Het nieuwe defensiebeleid van de Verenigde Staten

Een lange oorlog

Het vierjaarlijks evaluatierapport van het Pentagon heeft als kern dat de oorlog tegen het terrorisme niet moet worden beschouwd als een kortlopende operatie, maar als een «Long War». Het lijkt wel een verbeterde Monroe-doctrine, nu met de hele wereld als achtertuin.

Nooit gedacht en toch gekregen. Zo luidt de reactie van veel experts op de onlangs aangekondigde, grondige herziening van het Amerikaanse defensiebeleid. Het lijkt erop dat Washington in het kader van de strijd met het islamitisch extremisme eindelijk het belang van bondgenoten en een drastisch verbeterde verhouding met de Arabische wereld erkent. Maar of die erkenning ook vruchten gaat afwerpen is nog volkomen onduidelijk.

Anders dan zijn meeste voorgangers bevat de Quadrennial Defence Review, een vierjaarlijks evaluatierapport van het Pentagon, ditmaal veel nieuwe inzichten en zelfs radicaal nieuwe plannen. Kern van de Review is het uitgangspunt dat de oorlog tegen het terrorisme niet moet worden beschouwd als een kortlopende operatie, maar als een «Long War», zoals het Pentagon hem noemt. In plaats van grootscheepse militaire operaties wil Washington voortaan kleine, gerichte ingrepen uitvoeren met special forces, onbemande vliegtuigjes, pro-Amerikaanse milities en dergelijke, en dat in nauwe samenwerking met bondgenoten in elke regio van wie wordt verwacht dat zij «de risico’s en verantwoordelijkheden van de complexe uitdagingen van vandaag» met de Verenigde Staten delen.

Of de Review werkelijk tot verbetering zal leiden, hangt af van de vraag waar straks het financiële en operationele zwaartepunt van al die voornemens komt te liggen. Het is alvast winst dat de fouten van de voorafgaande periode worden erkend, maar dat is natuurlijk niet genoeg om de rekrutering van nieuwe extremisten een halt toe te roepen. Ondanks alle wapengekletter is er weinig resultaat geboekt en zelfs nieuwe achterstand opgelopen in de cruciale strijd om de «harten en geesten», en daar helpen vooralsnog geen special forces aan. Van het voorgestelde budget van 513 miljard dollar (voor 2007) moeten weliswaar 3700 nieuwe mensen voor «psychologische operaties» en «burgerzaken» worden aangesteld, maar het lijkt erop dat zij slechts dienen ter ondersteuning van de militaire component en niet andersom. En de vaststelling in de Review dat een «low-visibility presence» te verkiezen valt boven massieve interventies is echt mosterd na de maaltijd.

De strijd tegen het terrorisme verloopt niet «moeizaam», hij verloopt rampzalig. Ruim vier jaar na de inval in Afghanistan is Osama bin Laden nog altijd niet gesnapt, terwijl die andere opperschurk in Amerikaanse ogen, de op zondag 14 december 2003 in zijn ondergrondse hol gearresteerde Saddam Hoessein, nu juist géén contacten had met terreurorganisaties en ook geen massavernietigingswapens op zijn grondgebied bleek te herbergen. De inval in Afghanistan was volgens internationaal-juridische maatstaven rechtmatig, de inval in Irak was dat niet. Die inval was, om Talleyrand te parafraseren, niet alleen onrechtmatig maar ook dom. Ergens tussen die twee oorlogen voltrok zich een omslag in de wereldwijde waardering voor het Amerikaanse optreden; sindsdien lijken de Verenigde Staten meer in strijd te zijn met zichzelf dan met het internationale terrorisme.

In zekere zin zijn de problemen rond de behandeling van de verdachte Saddam H. tekenend voor het imagoprobleem waarmee de Verenigde Staten – ondanks de aanvankelijke sympathie vanwege 9/11 – zichzelf hebben opgezadeld. In zijn Iraakse dagboek Na Saddam (uitgeverij Balans) beschrijft de voormalige Amerikaanse bewindvoerder in Irak, Paul Bremer, het dilemma waarvoor hij die bewuste zondag stond. De Geneefse Conventies verbieden het tonen van krijgsgevangenen in het openbaar, maar zonder zo’n openlijke vertoning zou de Iraakse publieke opinie nooit geloven dat Saddam inderdaad was gearresteerd. Dus werd hij, weliswaar in fotografische vorm, toch maar aan den volke getoond. Het politieke effect werd belangrijker geacht dan het internationaal verdragsrecht, ook al heeft dat in de Verenigde Staten (en in bezet Irak) kracht van wet.

Waren de nadien uitgelekte foto’s van Saddam in onderbroek bedoeld om dit effect te versterken? Hoe dan ook, in de Arabische wereld werden ze louter gezien als bewijs dat Arabieren in Amerikaanse gevangenschap systematisch worden vernederd. Ook de bewoordingen waarin Bremer de arrestatie aankondigde waren berekend op hun effect, maar hij wist niet eens of de vertaling dat wel overbracht: «Ik vroeg me af hoe de vertaler het woord ‹kelder› had vertaald. We hadden het over het woord ‹mangat› (spider hole), maar wisten dat de vertaling van dit legerjargon vaag zou zijn geweest. Welke Arabische term ook werd gebruikt, het zou beeldend weergeven dat de dictator die miljarden aan paleizen had verspild letterlijk was gevallen.»

