Over het moderne debuteren

Een lange zomerdag aan zee

Er worden jaarlijks bijna twee keer zo veel literaire debuten uitgegeven als tien jaar terug. De aandacht voor de debutant is overspannen. Maar wat nu als je een auteur bent die, heel gek, gewoon wil schrijven?

In een recente blog schrijft Mark Cloostermans, criticus van De Standaard der Letteren in België: ‘Acht dozen met boeken naar De Slegte gebracht. Leuke winkel, hoor, De Slegte, maar rijk zal je er niet worden. Mijn dozen brachten slechts een gering bedrag op, o.m. (zei een inkoper) omdat er veel Nederlandse debuten in zaten. En op de heel zeldzame uitzondering na, is een debuut onverkoopbaar.’
Ruim tien jaar ben ik redacteur geweest bij verschillende literaire uitgeverijen. In die periode heb ik dertig debuten geacquireerd en begeleid, proza en poëzie. Mijn hart bloedde als ik bij een antiquariaat weer eens een maagdelijk debuut zag liggen dat slechts enkele weken daarvoor de reden was voor een feestelijke presentatie. Er hing op zo'n avond altijd iets magisch in de lucht; je zag de verwachting in de ogen van de auteur, de familie en vrienden, de trots dat het was gelukt: een boek in handen, de wereld lag open.
Met de eerste debutant die ik begeleidde kwam ik ouderwets in contact nadat ze een kort verhaal had ingestuurd voor het literaire tijdschrift Bunker Hill, waarvan ik toen redacteur was. We leven van de natuur, een rauw verhaal van Daphne Buter over een vakantie from hell in Zweden werd begin 1999 gepubliceerd. In de herfst van dat jaar verscheen haar debuutroman De blauwe prins, over 'een jong meisje dat haar wereld langzaam uit elkaar ziet vallen’. De verwachtingen van Daphne waren realistisch, zoals ze me onlangs schreef: 'Je ligt een lange zomerdag aan zee en alles is perfect, maar daarna kuier je weer naar huis en duurt het jaren voor je weer zo'n perfecte dag meemaakt.’ Nadat een jaar later de verhalenbundel Alle vogels van de wereld het licht had gezien, werd het stil rond de auteur, vooral omdat andere zaken in haar leven om voorrang vroegen. Toch is 'de hoop op meer, ooit’ niet vervlogen, want ze werkt aan haar derde boek.
Wat ik nu opvallend vind, is dat het allemaal zo kalm ging. Ouderwets, zou ik bijna willen zeggen. Een aspirant-auteur stuurt een verhaal in voor een literair tijdschrift, de redactie leest het en plaatst het. Een van de redacteuren vraagt zich af of er meer in zit, en stuurt de auteur een briefje - ik geloof zelfs een ansichtkaart, want dat deed de uitgever van het tijdschrift, Thomas Rap, ook altijd. Na een lunch ter kennismaking wordt besloten om aan een roman te gaan werken. En zoals blijkt uit haar eigen woorden, is de motivatie van de auteur om een roman te publiceren heel zuiver; ze heeft geen haast.
De laatste jaren is de houding van de debutant anders. Een groot deel van nieuwste lichting schrijvers is mondiger, weet precies wat er in de (literaire) wereld te koop is. Vaak wonen ze in Amsterdam, hebben al een redelijk netwerk in het literaire circuit, ontmoeten gelijkgestemden op borrels en gaan gericht te werk om hun manuscript aan de man te brengen. Ze hebben vragen over de marketing van hun nog ongeboren vrucht, wensen wat betreft het omslag en het lettertype - opvallend vaak hebben ze vormgevers in hun vriendenkring - en grootse en vaak financieel lastige plannen voor hun presentatie en de beoogde eerste-exemplaar-in-ontvangst-nemer. Als het gaat om hun inhoudelijke prestaties nemen ze het advies van een redacteur niet zomaar aan. Sommigen beweren met droge ogen dat ze geen werk van andere auteurs lezen omdat dat hun eigen talent in de weg zit, of menen serieus dat ze alle commentaar van een weerwoord kunnen voorzien door te zeggen dat 'dat nou eenmaal is zoals ze schrijven’.
Veel nieuwe auteurs hebben erg onrealistische verwachtingen van hun debuut en van het schrijverschap in het algemeen; ze maken elkaar een beetje gek. Ga maar na: van een debuut worden gemiddeld een paar honderd exemplaren verkocht; en dan vooral aan vrienden, familie, collega’s, professionals uit het boekenvak. Een tweede druk is al een bescheiden succes. Op het eerste gezicht was dat een jaar of vijftien geleden niet anders. In haar afstudeerscriptie voor kunst- en cultuurwetenschappen uit 1996 stelt Lenny Vos dat een debutant in de jaren 1990-1995 gemiddeld 2362 exemplaren verkocht. Daar tekent ze bij aan dat veertig procent van de debuten een verkoop van meer dan duizend exemplaren niet haalt. Om het gemiddelde te bereiken waren drie auteurs nodig die meer dan tienduizend boeken verkochten. Ook nu zijn er eens in de zoveel tijd uitschieters als het gaat om verkoopaantallen, het meest recente voorbeeld daarvan is Franca Treur van wier Dorsvloer vol confetti inmiddels bijna 35.000 exemplaren zijn verkocht. Maar een opvallend verschil is wel dat er de laatste jaren veel meer debuten worden uitgegeven dan toen: tussen 1990 en 1995 gemiddeld veertig per jaar, nu zijn het er ongeveer zeventig per jaar. Een veel groter percentage zal onder de duizend verkochte exemplaren zitten.

