Een leefbaar loon

Nergens in de westerse wereld is het minimumloon zo laag en de kloof tussen arm en rijk zo groot als in de Verenigde Staten. Republikeinen en Democraten leken dat onderwerp de laatste jaren echter eensgezind dood te zwijgen. Tot de verkiezingskoorts de kop opstak
NA IN PLOEGENDIENST tien uur lang vlees van kalkoenbeenderen te hebben geschraapt, is Nancy Rogers klaar om naar huis te gaan. Het probleem is dat ze geen huis heeft. ‘Niet zoenen’, zegt ze als haar man John haar komt afhalen; ‘ik stink naar kalkoen.’ In hun gebutste wagen rijden ze naar het opvangcentrum voor daklozen waar ze, samen met hun vier kinderen, twee kamertjes mogen gebruiken. Terwijl Nancy haar met kalkoenafval besmeurde laarzen uittrekt, trekt John zijn nachtwakersuniform aan. Het avondmaal in de soepkeuken van het centrum is vrijwel het enige dagelijkse moment dat het gezin samen doorbrengt. Daarna vertrekt John naar zijn werk. In de vroege ochtend keert hij terug, net op tijd om Nancy uit te wuiven.

Nancy en John verdienen beiden net iets meer dan het minimumloon. Maar zelfs samen is dat niet genoeg om een flat te huren en hun andere kosten te dekken. De gemiddelde huurprijs voor een tweekamerflat in de Verenigde Staten bedraagt 485 dollar per maand of 114 uur werken tegen minimumloon, dat sedert 1991 op 4,25 dollar per uur staat. Het gevolg is dan ook dat vele laaggeschoolden in erbarmelijke omstandigheden wonen of dakloos worden.
Opvangcentra voor de daklozen zeggen dat de snelst stijgende groep van daklozen uit arbeidersgezinnen bestaat. ‘Hun aantal is de laatste vijf jaar verdubbeld’, zegt Nancy Crowder, die een opvangcentrum leidt in Indianapolis. Geschat wordt dat een kwart van de daklozen werkt. 'Veel mensen denken dat daklozen verslaafd of gestoord zijn’, zegt Joan Alker van de National Coalition of the Homeless. 'In werkelijkheid hebben de meesten slechts een inkomen dat te laag is om de huur te betalen.’
Volgens een studie van de Columbia Universiteit hebben 13,5 miljoen Amerikanen de afgelopen jaren een periode van dakloosheid meegemaakt. Dertien miljoen anderen vermeden die situatie door bij vrienden of familie in te trekken. De officiele armoedegrens staat op 15.600 dollar per jaar voor een gezin met twee kinderen. Wie voltijds werkt tegen het minimumloon, verdient net iets meer dan de helft daarvan: 8500 dollar.
WIE, BEHALVE de meest gevoelloze vrek, kan er bezwaar tegen hebben dat dit miezerig minimum wordt aangepast aan de gestegen kosten van levensonderhoud? Alle Amerikaanse bedrijfsorganisaties en alle Republikeinse partijleiders. De Republikeinse fractieleider in het Huis van Afgevaardigden, Dick Armey, zweert dat hij tegen een verhoging van het minimumloon zal vechten 'met elke vezel van mijn wezen’. Wat hij en anderen vooral vrezen is het zogenaamde ripple-effect. Een verhoging van het minimum met negentig cent, zoals de Democraten voorstellen, zou niet alleen opslag betekenen voor 13,6 miljoen arbeiders, maar ook grote druk meebrengen om de lonen die net iets hoger liggen op te trekken. Als een steen in een poel zou de verhoging steeds wijdere kringen maken in de loonstructuur en dat, zo vrezen sommige economen, zou de inflatie aanwakkeren.
Het is een argument dat weinig indruk maakt. De inflatie is al jaren laag en de bedrijfswinsten blijven stijgen. Waarom zouden de lonen dan geen duwtje mogen krijgen? Sedert 1979 daalde de reele waarde van het modale arbeidersloon in Amerika met vijftien procent; dat van ongeschoolde arbeiders met 24 procent. Het gevreesde ripple effect lijkt voor vele Amerikanen dan ook eerder een hoognodige correctie van een alarmerende trend.
Daarom gebruiken de tegenstanders van de verhoging van het minimumloon liever een ander argument: de verhoging zou werkloosheid veroorzaken. De Wall Street Journal citeert de bedrijfsleider van de restaurantketen Spaghetti Warehouse, die zegt dat de verhoging hem zou aanzetten om werknemers te vervangen door machines: 'Een machine van 5000 dollar die vleesballetjes maakt, kan in elke restaurant zes arbeiders elimineren.’ Maar precies dezelfde economen die dit argument hanteren, beweren in een andere context dat technologische vernieuwing op termijn de werkgelegenheid bevordert. Terwijl ze menselijke arbeid vervangt door machines, zo zeggen ze dan, creeert ze immers ook werk voor diegenen die de machines maken.
