Een lawine van creativiteit

Het valt telkens weer op hoeveel poetische kracht er schuilt in de uitingen van schizofrenen. Maar zodra psychiaters aan het duiden slaan, gaat alle poezie teloor. Het blijft tobben in het schemergebied tussen psychiatrie en kunst
IN JAN FOUDRAINES omstreden klassieker Wie is van hout… vertelt Foudraine over Karel, de schizofreen die hem aan het begin van zijn psychiatrische carriere werd toegewezen. Karel, een vergeten meubelstuk uit de kliniek, leek iemand zonder enig gevoel, antwoordde op vragen alleen met ja of nee, zweeg. Zes maanden probeerde Foudraine van alles om leven in Karel te krijgen. Zonder enig resultaat. Dan volgt een onthullende scene, waarin Karel als getalenteerd dichter uit de hoek komt en Foudraine als zijn slordige poezie-analyticus. Tijdens een zitting zingt er een vogel. Foudraine vraagt Karel of hij die hoort en verwacht al niet eens meer een antwoord. Maar tot zijn verbijstering zegt Karel wel iets: ‘Ik hoor hem goed, het maakt me melancholiek.’ Als Foudraine wil weten hoe hij dat bedoelt, antwoordt Karel met een mijns inziens even prachtige als raadselachtige observatie: ‘Het broeit onder het zand.’

Helaas verpest Foudraine dit moment van pure poezie dan gelijk door alles heel slordig met psycho-lingo dicht te plamuren. De macho-psychiater Foudraine schrijft: ‘Ik had weinig “symboolgevoeligheid” nodig om die uitspraak te vertalen. Het leefde onder het zand-hout-achtige aspect van zijn afwerend gedrag.’ Pardon? Zand, is dat maar meteen hetzelfde als iets hout-achtigs? Wie zo lapzwanzerig een gedicht zou analyseren, zou weinig poezieliefhebbers overtuigen.
Met de regel 'Er broeit iets onder het zand’ kun je al puzzelend met die zingende vogel ook heel ergens anders uitkomen. Wat kan er onder het zand broeien? Een ei bijvoorbeeld. Hoe is het met dat ei gesteld? Staat er iets op het punt geboren te worden? Waarom maakt zoiets verheugends Karel juist melancholiek? Of hoort Karel dat de vogel juist melancholiek zingt omdat hij geen ei meer zou zijn? Foudraine is het soort poezie-analyticus dat zo nodig bij elk gedicht lijnen moet trekken naar de biografie van de dichter. Hij gelooft niet in de meedelende kracht van het gedicht zelf. Hij gelooft niet in de schizofreen als dichter.
De psychiater als poezie-analyticus. Het keert telkens weer terug als je de verslagen over schizofrenen doorneemt. De Amerikaanse psychotherapeute Lauren Slater schreef in het onlangs van haar vertaalde Het ruimteschip dat op Oscars buik landde: 'De schizofreen spreekt een brabbeltaal die psychologen een “woordsalade” noemen, zelfstandige naamwoorden en werkwoorden, fragmenten uit het verleden, stukjes dromen, alles door elkaar in een sappig allegaartje. Soms ontsnappen er prachtige, betekenisvolle vonken en dan weer bizarre maar poetische hallucinaties.’ Woordsalade. Ik vind dat in dit verband vooral een negatief woord. Het denigrerende 'brabbeltaal’ en 'sappig allegaartje’ versterken de soepige woordsalade-associatie nog eens. Het is een heel ander woord dan 'mozaiek’, of zelfs maar 'collage’. En volgens Slater is niet de hele woordsalade eetbaar. Wie kiest? De psycholoog natuurlijk. Hoe? Door opzij te leggen wat de boer niet kent, want dat vreet-ie niet.