Zeventig debuten per jaar, bijna een verdubbeling ten opzichte van de jaren negentig. Hoe kan dat? Een eenvoudige reden is dat er de afgelopen jaren een flink aantal uitgeverijen is bijgekomen: Cossee, Augustus, Ailantus, Dutch Media, FMW Uitgevers, Artemis, Nieuw Amsterdam en misschien vergeet ik er een paar. De kans dat een aspirant-auteur werkelijk een uitgever vindt, is simpelweg groter geworden. Daarnaast is het rendementsdenken toegenomen: er moet omzet worden gemaakt, en een debuut is een relatief goedkope manier om daaraan bij te dragen. De beslissing van uitgevers om een debuut uit te geven wordt ook echt wel ingegeven door zuiver inhoudelijke motieven, er bestaat zoiets als een beroepseer. Ik word dan ook ontzettend moe van recensenten en jury’s van literaire prijzen die de indruk wekken dat de meeste uitgevers maar alles op de markt gooien. Toch weegt de 'hoop op meer’ sterk mee: als het boek ondanks de geringe investeringen een succes wordt, ben je spekkoper.
Debutanten hebben het natuurlijk altijd al zwaar gehad omdat ze moeten concurreren met al die reeds publicerende auteurs, maar de laatste tien jaar is dat bijna onmogelijk geworden: er wordt ontstellend veel uitgegeven, de boekhandels zitten overvol. De inkoopaantallen van debuten anno 2010 zijn dan ook dramatisch. Omdat boekenkopers minder avontuurlijk zijn geworden in de keuze van een boek past de boekhandel zich uiteraard aan. Overigens heeft deze vernauwing van het blikveld ook enorme voordelen voor de boekhandelaar: de steeds doorlopende titels zijn makkelijk te managen, er kunnen goede afspraken worden gemaakt met de uitgevers.
Waar de zelfstandige boekhandel zich over het algemeen nog altijd sterk maakt voor het literaire debuut, zijn de tijden wat betreft de grotere inkoopcombinaties echt veranderd. Veel debuten worden nu gewoon overgeslagen, en van sommige uitgeverijen worden de debuten helemaal niet meer ingekocht. Bij de inkoop wordt bijna uitsluitend gekeken naar het achtergrondverhaal van de auteur zelf, en naar het omslag. Een matig debuut kan met het juiste omslag - dat bij voorkeur sterke overeenkomsten vertoont met het omslag van een bestseller - in redelijke stapeltjes in de boekhandel terechtkomen, een klein meesterwerk in de dop zal door bijvoorbeeld een te kunstzinnig omslag dat de lading precies dekt een vroegtijdige dood sterven.
Inkopers willen ook vooraf precies weten wat er met een auteur, ook een debutant, afgesproken is over marketingplannen. Welke pers is er geregeld, op welke interviews kan men rekenen? Als daar geen bevredigend antwoord op wordt gegeven, wordt de kans dat een boekhandelaar zich aan een debuut verbindt veel geringer. En als het ingekochte voorraadje van een debuut onverhoopt de winkel uit is geraakt, dan wordt het vaak niet meer bijbesteld. De omloopsnelheid van boeken is tegenwoordig zo schrikbarend hoog dat de meeste titels al binnen twee of drie maanden volledig uit de schappen zijn verdwenen. Een enkele uitzondering daargelaten is er nauwelijks tijd en gelegenheid om een debuut echt een kans te geven.
De verkoopaantallen van het debuut hebben grote consequenties voor het verdere verloop van de carrière van de auteur. Als er van een debuut slechts tweehonderd of driehonderd exemplaren worden verkocht, zal de boekhandel bij een tweede boek nog minder geneigd zijn om redelijk in te kopen. En dan komt er eventueel nog een derde boek, dat het nog lastiger heeft, en dan… wordt het vaak erg moeilijk voor de uitgever om nog vertrouwen te hebben in het eventuele succes van de auteur in kwestie.