Bij nader inzien was Bremers persconferentie meer voor het Amerikaanse publiek bedoeld dan voor het Iraakse. Afgezien van Saddams eigen clan rond Tikrit interesseerde niemand zich meer voor de gevluchte dictator, daarvoor hadden de meeste Irakezen te veel zorgen om hun dagelijkse overleving. Het proces tegen Saddam, dat behalve gerechtigheid ook nieuw inzicht zou moeten brengen in de ware toedracht van veel episodes uit de recente Iraakse geschiedenis en aldus de nationale verzoening bevorderen, is daarentegen ontaard in een schijnvertoning die ook het laatste restje effect van zijn arrestatie ongedaan maakt.

Wat Bremer niet vermeldt en misschien ook nooit heeft geweten, is dat de meeste van zijn decreten en beleidsplannen in het geheel niet in het Arabisch werden vertaald, zodat Irakezen er geen weet van hadden en al gauw de indruk kregen dat er over hun hoofd heen werd geregeerd. Dat was dan ook zo. Een goedgekozen woord op een persconferentie veranderde niets aan de onrechtmatigheid van de inval, de plundering van het land à raison van minstens elf miljard dollar door Amerikaanse bedrijven, internationale huurlingenlegers en het voorlopige bewind van Bremer zelf, de manipulaties rond de nieuwe Iraakse grondwet, de Abu Ghraib- en Guantánamo-schandalen, de stilzwijgende samenwerking van het Amerikaanse leger met de particuliere milities van Koerdische en sjiïtische leden van de voorlopige Iraakse regering, en niet te vergeten de nietsontziende wijze waarop «opstandige» steden als Fallujah door de coalitietroepen met de grond gelijk werden gemaakt.

N

u de Amerikanen met recht en reden een schurkenstaat willen aanpakken, namelijk Iran, een land dat wel een vergevorderd kernwapenprogramma heeft en aantoonbaar samenwerkt met moorddadige islamistische bewegingen, heeft Washington de grootste moeite om diplomatieke steun te mobiliseren. Sinds 2003 worden Amerikaanse inlichtingenrapporten vanzelfsprekend met een grote korrel woestijnzand genomen. De Britse minister van Buitenlandse Zaken Jack Straw heeft zelfs al laten weten dat zijn land «onder geen beding» zal meedoen aan een militaire operatie tegen Iran. Dat betekent dat de VS bij zo’n operatie zijn aangewezen op hun bondgenoot Israël, hetgeen aanleiding zou geven tot verwikkelingen waarmee de Europese bondgenoten niets te maken willen hebben, laat staan Arabische regimes en politiek leiders.

In dit licht is het begrijpelijk dat de eerste Europese reacties op de Review uiterst terughoudend zijn, zelfs in Groot-Brittannië. Britse defensiespecialisten, die onder voorwaarde van anonimiteit met de kranten spraken, zijn zeer teleurgesteld dat de Amerikanen nauwer met hun land willen samenwerken zonder het ook meer invloed op het beleid te geven, te meer daar Groot-Brittannië onlangs een vergelijkbare defensie-evaluatie in gang heeft gezet. Volgens Christopher Langton, een militair expert verbonden aan het International Institute of Strategic Studies, beperkt de Britse rol zich voortaan tot «piggy-backing», oftewel meerijden op de rug van Washington. Een cynicus zal zeggen dat Londen dat al lang doet.

Wie dat niet van plan is, is de Franse president Chirac. Hij verkondigde onlangs in een toespraak dat Frankrijk zijn strategische opties heeft herzien in het licht van de dreiging van het wereldwijde terrorisme. Voortaan zal het Franse kernwapen ook kunnen worden ingezet tegen landen die zich – eigenhandig dan wel via terroristische handlangers – schuldig maken aan nucleaire chantage. Volgens waarnemers neemt hij aldus verder afstand van Iran, om straks des te overtuigender «nee» te kunnen zeggen tegen een eventuele Amerikaanse operatie tegen dat land onder het motto dat Frankrijk in geval van Iraanse agressie zijn eigen boontjes wel dopt.

Wat progressieve critici in deze Review tegenstaat is de verbinding van al die nieuwe tactische plannen met een strategisch concept dat vooral Amerikaanse belangen veiligstelt. Behalve veel nieuwe Amerikaanse bases in strategisch belangrijke gebieden, wereldwijde satellietbewaking en afluisterroutines en mobiele interventiebrigades wil het document ook verzekeren dat geen enkele regionale grootmacht de VS zal kunnen weerstaan terwijl Washington op zijn beurt de «strategische opties» van andere landen wil kunnen bepalen.

Dat lijkt wel een verbeterde Monroe-doctrine, nu met de hele wereld als achtertuin. Het Amerikaanse leger zal niet zozeer de politieman van de wereld zijn, als wel een particuliere bewaker die in de eerste plaats de handel van zijn baas veiligstelt. Dat is begrijpelijk en waarschijnlijk onvermijdelijk, maar het betekent dat het kortetermijnbelang van aanvoerroutes en grondstoffenvoorziening zegeviert over het langetermijnbelang van een betere verstandhouding met de Arabische wereld. Op die manier kan het inderdaad een heel lange oorlog worden.

=