SLATER HEEFT HET over het 'opschonen van de tekst’ van de schizofreen. Ze interpreteert niet alleen, ze herschrijft zelfs. Als de schizofreen John zegt: 'Teruggaan naar de universiteit is een toetsenbord voor de uitmuntendheid opwindend en ik wil langs de paden naar het zwarte vlag slaande schoolbord lopen’, dan bouwt Slater dat om tot iets wat vlot weg te snacken valt: 'Teruggaan naar de universiteit is opwindend. Ik wil naar het schoolbord lopen.’ En al dat andere, al dat mooie? Ik zou wensen dat het er bij mij zomaar uitflapte. Het 'zwarte vlag slaande schoolbord’ bijvoorbeeld, wat ik een zo op het oog inderdaad onbegrijpelijk, maar evenzeer hoogst intrigerend beeld vind. De zeerovers hesen een zwarte vlag. Heeft dat ermee te maken? Bovendien associeer ik een zwarte vlag met de dood en in dat licht krijgt het erop volgende 'schoolbord’ ook ineens een dubbele betekenis. De mededeling 'teruggaan naar de universiteit is een toetsenbord voor de uitmuntendheid’ vind ik grotendeels begrijpelijk. De dubbelzinnigheid in het woord toetsenbord, waarbij dus ook iets getoetst wordt, zette me tot nadenken. Ik zie dan ook niet waarom Slater dat rucksichtslos uit Johns tekst schrapt. Net zoals de paden waarover John sprak. Waarom kan hij niet gewoon naar het schoolbord lopen? Waarom moet dat langs de paden? Wat zijn die paden precies? 'Langs de paden’ - dat lijkt mij niet de meest voor de hand liggende weg.
De Duitse schrijver-psychiater Heinar Kipphardt neemt in zijn op een werkelijk geval gebaseerde roman Marz de schizofreen als dichter zo serieus dat de teksten van de schizofrene Alexander Marz niet alleen in hun geheel worden afgedrukt, maar ook in hun geheel als betekenisdragend worden beschouwd. Hier probeert de psychiater de schizofreen zelfs aan te zetten tot het schrijven van gedichten. Er wordt nu iets meer zichtbaar van de geheimzinnige, intrigerende, hoogst creatieve denktrant van de schizofreen. Omdat deze psychiater wel doorvraagt en de tekst van de schizofreen voor vol aanziet, ontstaan er schitterende dialogen:
'Marz, onderzoek.
“Slaapt u goed?”
“- Als ik toestemming krijg.”
“Toestemming van wie?” (Geen antwoord)
“Droomt u veel?” (M. schudt zijn hoofd)
“Het vel was well.”
“Wat betekent dat?”
“Vaak zulke dromen over onthoofdingen. - Het loopt op de lopende band. - Stuiptrekkingen terwijl ik doodbloed gaan gepaard met bloeduitspattingen in keuken, kantoor en fabriek.” (M. Loopt naar de witte muur van de therapieruimte en wijst op nauwelijks zichtbare kleine vlekjes.)
“Hier. Dat zijn leuzen.”
“Leuzen voor wie? Voor u?”
“Ze worden gelezen door degene die ze nodig heeft.”
“Dat droomt u?”
“Dat is ECG.”
“ECG?”
“Hartschrift.”
“Hoe bedoelt u?”
“Omdat het hart zo glibberig is kan men niet voelen wat er in omgaat.”
“Wilt u daar niet eens een gedicht over maken?” (Marz schudt van nee.) “Of over een ander thema?”
“De dood op school als meisje.”