Dat is een dramatische ontwikkeling, want dat zou betekenen dat een auteur zelden of nooit meer de kans krijgt om te rijpen, te groeien, om zijn definitieve stem te vinden. Het debuut is per definitie een noodzakelijke hobbel die genomen moet worden op weg naar het uiteindelijke schrijverschap. Er zijn maar weinig debutanten die meteen al zo volwassen en goed zijn dat je - hoe gek dat ook klinkt - nauwelijks van een debuut kunt spreken; ze zijn wat mij betreft over de afgelopen tien jaar op een hand te tellen. Een tweede boek moet duidelijk maken wat de auteur nog meer in zijn mars heeft, en het derde zou een schrijverschap moeten rechtvaardigen. In de huidige trend zou een succesvolle auteur als Tommy Wieringa het zeer, zeer moeilijk hebben gehad: Joe Speedboot was al zijn vierde roman, een 'luxe’ die tegenwoordig weinig auteurs zich meer kunnen veroorloven.
Over het algemeen hebben debutanten niet veel te klagen als het gaat om aandacht in de pers. Recensenten zijn altijd benieuwd naar een nieuw, fris geluid, en elke debutant kan rekenen op ten minste enkele stukken in landelijke of regionale dagbladen, weekbladen of de zogenaamde 'damesbladen’. Over het algemeen zijn de toon en het oordeel van de recensie welwillend: enkele kinderziektes worden aangestipt, een paar ongelukkige formuleringen worden er uitgepikt, maar de auteur krijgt het voordeel van de twijfel, het is immers een debuut. Maar soms wordt de milde blik van de recensent ingeruild voor een vernietigend oordeel, en dat gebeurt naar mijn idee steeds vaker. Enkele jaren geleden was ik zeer nauw betrokken bij het debuut van een jonge student Nederlands, Cor Vos. Zijn eerste roman, Lydia, werd door de uitgever fors neergezet. Ik herinner me dat ik op de ochtend van de presentatie - een vrijdag - de uitgeverij binnenkwam en twee collega’s de Volkskrant zag lezen. Ze keken op en schudden hun hoofd. Hoewel ik daarna nooit meer zo'n bijna collectieve vernietigingsdrang bij de pers heb gezien, gebeurt het eens in de zoveel tijd dat een debuut wordt afgemaakt. Zeer recent nog fileerde de toch al niet om zijn milde oordeel bekend staande criticus Arie Storm in Het Parool debutant Frans Pollux. Storm eindigt zijn recensie over Het geluk van Heisenberg met de zin: 'Nederland heeft er weer een mislukte schrijver bij.’ Als je het boek zo verschrikkelijk vindt, hoef je het niet te recenseren.
Maar belangrijker dan recensies zijn de interviews, en dan vooral op de radio en televisie. De wens van het publiek om door te dringen tot de persoon achter de auteur neemt de laatste jaren welhaast hysterische vormen aan. De macht van de televisie is enorm, en binnen de tv-wereld zijn er twee programma’s waarin uitgevers hun auteurs willen hebben: De wereld draait door en Pauw & Witteman. Als een pr-medewerker van een uitgeverij met de redactie van een van beide programma’s belt met het verzoek een literair auteur - laat staan een debutant - uit te nodigen, wordt bij het woord 'fictie’ bijkans de hoorn op de haak gegooid; het is te lastig, te moeilijk, het publiek snapt het niet, wat me een schromelijke onderschatting van ons allen lijkt.
En Robert Vuijsje dan? hoor ik u denken. Alleen maar nette mensen was een debuut, en had nogal succes. Ik denk alleen dat dat succes vooral te danken was aan de buitenliteraire discussie die er rond het boek ontstond. De media hadden een goed verhaal, niemand lette meer op de literaire inhoud. Dat het boek de Gouden Uil won wordt de auteur van harte gegund, maar is weer voer voor een geheel andere discussie.
Debutanten worden welhaast gedwongen zich soepel en mediageniek op te stellen, promotable te zijn, anders is de pers, en het publiek, niet geïnteresseerd. Het is misschien enigszins gechargeerd, maar de cultus van het uiterlijk is zo alomtegenwoordig, ook in de literatuur, dat je bijna een serieus probleem hebt als je er niet goed uitziet. Waar vroeger de auteursfoto een postzegel was op de achterkant van een boek, en vaak zelfs geheel afwezig, is het nu eerder regel dan uitzondering dat de auteur het volledige achterplat siert.

