Een lauw broodje van rogi wieg

Rogi Wieg, De overval. Arbeiderspers, 144 blz., 329,90
STEL, JE WILT een roman schrijven, maar je weet niet waarover. Er buitelen wel allerlei herinneringen als een troepje circusartiesten door je hoofd en je hebt zoiets als een ‘innerlijk landschap’, maar je kunt al die flarden en vage gewaarwordingen niet vastleggen in een verhaal. Wat te doen? Je schrijft over iemand die aan het schrijven is. Je begint je roman bijvoorbeeld zo: ‘Ik begin een verhaal te schrijven. Ik ben alleen. Soms schrijf ik in de tegenwoordige tijd. Soms in de verleden tijd. Het hangt af van de wijze waarop ik het verleden beleef. Vaak beleef ik het als heden. Vaak ook niet. Soms ben ik weer terug, momenten, en dan is alles weer vroeger gebeurd.’

Zo laat je zien dat je herinneringen mistslierten zijn die zo nu en dan opduiken, zo geef je aan dat heden en verleden als serpentineslingers door elkaar warrelen. Je laat verder heel nadrukkelijk zien dat wat je opschrijft, om het duur te zeggen, een constructie is. Als je het over jezelf hebt, schep je afstand door steeds hetzelfde zinnetje door het boek te strooien: ‘Er leefde eens een jongeman.’ Je noteert over hem: 'Bij het begin beginnen is onmogelijk, want de jongeman weet niet meer precies wanneer het is begonnen.’ Zo maak je meteen duidelijk waarom je in je roman rusteloos heen en weer springt van de ene episode naar de andere: zo zit je hoofd nu eenmaal in elkaar. Als je een personage opvoert, hou je in het midden of deze echt of verzonnen is. Je introduceert de vrouw met wie je leeft, en schrijft: 'Hoe zullen we deze vrouw noemen?’ Of je begint een hoofdstukje met: 'Ik heb geen broer. Maar als ik een broer had, zou ik vertellen…’ en je vertelt door.
De overval, het nieuwe boek van Rogi Wieg, is zo'n overbewuste roman, zo'n roman die lijkt aan te geven dat het onzinnig en naïef is om zomaar een verhaal te vertellen omdat elk verhaal toch niet meer dan het verzinsel van de schrijver is. Dus kun je net zo goed laten zien hoe de schrijver achter zijn bureau aan het verzinnen is.
Nu heb ik niets tegen zulke overbewust gemaakte boeken, sterker nog: dergelijk overbewustzijn heeft bijvoorbeeld bij Lawrence Sterne, Italo Svevo, Italo Calvino en André Gide tot prachtige romans geleid. Het punt is dat het broertje van Wiegs overbewustzijn onhandigheid heet. En dan heb ik het niet over zijn stilistische onhandigheid: tussen de opeenvolgende zinnen vallen pijnlijke gaten, merkwaardig objectieve, haast journalistieke zinnen - 'Toen ik Edith leerde kennen, voelden we elkaar op seksueel gebied meteen goed aan’ - staan naast tenenkrommende gemeenplaatsen als: 'Wie met het schrijven van boeken zijn brood verdient moet “gek” genoeg zijn om te willen schrijven, om de behoefte aan schrijven te hebben. De “gekte” richt in het leven van de schrijver en van anderen soms vreselijke dingen aan. En deze dingen vormt de schrijver om tot thema’s.’
Nee, het gaat mij om de onhandigheid in de overbewuste compositie. Neem het hoofdstukje over de kunstmatige broer die de ik in het leven roept. We leren dat zijn echtgenote een huis heeft gekocht en hoe blij hij daarmee is. Eigenlijk gaat het stuk meer over de echtgenote - zij kocht per slot van rekening het huis - en het geld dat die 'aardige, hardwerkende vrouw’ voor het huis heeft betaald. En dan staat er opeens aan het eind van het hoofdstuk: 'Niets in dit verhaal is gelogen. Alles is precies zoals ik het heb verteld en ook de bedragen kloppen exact. En toch heb ik iets niet juist verteld: ik heb geen broer, maar dat heb ik aan het begin van dit verhaal al gezegd. Ik heb een zus.’
Waarom, denk ik dan, heb je het niet gewoon over je zus? Deze omweg heeft toch geen zin. Dit is melig geëmmer.