Even verderop in de roman Marz blijkt dit - geniale - gedicht ook inderdaad door Alexander geschreven:
De dood op school als meisje. De dood is een jongen die graag draden afknipt bijvoorbeeld in de herfst de vliegers op weilanden en stoppelvelden. Verkleedt zich ook graag als deurwaarder knipt de draden door bij de gewichten van de staande klok. Partengelt er altijd tegenaan. Natuurlijk valt ook zo'n gedicht te lezen als enkel de gestoorde uiting, de woordsalade, van de schizofrene Alexander Marz die niet normaal, begrijpelijk kan communiceren. Maar het valt ook te lezen als een visioen over de aanwezigheid van de dood in het leven. Als een helder, ongedwongen gebracht, maar diepzinnig dubbelbeeld. De vliegers in de herfst die losgeknipt worden en daardoor net zozeer zoek zullen raken als bevrijd zullen zijn. De gewichten van de staande klok die doorgeknipt worden, waardoor de tijd stopt. Die twee beelden samen. Het ene losknippen doet beweging ontstaan, het andere doorknippen stopt de beweging. Dan het vervreemdingseffect van het nonsenswoord 'partengelt’, dat in de cadans van het gedicht werkt als een draaipunt waardoor je alles weer opnieuw moet lezen. Als je ergens tegenaan partengelt, als tegen een staande klok waarvan de gewichten los zijn gekomen, laat je dan je minachting zien voor de nutteloos gemaakte klok (en daarmee tijd) door ertegen te plassen? Dat denk ik in eerste instantie. Een associatie. Wat kan een jongen anders tegen een staande klok doen dan plassen? Het staat er niet en toch wordt het beeld je onweerstaanbaar opgedrongen. Maar in tweede instantie realiseer ik me dat dit partengelen natuurlijk ook kan slaan op het doorknippen van de draden van de vliegers. Het is een gedicht, zo sober en tegelijk zo complex dat het bij herlezing telkens iets anders lijkt te worden. Je gaat denken: Waarom verkleedt de dood zich graag als deurwaarder? Is het alleen als deurwaarder dat hij de tijd komt stilzetten? Vanwaar die extra verwijzing naar het afgeknipt zijn in stoppelvelden? Knipt de jongen de draden van de vliegers door nadat er al op veel grotere schaal iets doorgeknipt is, namelijk hele velden? En waarom heet de dood in de titel van het gedicht een meisje, om in het gedicht juist een jongen te worden?
Het rijke en raadselachtige gedicht moet de Nederlandse vertaler van Marz, Jacq Vogelaar, ook achtervolgd hebben. Zo verklaar ik het tenminste dat hij drie jaar later, in 1991, een roman deed verschijnen met de titel: De dood als meisje van acht. Een aardig voorbeeld van hoe een kunstenaar door een schizofrene uiting geinspireerd kan raken? In dit geval zie ik niet hoe de uiting van de schizofreen op een lager peil zou staan als de uiting van de algeheel erkende literator.
VAN DE AMERIKAANSE psychiater Louis A. Sass verscheen vier jaar terug een zeer omvangrijke studie waarin hij keek naar paralellen tussen schizofrenie en modernisme. Sass plaatst teksten van schizofrenen naast die van moderne schrijvers (de schilders komen aanmerkelijk minder aan de orde) en ziet veel overeenkomsten - sommige opmerkelijk en misschien veelzeggend, andere vaag of gezocht. De greep die hij doet is natuurlijk enorm; het modernisme is op zich al een grote beweging geweest, maar Sass vat het modernisme bovendien nog eens op in een soort allegorische, in elk geval zeer ruime zin. Het postmodernisme rekent hij er en passant ook toe en sommige romantische dichters en schilders uit de vorige eeuw deelt hij, zonder al te veel argumentatie, gemakshalve maar in bij de voorlopers van het modernisme. Daar komt nog eens bij dat schizofrenie niet een eenduidig begrip is, het is eerder een verzamelnaam. Dat erkent Sass wel, hij is tenslotte psychiater, maar hij doet niets met dat gegeven.
