eigen, partijdige bronnen van nieuws, ook in alle andere opzichten zijn ze steeds meer gesorteerd in hokjes, opgesloten bij soortgenoten. Woonwijken zijn homogeen van samenstelling, er staat een hek omheen, en alleen om in de gevaarlijke buitenwereld te winkelen of te werken komt de burger uit zijn beschermde wereldje. De bereidheid om te investeren in iets buiten die omheining is minimaal. Jarenlang heb ik betoogd dat Amerikanen in veel opzichten socialer waren dan Nederlanders die hun hulpvaardigheid hadden uitbesteed aan de overheid. Dat is nog steeds zo, maar het laatste restje van bredere hulpvaardigheid, van samen leven en samen problemen oplossen lijkt verdwenen.

MISSCHIEN is het logisch dat geloof onder deze omstandigheden steeds belangrijker wordt. Kenmerkend Amerikaans pragmatisme en opportunisme hebben plaatsgemaakt voor ideologische rechtlijnigheid en een bizar soort antiwetenschappelijke geloofswaanzin waarin evolutie wordt afgedaan als 'ook een theorie’. Amerikaanse scholen worden lokaal bestuurd, en was dat ooit een bron van participatie en inspiratie, nu worden er vaak onzinnige om niet te zeggen achterlijke theologische en ideologische gevechten uitgevochten. 'Creationisme’ wordt aan kinderen als een wetenschappelijke theorie gepresenteerd en dan wordt het natuurlijk moeilijk om echte wetenschap serieus te nemen. Vandaar dat zoveel mensen meegaan met de onzin van evolutie als 'een theorie met gaten’ en de klimaatopwarming door mensen verwerpen als 'een politieke samenzwering van linkse ideologen die Amerika aan banden willen leggen’. Een derde van de Amerikanen gelooft dat buitenaardse bezoekers in Amerika zijn geweest en daar verbaas je je dan ook niet meer over.
Amerika was altijd een gelovig land. Daar is niets mis mee. Natuurlijk, het leidt tot sociaal conservatisme en al is het soms moeilijk voor te stellen dat tieners echt lid worden van een club om hun maagdelijkheid tot de dag van het huwelijk te bewaren, ook dat is een keuze. Sterker, whistling in the dark, het belijden van een diep geloof terwijl je in de praktijk de kantjes er vanaf loopt, was altijd een belangrijk en zelfs charmant deel van de Amerikaanse psyche. Maar dat een overgrote meerderheid van de Republikeinse presidentskandidaten nu notoir onwetenschappelijke onzin uitkraamt en iemand als Michele Bachmann de machtigste persoon in de wereld wil worden en tegelijkertijd stelt dat ze als vrouw 'onderworpen is aan haar man’, is een vorm van intellectuele atrofie die zorgwekkend wordt. Onderwijl biedt Rick Perry als oplossing voor de problemen een gebedsdag aan. Stel je voor dat dit soort mensen het land leiden en beslissingen moeten nemen die het uiterste vergen van je rationele denken. Alleen vrees ik dat deze mensen de samenlevingsarmoede van Amerika adequaat weerspiegelen.
Sinds de late jaren zestig, in aanleg opgestookt door Nixon, werden de 'cultuuroorlogen’ steeds vervelender. Ook al hebben de Republikeinen sinds 1969 de presidentiële politiek gedomineerd, het zou de jaren-zestiggeneratie zijn die het land naar een afgrond van immoreel en hedonistisch onverantwoord gedrag gevoerd zou hebben. De contrarevolutie van de conservatieven was genadeloos. Alles werd in het extreme getrokken, standpunten leken niet meer naast elkaar te kunnen bestaan, laat staan in de strijd der ideeën te kunnen worden getest.
Modieus gezegd: Amerika is veranderd van een samenleving die bouwend op diversiteit steeds beter en interessanter werd tot een samenleving die steeds meer burgers in compacte, cultureel gesloten eenheden tegenover elkaar lijkt te stellen. Steeds vaker roept de ene of de andere groep, vooral vanaf de rechterzijde, dat zij het alleenrecht heeft op het echte Amerikaan zijn. Wie de wereld wat minder rozig ziet en Amerika als land wat realistischer, wie geen gelovige is, die is een jaren-zestig-liberal, een socialist, een communist of een fascist. Whatever, hij plaatst zichzelf buiten de orde.
Ik geloof dat de rot inzette bij Watergate. Ook al waren zelfs Republikeinen er in augustus 1974 van overtuigd dat Nixon moest vertrekken, ze zijn het altijd blijven zien als een coup van links tegen een president die hen net vernietigend had verslagen. Dat in november van dat jaar de Democraten veel zetels wonnen in Huis en Senaat droeg bij aan de wrok. Republikeinen haalden hun gram door in 1980 Ronald Reagan in het Witte Huis te zetten en een groot aantal belangrijke Democraten naar huis te sturen.