Maar wat nu als je een auteur bent die, heel gek, gewoon wil schrijven? Uren achter zijn bureau wil zitten om de best denkbare verhalen te maken, en die - schrik niet - niet met alle geweld op de tv hoeft? Of zoals een van mijn auteurs me onlangs schreef: 'Dat ik nou juist ben gaan schrijven om niet zoveel te hoeven praten, houd ik maar wijselijk voor me.’ Het is een serieuze vraag van redacteuren bij radio- en tv-programma’s: 'Hij praat toch wel, hè?’ Het maakt niet uit waarover, als-ie maar praat.
Nog altijd vind ik het onvoorstelbaar dat honderdduizenden mensen de ambitie hebben om een boek te schrijven en dat ook nog gepubliceerd te krijgen. Het fenomeen van de weblog en meest recent Twitter heeft het er niet beter op gemaakt: iedereen met een enigszins succesvolle blog meent al snel dat een roman tot de mogelijkheden behoort. Dat die uitingsvormen juist haaks op elkaar staan en dat het schrijven van een roman nog altijd een ambacht is, is ook weer iets wat je maar beter voor je kunt houden. Maar de concurrentie tussen redacteuren is groot, iedereen houdt elkaar in de gaten. Om het spaarzame talent binnen te halen wordt er in toenemende mate grof geschut ingezet. Het is nu niet uitzonderlijk meer dat auteurs op basis van enkele A4'tjes voorschotten van twintig- of dertigduizend euro krijgen. Dit legt niet alleen een grote druk op de uitgeverij om dergelijke bedragen ook terug te verdienen, maar vooral ook op de auteur: maak het maar waar. Niet zelden wordt de auteur dan ook bij de onderhandelingen over een tweede boek hardhandig met de neus op de feiten gedrukt. Het zorgt simpelweg voor scheve verhoudingen, ook tussen (jonge) schrijvers onderling.
En dan heeft ook de literair agent steeds meer voet aan de grond gekregen. Vooral het agentschap van Paul Sebes heeft in korte tijd een stevige positie verworven. Regelmatig ontvangen redacteuren lijsten met nieuwe acquisities en kunnen ze hun interesse voor enkele van die nieuwe auteurs laten blijken. In de biedingsrondes die dan volgen lopen de bedragen soms hoog op. Ik heb zelf vaak genoeg met biedingen meegedaan, maar op de een of andere manier haakte ik toch vaak snel af. Niet alleen omdat ik het te duur vond, maar vooral ook omdat de manuscripten zo op elkaar gingen lijken.
Dat is natuurlijk ook een groot verschil met tien jaar geleden: mijn eigen smaak. Viel ik toen nog onmiddellijk voor een snel en fris geschreven verhaal over een jong leven in de stad, nu zal het me eigenlijk wat. En al kan ik me voorstellen dat (jongere) collega’s er wel brood in zien, ik probeerde steeds meer op zoek te gaan naar een afwijkender toon, een originele stem, die je even doet opkijken en denken: dit heb ik nog niet gelezen. Een auteur die nu eens geen haast heeft, niet bij de eerste ontmoeting al wil weten wanneer de tot een roman omgebouwde weblogs kunnen verschijnen? Over drie maanden? Vier dan misschien?

En die auteurs bestaan gelukkig nog steeds. Eind februari verscheen het laatste debuut dat ik in vaste dienst als redacteur maakte: Iedere dag in dienst van jou van Ivo Bonthuis. Toen ik hem naar aanleiding van dit stuk vroeg wat hij eigenlijk verwachtte van zijn debuut schreef hij me dit: 'Verwachtingen heb ik niet zozeer, omdat de debuten van de paar schrijvers die ik ken me hebben geleerd dat verwachtingen zinloos zijn. (…) Moge mijn debuut iets toevoegen, moge ik in staat worden gesteld in rust aan een tweede boek te schrijven.’ Ik hoop het met hem mee.