Het kan niet anders of met zo'n ruime probleemstelling is de oogst uiteindelijk zeer diffuus: 'Wanneer men de culturele betekenis overweegt van daadwerkelijk schizofrene individuen als Holderin, Nijinsky en Artaud, en van mogelijke of bijna-schizofrenen als Gerard de Nerval, Alfred Jarry, Raymond Roussel en August Strindberg, nog maar gezwegen over de meer directe invloed van schizofrene excentriekelingen als Jean-Pierre Brisset en Louis Wolfson (die verschillende surrealisten, poststructuralisten en postmodernisten wisten te inspireren), lijkt het niet absurd om een zekere mate van beinvloeding door deze aandoening te veronderstellen. (…) Wanneer men bovendien ook opvallende schizoide personen als Baudelaire, Nietzsche, Van Gogh, De Chirico, Dali, Wittgenstein, Kafka en Beckett (wiens hoofdpersonen vaak schizofreen zijn) in ogenschouw neemt, dan lijkt deze stelling behoorlijk aannemelijk.’
Tja. Het zou kunnen. Het klinkt wel heel erg sensationeel. Het sluit wel erg mooi aan bij de emanciperende kracht van de schizofrenie en de waanzin, zoals die wordt verondersteld door Michel Foucault, de door Sass veelvuldig geciteerde Franse filosoof. Foucault waagt zich aan verheven toekomstvisioenen, zoals in zijn essay De waanzin, het afwezige werk: 'Artaud zal tot de grondslag van onze taal behoren en niet een breuk ermee betekenen; de neurosen zullen tot de vormen behoren die wezenlijk zijn voor onze maatschappij en niet tot de afwijkingen ervan.’ De typisch ijdele prietpraat van een typische Franse intellectueel, denk ik dan maar. Iemand als Foucault, die de emancipatie van de homofiel gelijk stelt aan de emancipatie van de schizofreen, vergeet voor het gemak maar even wat een diep menselijk lijden er met schizofrenie gepaard kan gaan. Die ziet zijn gedachten zo mooi op het papier gevormd worden dat hij de werkelijkheid maar even uit het oog verliest.
Precisie, daar draait het volgens mij allemaal om. Verlies je de details uit het oog om zo snel mogelijk tot grote uitspraken te komen, dan worden die grote uitspraken vanzelf leeg. Foucault, die een hekel heeft aan de psychiatrie, gooit alle vormen van waanzin op een grote magische hoop en kan er zo van alles over beweren. Sass, de psychiater, is zeer slordig als het de soms toch zwaar bevochten indelingen in de kunst betreft, en hij labelt rucksichtslos diverse kunstenaars tot schizofreen. Van Gogh bijvoorbeeld. Of Strindberg. Kan dat zomaar? Is de ene gek de andere? In de trouwens al niet minder grofmazige studie The Shock of the New van Robert Hughes las ik over Van Gogh: 'Wij plegen het erop te houden dat hij aan manische depressie leed.’ Toch wel wat anders, schizofreen of manisch-depressief. In de psychiatrie wordt er een essentieel verschil gezien tussen schizofrene en andere psychotische stoornissen aan de ene en stemmingsstoornissen als manische depressie aan de andere kant. Een manisch depressief iemand zie ik het niet zo gauw zeggen dat hij naar het zwarte vlag slaande schoolbord zal lopen. Dat is een heel ander soort iemand, nog even los van het feit dat ieder manisch-depressief iemand en iedere schizofreen op zich natuurlijk weer een heel apart iemand is.
BIJ AUGUST STRINDBERG is ook al iets dergelijks aan de hand. Te pas en te onpas voert Sass Strindberg op als de beroemde schizofrene dan wel schizoide toneelschrijver. Maar was hij dat wel? Daar blijkt op z'n minst verschil van mening over te bestaan. De eerste die Strindberg diagnostiseerde was Wilhelm Hirsch, in 1893. Hij concludeerde dat het om paranoia ging. In de diagnostische criteria van de DSM-IV, de wereldwijd gehanteerde diagnostische schaal, komt de term paranoia niet meer voor. Men onderscheidt de paranoide persoonlijkheidsstoornis, die los van het verloop van de schizofrenie kan optreden, en het paranoide type van de schizofrenie. Op basis van de bevindingen van Hirsch, een psycholoog en Duits tijdgenoot van Strindberg, mag je Strindberg dus niet zomaar als schizofreen betitelen. De term schizofrenie werd sowieso pas in 1911 geintroduceerd, terwijl het ziektebeeld onder een andere naam pas overtuigend in 1896 werd beschreven. Een andere tijdgenoot van Strindberg, de Franse arts Marcel Reja, die bovendien ook met Strindberg omging, beweerde juist dat Strindberg aan een delirium leed door overmatig gebruik van absint. Iets heel anders dus.