Het echte keerpunt was, denk ik, de strijd over de nominatie van rechter Robert Bork. Bork was een van de leidende juristen van Amerika, professor aan Yale, hoge ambtenaar onder Nixon en door Reagan benoemd als federale rechter. Een interessante man, iemand met uitgesproken en soms bijzonder conservatieve maar wel goed beredeneerde opinies, die het Supreme Court zeker een stuk rechtser had gemaakt. Het was tot die tijd vrij ongebruikelijk om voordrachten van een president af te wijzen op grond van ideologische of politieke meningsverschillen. De hearings voor zijn nominatie voor de Senaat betekenden, zoals columnist Joe Nocera het recentelijk noemde, 'het einde van beschaafde conversatie tussen Democraten en Republikeinen’. Bork werd kapotgemaakt door de Democraten onder leiding van Ted Kennedy. Hij werd weggezet als een extreme ideologische activist, hij zou de segregatie herstellen en abortussen naar de 'back alley’ verjagen, hij was kortom een monster. Republikeinen kunnen zich er nog steeds kwaad over maken, en terecht.
Het was het begin van eindeloze strijd over nominaties van rechters, die tegenwoordig geen enkele opinie meer mogen hebben, met als gevolg dat alleen grijze muizen benoemd worden. Iedereen met een uitgesproken stellingname is onwelkom, zowel bij de Democraten als de Republikeinen. Alle nominaties zijn nu een gevecht, met het gevolg dat Obama nog steeds open plekken heeft in zijn regering. Twee jaar later lieten de Republikeinen de Democratische speaker van het Huis struikelen op kleine corruptie, zes jaar later was Newt Gingrich zelf speaker en begon de jacht op Clinton.
Eigenlijk is het sindsdien nooit meer normaal geweest. Bij de verkiezingen van 2000, althans de manier waarop die werden afgerond door hetzelfde Supreme Court, hebben Democraten zich op hun beurt nooit neergelegd. In een dodelijke dans maken beide partijen het regeren onmogelijk en erger nog, ze wurgen de discussie in het land en, mag je er nu aan toevoegen, geleidelijk aan ook het land zelf.
Ik vond het schokkend om te zien hoe de Republikeinse haatzaaiers Clinton probeerden kapot te maken en ik zag evenmin heil in de voortdurende verkettering van George W. Bush door de Democraten. Maar uiteindelijk werd ook Franklin Roosevelt met passie gehaat door Wall Street en de Republikeinse Partij en kon Richard Nixon werkelijk niets goed doen in de ogen van jongeren in de jaren zestig en zeventig. U moest eens weten wat er in zijn tijd allemaal over Abraham Lincoln is geschreven. Maar de sluizen van haat die zijn opengezet sinds Obama een klinkende overwinning boekte, zijn ongekend. Ze ontregelen me, ik denk omdat ze de essentie van de Amerikaanse democratie ontkennen.
Ik kon leven met de winst van Bush in 2000 en begreep waarom de hulpeloze John Kerry het in 2004 niet haalde. Mensen kiezen en daar leg je je bij neer. Gekozen politici moeten de kans krijgen om te regeren. Daarom vond ik de chantagecrisis over het schuldenplafond, afgelopen zomer, zo schokkend. Het was niet alleen een politieke strijd om Obama schade toe te brengen, het was een politieke strijd waarin het algemeen belang daaraan ondergeschikt werd gemaakt - en niet zomaar een belang.
In uitvergrote vorm wordt deze strijd voortgezet in de anti-overheidsretoriek van de Republikeinen. Zeker, dat is een lange traditie in Amerika, maar zij stond nooit serieuze overheidsbemoeienis in de weg als het nodig was. Ik denk aan de New Deal, de GI Bill die miljoenen veteranen op de universiteit zette en tegen lage rente leningen gaf om huizen te kopen (de meest succesvolle social engineering ooit), de highways die door Republikein Eisenhower werden aangelegd, de sociale wetgeving van Lyndon Johnson. Het ging altijd moeilijk, maar de overheid deed uiteindelijk wat noodzakelijk was.
Op het moment dat Amerika broodnodig moet investeren in zijn infrastructuur, dat de wegen vol gaten zitten, de bruggen instorten, dat er geen hogesnelheidstreinen zijn en nauwelijks gewone treinen, dat het elektriciteitsnetwerk problemen kent en het onderwijs schrijnend tekortschiet, kun je niet zeggen: we doen niets. Het ergste is dat het niet enkel gaat om kritiek op een te grote overheid, het is de weigering om te investeren in de samenleving. De haat tegen progressieven als big government-aanhangers is daarbij de primaire motivatie. Waarom zijn Republikeinen tegen snelle treinen en tegen fietspaden in Manhattan? Om geen enkele andere reden dan om liberals dwars te zitten. Ze zitten liever in hun auto in de file dan een nieuwe tunnel onder de Hudson aan te leggen voor een snelle forenzentrein. Het is geen uniek Amerikaans verschijnsel, maar het kent in Amerika zijn excessieve vorm.