HOE HORTEND en stotend er ook wordt geschreven in De overval, er is natuurlijk toch iets van een verhaal uit de destilleren.
Hoofdpersoon is een jongeman van veertig die 'gelooft dat hij van binnen, denkbeeldig, nooit ouder is geworden dan zestien jaar’. De jongeman is een schrijver wiens boeken maar mondjesmaat verkopen, hij is kind van Hongaarse ouders die naar Nederland zijn geëmigreerd, hij heeft moeizame relaties met vriendinnen en hij heeft bijna zijn hele leven nagel gebeten. Jawel, hij maakt zich druk om zijn afgekloven nagelveld en om zijn vriendinnen die hem te dromerig en onberekenbaar vinden om een serieuze relatie mee op te bouwen.
Maar hij gaat vooral gebukt onder de matige verkoop van zijn boeken. De jongeman heeft namelijk een uitgever 'met een zeer bekende naam’ die de 'verkeerde’ mening is toegedaan dat een goed produkt zichzelf verkoopt. 'Een goedhartige, reusachtige tuinkabouter’ is het, die de hand op de knip houdt en niet in public relations gelooft. De schrijvende jongeman weet wel beter: 'Zelfs de “heilige” Jezus Christus begreep de noodzaak van public relations. Christus heeft zichzelf laten verraden. Dat was een publiciteitsstunt.’
Om kort te gaan: de jongeman besluit ook een stunt uit te halen, hij neemt zich voor om een grote bankoverval te plegen waarna hij de kranten zal halen en zijn boeken als warme broodjes over de toonbank zullen gaan.
De jongeman droomt niet alleen van de bankroof, Wieg laat hem aan het eind van zijn roman daadwerkelijk de overval plegen. Het is het onwaarschijnlijke slot van een zwabberende, paradoxale roman. Het hele boek presenteert de ik zich als een 'malle’, 'gevoelige’, 'slome’ schrijver die navelstaarderig over zijn nagels, meisjes en schrijverschap mijmert en aan het eind gaat hij opeens tot actie over.
En de paradoxen gaan verder: de ik afficheert zich als 'slechtst verkopende joodse schrijver van het land’ en geeft af op collega-schrijvers die 'Het Joodse Leed’ in hun boeken te gelde maken, maar ondertussen geeft hij wel zijn eigen joodse familiegeschiedenis prijs. Nadrukkelijk doet de ik alsof hij verzonnen personages neerzet - 'Er was eens een jongeman’ - en tegelijkertijd heeft de ik verdomd veel weg van Wieg zelf. Nogmaals: op zich geeft dat niets, paradoxen kunnen een roman een mooie spanning geven; een overbewuste schrijver kan een vermakelijk spel met zijn lezer spelen. Alleen kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat Wieg niet de naïviteit van het 'gewone’ vertellen logenstraft, maar zelf gruwelijk naïef is.
AAN HET EIND van de roman, als de overval is gepleegd en de ik de benen heeft genomen naar Hongarije, zegt zijn vader: 'Een schrijver wiens boeken niet verkocht worden moet geen bank beroven, maar naar een andere uitgever gaan.’ Dat is precies wat Wieg zelf gedaan heeft: na een vijftal dichtbundels en een viertal prozawerken bij Van Oorschot te hebben uitgeven, is hij naar de Arbeiderspers overgestapt. Nu is het triviaal om bij zo'n 'transfer’ stil te blijven staan, maar Wieg geeft zelf de voorzet. Het boek is behalve een publiciteitsstunt - om het omslag prijkt een veelbesproken buikband waarop Joost Zwagerman en Leon de Winter als twee stuurs kijkende bodyguards aan weerszijde van Wieg staan - een wel erg lange afscheidsbrief aan een voormalig uitgever.
De ik van de roman is niet van uitgever veranderd, omdat hij zo van die tuinkabouter hield. De voormalige uitgever moet de hand na het lezen van De overval wel minzaam over het hart strijken: maar goed dat Wieg heeft gedaan wat zijn personage uit liefde heeft gelaten, anders was het van kwaad tot erger met hem gegaan.
Maar de lezer, althans deze, denkt nadat hij het boek met een zucht heeft dichtgeslagen: de tuinkabouter heeft gelijk, had Wieg maar wat meer aan zijn 'produkt’ en wat minder aan public relations gedacht.