De psychiater (en later filosoof) Karl Jaspers stelt in het geval van Strindberg wel heel duidelijk de diagnose schizofrenie, maar dat deed hij pas in 1926 toen zijn door Foucault zo verfoeide studie over een aantal gestoorde kunstenaars verscheen onder de titel: Strindberg und Van Gogh: Versuch einer pathographischen Analyse unter vergleichender Heranziehung von Swedenborg und Holderin. In 1961 verscheen van de Zweedse psychiater Sven Hedenberg een studie waarin de diagnose schizofrenie voor Strindberg werd afgewezen. Hedenberg houdt het op een ziekte van psychogene aard. Een paar jaar later stelt de Zweedse psychiater Gosta Harding een diagnose die te bloemrijk is om hier niet te vermelden: 'Een fundamentele karakterneurose van gecompliceerde aard (fobisch-hysterisch-paranoide), bij tijd en wijle overgaand in een border-line toestand met in de jaren negentig hallucinatorische trekken door absintvergiftiging.’
Dat deed mij denken aan de overigens nog veel ondoorzichtigere diagnose die de psychiater H. C. Rumke stelde na bestudering van de hoofdpersoon Hedwig in Frederik van Eedens Van de koele meren des doods. Om na een onnavolgbare opeenstapeling van termen voor psychosen met een hoogst mallotig zwaktebod aan te komen, waaruit ook iets spreekt van de enorme kloof die er volgens sommigen bestaat tussen de hoge kunst en de lage gekte: 'Het feit dat Hedwig aan alle psychopathologische en psychologische verklaringen ontsnapt, pleit voor de echtheid van de creatie.’
Sass lijkt die kloof te willen dichten door de schizofrenie aan de ene kant en het modernisme aan de andere kant als volledig vergelijkbare grootheden op te vatten. Ik vind dat een hoogst interessante poging, maar vrees toch dat hij van het begin af aan tot mislukken is gedoemd. Want wat Sass doet, is appels met peren vergelijken. Dat is wat schizofrenen ook doen, volgens de psychiatrie. En daarmee kom ik op een parallel uit het boek van Sass waarbij de grootse vergelijking tussen modernisme (dan wel postmodernisme) en schizofrenie juist wel heel pregnant uitpakt: overinclusie.
Overinclusie wordt in diverse studies gezien als een symptoom van schizofrenie, hoewel het in de officiele diagnostische lijst, de DSM-IV, niet met name wordt genoemd. Het valt daar waarschijnlijk onder de paraplu van 'chaotisch gedrag’. Overinclusie is, zou je kunnen zeggen, een vorm van poetisch, niet-functioneel denken. Bij opsommen en sorteren komt dit aan het daglicht. De al genoemde Amerikaanse psychologe Lauren Slater geeft als voorbeeld hoe haar schizofrene patient Joseph reageert wanneer ze hem opdraagt voorwerpen te sorteren: 'Bij de stapel kopjes komen ook rietjes, vulpendoppen en de van de grond opgeraapte dode mier. Bij de stapel plaatjes komen boekomslagen, kussenslopen, een koffiekop en een koekoeksklok.’