Amerika is een land op leeftijd waarvan de infrastructuur hoognodig vervangen of bijgewerkt moet worden. Amerika heeft de infrastructuur van een derdewereldland. De publieke armoede is schrijnend in een samenleving waarin de private rijkdom zo ostentatief is. Onbegrijpelijk dat de rijke elite zich niet realiseert dat ze een hel van een samenleving schept, waarin ze binnen haar gated communities hetzelfde denkt en daarbuiten de wereld als vijandig ervaart. Dat is niet het Amerika dat ik kende, althans niet in die mate.
Er was een tijd dat het niet zo gek leek dat Amerika als streven had om de wereld op Amerika te laten lijken. Het was een onrealistische doelstelling, maar qua uitgangspunt kon de wereld het een stuk slechter treffen. Nu klinkt een dergelijke doelstelling niet alleen absurd maar zelfs afschrikwekkend. Als soft power ooit betekende dat je door je voorbeeld en je morele en sociale kracht landen en mensen zo ver kreeg dat ze je leiding volgden, dan kan ik alleen maar vaststellen dat Amerika die soft power nu heeft verloren.

KLINKT dit als een verhaal van teleurgestelde liefde? Mogelijk. Sommigen zullen zeggen: waar heb je het over, Amerika was altijd zo, het is niet veranderd, jij bent degene die er anders tegenaan kijkt. Anderen zullen zeggen: Amerika is nog altijd een baken van vrijheid en energie, een lichtend voorbeeld, en de inherente kwaliteiten van de Amerikaanse samenleving komen vanzelf wel weer te voorschijn. Het land heeft eerdere periodes gekend van zelfdestructie en twijfel, van uiteenvallen en van politieke stagnatie en polarisatie. Ik zou willen dat ik het optimisme van sommige van mijn Amerikaanse vrienden kon delen. Het was altijd een gegeven dat Amerika’s rol als onbetwiste leider, als uniek land, geleidelijk aan zou verminderen en dat de rest van de wereld, met Amerikaanse hulp en met het Amerikaanse voorbeeld, zichzelf zou verbeteren en daardoor dichterbij zou komen in rijkdom en misschien zelfs macht. Was het niet Amerika’s doel om de rest van de wereld meer zoals Amerika te maken? Meer vrijheid en meer rijkdom te geven?
Zeker, de American Century kon niet eindeloos duren. Zonder deterministisch te zijn was het voorspelbaar dat het Amerikaanse imperium op een gegeven moment uit de rails zou lopen, decadent zou worden of kijvend uiteen zou vallen, uitgedaagd door opkomende machten. Zo gaat het met imperia. Misschien dacht ik ooit dat Amerika eraan kon ontsnappen.
Maar bovenal ben ik bang dat de dingen die Amerika altijd sterk maakten en scherp hielden, zijn individualisme, marktdenken, geloof in zichzelf, zijn gebalanceerde politieke systeem, zijn capaciteit om onrecht in de eigen samenleving te herstellen, ook als dat decennia duurde - dat die dingen alleen maar goed werkten in een opgaand tij. Mijn vrees is dat ze in een neergaand tij even zovele krachten zullen blijken die het land uiteen doen vallen, doen wegzinken in een rol als toeschouwer, niet meer als vormgever.
Het is niet enkel afbladderende liefde, vrees ik. Amerika ís veranderd. Het is armer, zowel qua welvaart als qua sociale cohesie, qua macht als qua intellectuele kracht. Wat mij benauwt is dat een wereldmacht met een veelbelovende president onmachtig blijkt om binnenlands noodzakelijk beleid te voeren, en dat die teleurstellende president mogelijk vervangen wordt door een in tongen sprekende radicaal die de samenhang van die individualistische samenleving nog verder ondermijnt door de overheid uit te kleden, door de mensen die goed voor zichzelf kunnen zorgen te helpen en de rest te laten stikken. Een land dat dermate grote tegenstellingen kent van inkomen en welvaart, van onderwijs en maatschappelijke kansen, een land waarin zoveel mensen niet meedoen, een land waarin de samenleving bij monde van de overheid zegt: zoek het zelf maar uit, waar de idealen zo botsen met de werkelijkheid, zo'n land kan geen wereldleider zijn. Erger, het zal moeite hebben zichzelf overeind te houden.