Maar die zekerheid verdwijnt als de technologische vernieuwing wordt veroorzaakt door loonsverhoging. Twee economen van Princeton University, David Card en Alan Krueger, vergeleken de werkgelegenheid in fast-foodrestaurants in de staat New Jersey, die in 1992 het minimumloon verhoogde tot 5,05 dollar, met deze aan de andere kant van de rivier, in Pennsylvania, waar het minimumloon ongewijzigd bleef. Tot hun verbazing bleek de werkgelegenheid sneller te stijgen in de staat met het hogere minimumloon, onder meer doordat meer jongeren gemotiveerd werden om werk te zoeken.
IN DE TWEE jaren die volgden op de laatste verhoging van het minimumloon in 1991, steeg de werkgelegenheid in de Verenigde Staten overigens met bijna tien miljoen. Toch blijft ook Bob Dole het werkgelegenheidsargument gebruiken om zijn verzet tegen de aanpassing van het minimumloon te verdedigen. 'Als het verhoogd wordt, zal aan vele jonge mensen, vooral zwarte tieners, de toegang tot de arbeidsmarkt ontzegd worden’, zei hij onlangs in de Senaat. De typische minimumloonwerknemer is echter niet een zwarte tiener maar een vrouw als Nancy Rogers. Van de minimumloners is 82 procent blank en 63 procent vrouwelijk en ouder dan twintig. In 1989 stemde Dole voor de verhoging van het minimumloon, wellicht omdat zijn vrouw toen minister van Arbeid was. Meestal vocht hij ertegen en hij doet dat nu weer. Maar zijn verzet begint te wankelen.
Na zijn succes in de voorverkiezingen en een korte vakantie in Florida heeft Dole het roer in de Senaat weer stevig in handen genomen. Tot de partijconventie in augustus mag hij geen cent meer uitgeven aan verkiezingspropaganda. Zijn functie als senaatsleider is daarom nu zijn belangrijkste wapen. Na al de kritiek die hij tijdens de voorverkiezingen te verduren kreeg over zijn ondermaatste redenaarstalenten, wil hij in de Senaat bewijzen wat hij steevast over zichzelf verkondigt: 'Bob Dole is a doer, not a talker.’ Een man die dingen gedaan krijgt, geen mooiprater als Clinton.
Maar een van zijn eerste daden na zijn terugkeer in Washington was een parlementaire manoeuvre om een stemming over de verhoging van het minimumloon te beletten. De week erop probeerden de Democraten het opnieuw, nu door het voorstel in te dienen als amendement op een wetsvoorstel tegen illegale immigratie. Een woedende Dole brak daarop het debat over de immigratiewet af. Zijn partijgenoten verweten de Democraten hypocrisie. 'De enige reden waarom ze het nu indienen, is om Bob Dole in verlegenheid te brengen’, zei senator Hatch. 'Toen ze zelf de meerderheid hadden in het Congres en een verhoging gemakkelijk konden goedkeuren, zwegen ze erover.’
HATCH HAD GELIJK. Als presidentskandidaat beloofde Clinton een verhoging van het minimumloon, maar tijdens de twee eerste jaren van zijn presidentschap sprak hij er publiekelijk nooit over. Sedert de Democraten de controle over het Congres verloren, heeft hij er al 48 keren voor gepleit. De Democratische congresleiders hebben nooit een verhoging voorgesteld toen ze de macht hadden, maar nu doen ze het om de haverklap.
Telkens als de Republikeinen dat voorstel afwijzen, juichen de Democraten in stilte; het geeft hen de gelegenheid het opnieuw voor te stellen en zo opnieuw de aandacht te vestigen op een standpunt van Dole dat door de overgrote meerderheid van de kiezers wordt verworpen. Volgens een recente CBS-New York Times-enquete is 84 procent van de Amerikanen voor de verhoging van het minimumloon.
Ironisch genoeg kreeg het probleem grotere media-aandacht dank zij de Republikeinse voorverkiezingen. Die werden verondersteld over de strijd tegen het begrotingstekort te gaan, maar de uiterst rechtse kandidaat Buchanan scoorde onverwacht veel succes met zijn felle uitvallen tegen hebzuchtige bedrijfsleiders en de dalende levensstandaard van de Amerikaanse arbeiders. Voor Buchanan waren dat slechts argumenten om een rauw nationalisme aan te wakkeren - het minimumloon kan volgens hem best gewoon afgeschaft worden.
Maar de media erkenden dat het succes van Buchanan uiting was van frustratie over de kloof tussen rijk en arm in de Verenigde Staten - een kloof die breder is dan in welk ander ontwikkeld land ook. In 1995 ging 48,2 procent van het nationaal inkomen naar de twintig procent rijkste Amerikanen, die tevens tachtig procent van het nationaal vermogen bezitten. De twintig procent armsten kregen vorig jaar slechts 3,6 procent van het nationaal inkomen. Een directeur van een groot bedrijf verdient nu 212 keer zoveel als de modale werknemer, tegenover 44 keer zoveel in 1965. Intussen verdient een kwart van de werknemers nu minder dan het minimumloon van 1968, dat in 1996 zeseneenhalve dollar waard zou zijn.