Een verbluffend mooi voorbeeld van overinclusie vind ik bij de ook al genoemde Alexander Marz als die een lijstje opschrijft:
'De zeven doodzonden 1. Geboren worden. 2. Als verkeerde zoon van verkeerde ouders in het verkeerde ouderlijk huis. 3. Met milde blik pannekoeken eten met geklopt eiwit en frambozensouffle en daarna zacht uitrusten. 4. Fantasie. 5. Gelijk willen zijn en strelen, niet terugslaan. 6. Twijfelen en ernstig zijn, schijt hebben aan waardering. 7. Zich tot jood laten bestempelen door staat, maatschappij en gezin. Ook de huidige maatschappij maakt haar nieuwe joden en het gezin evenzo. Alexander Marz. 8. Tegen de handelsvoorschriften zijn.’ Als Sass het in Madness and Modernism over overinclusie heeft, citeert hij uit een van die bizarre, oneindig complexe reeksen van Jorge Luis Borges die zozeer onderweg van karakter veranderen dat je nauwelijks nog kunt spreken van een reeks in de conventionele zin van het woord. Sass citeert uit het essay De analytische taal van John Wilkins. Daarin suggereert Borges het bestaan van een Chinese encyclopedie met een titel, zo vreemd dat een schizofreen hem niet beter had kunnen verzinnen: Hemels Emporium van welwillende kennis. In die encyclopedie staat een bizarre, op overinclusie duidende rubricering. Toch is het jammer dat Sass juist dit voorbeeld van Borges kiest. (Hij heeft, veelzeggend genoeg, het citaat niet bij Borges zelf gevonden. Terwijl het ervan barst bij Borges. Het is zelfs een stijlmiddel. Nee, Sass citeert Foucault als die Borges citeert!)
ER IS EEN ANDERE beroemde opsomming van Borges, die mijns inziens veel beter als een allegorie van de waanzin gelezen kan worden en die ook beslist een overinclusie is. Ik doel op de duizelingwekkende, twee bladzijden lang doorgaande beschrijving van wat er zichtbaar wordt als je in de magische Aleph kijkt in het verhaal De Aleph. Een deel uit die voortdenderende beschrijving: 'ik zag mijn slaapkamer met niemand erin, ik zag in een kamertje in Alkmaar de aardbol tussen twee spiegels die hem eindeloos vermenigvuldigen, ik zag paarden met kroezige manen bij de dageraad op een strand aan de Kaspische Zee, ik zag het fijne skelet van een hand, ik zag de overlevenden van een veldslag, terwijl ze briefkaarten verstuurden, ik zag in een etalage in Mirzapur een Spaans spel kaarten, ik zag de schuine schaduwen van wat varens op de grond van een broeikas, ik zag tijgers, zuigers, bizons, woelige golfslag en legers, (…) ik zag de bloedsomloop van mijn donkere bloed, ik zag het radarwerk van de liefde en de verandering door de dood…’
Sass komt aan de hand van het overinclusiebegrip - hij constateert bij schizofrenen trouwens ook een bepaalde mate aan onderinclusie omdat ze bovendien geneigd zouden zijn onderdelen in te nauwe categorieen onder te willen brengen - tot de constatering dat wat de schizofreen typeert een hoge mate van onconventionaliteit is, een neiging om de wereld vanuit idiosyncratische en niet- praktische invalshoeken te bekijken. Het lijkt, stelt Sass, alsof de schizofreen in staat is tegen iedere situatie aan te kijken alsof in principe alles mogelijk is. En dus kunnen verschillende perspectieven ook tegelijk bestaan. Het dubbelbeeld van de dood in het hierboven geciteerde gedicht van Alexander Marz lijkt daar een voorbeeld van. Alles hangt in de wereld van de schizofreen en in die van de modernistische kunstenaar op veranderende wijzen met alles samen waardoor tegelijkertijd een oneindig lijkende fragmentatie lijkt te ontstaan. En een niet te stuiten uiteenvallen. Een lawine van creativiteit.