Maar al voor Buchanan de mediaschijnwerpers op de groeiende inkomenskloof had gericht, kwam er een beweging op gang die zich de Living Wage Movement noemt en die zich volgens de New York Times 'als een prairievuur over het land verspreidt’. 'Het doet me denken aan de jaren zestig’, zegt professor Dreier van Occidental College in Los Angeles. 'In steeds meer staten en steden vormen zich coalities van vakbondsgroepen, organisaties voor de daklozen en allerlei plaatselijke groepen om campagnes te lanceren om het minimumloon tenminste op lokaal niveau te verhogen.’
In de industriele havenstad Baltimore wordt de Living Wage Movement geleid door de Industrial Areas Foundation, een coalitie van buurtwerkers en vakbondsactivisten die de steun heeft gekregen van een vijftigtal kerkgemeenschappen in de getto’s en arbeidersbuurten van Baltimore. Die coalitie is er al in geslaagd een gemeentewet aangenomen te krijgen waarmee bedrijven die contracten van de stad krijgen, worden verplicht om hun personeel minstens 6,10 dollar per uur te betalen en 7,70 dollar in 1998. 'Maar dat is lang niet genoeg. De stad zou ook bedrijven die fiscale subsidie ontvangen, moeten dwingen om een leefbaar loon te betalen’, zegt Jonathan Lange van de Industrial Areas Foundation.
De Industrial Areas Foundation heeft ook, met de financiele steun van de vakbond in de overheidssector, het Solidarity Committee opgericht, een embryonale vakbond voor de nu meestal niet-georganiseerde laagstbetaalden. De strijd voor een hoger minimumloon is het voornaamste doel voor deze brandnieuwe organisatie, die voorlopig nog enkel in Baltimore bestaat. >z<
De gemeenteraden van Milwaukee en Santa Clara (Californie) hebben intussen het voorbeeld van Baltimore gevolgd, en in de gemeenteraden van New York, Chicago, Denver en New Orleans staan soortgelijke voorstellen geagendeerd, steeds op initiatief van de Living Wage Movement. Ook op staatsniveau is de beweging actief. Ze slaagde erin om de verhoging van het minimumloon op de agenda te plaatsen van de staatsparlementen van Nebraska, Minnesota en Connecticut. In die laatste twee staten werd de verhoging onlangs door een van beide kamers goedgekeurd, maar de Republikeinse gouverneurs hebben laten weten dat ze de wet met hun veto zullen tegenhouden.
Elders probeert de beweging Republikeinse veto’s te omzeilen door de kiezers in november via een referendum te laten beslissen over de verhoging van het minimumloon. Daartoe worden momenteel de nodige handtekeningen verzameld in Californie en Missouri en in steden waar gemeentelijke referendums zijn toegestaan, zoals Dallas, Houston en Washington. John Sweeney, de nieuwe leider van de vakbondsfederatie AFL-CIO die pogingen doet om zijn lethargische organisatie wakker te schudden, heeft beloofd om de campagne financieel te steunen.
DE DEMOCRATEN kunnen hun vreugde over al dat activisme niet op. Ze verwachten dat de referenda hen zullen helpen omdat ze potentiele Democratische kiezers die anders misschien thuis zouden blijven, naar de stemhokjes lokken. De Republikeinen daarentegen bekijken de ontwikkeling met toenemende nervositeit. Een groeiend aantal Republikeinse Congresleden smeekte Dole en Gingrich zo snel mogelijk een verhoging van het minimumloon toe te staan, om het onderwerp van tafel te vegen voor het Republikeinse imago nog meer averij zou oplopen.
Ook naar buiten toe bezweek het Republikeinse eenheidsfront. Vorige week hielden twintig Republikeinse Congresleden een persconferentie waarop ze niet alleen een verhoging van het minimumloon bepleitten, maar ook tien cent meer eisten dan de negentig cent die de Democraten voorstellen. Dole zal de druk om een stemming over de verhoging toe te staan wellicht niet lang meer kunnen weerstaan. Als erover gestemd wordt, zal de verhoging bijna zeker goedgekeurd worden. De meeste Congresleden durven in een verkiezingsjaar niet tegen zo'n populair voorstel te stemmen.
Dole zit in de val. Als hij een stemming over het minimumloon blijft blokkeren, zal de kwestie hem blijven achtervolgen en riskeert hij een revolte in eigen rangen. Maar als hij de stemming toelaat, bezorgt hij zijn rivaal Clinton een overwinning. Dole zou Dole niet zijn als hij niet zou proberen om uit die val te ontsnappen door bijvoorbeeld de verhoging van het minimumloon te koppelen aan een wetsvoorstel dat voor Clinton onaanvaardbaar is.
Hoe dan ook lijkt het steeds waarschijnlijker dat het Republikeinse Congres het minimumloon eindelijk zal verhogen.