Geschiedenis van de sociale advocatuur

Een leemte in de rechtspraak

Minister Sander Dekker van Rechtsbescherming wil de door de overheid gefinancierde rechtshulp minder toegankelijk maken. Mensen moeten hun problemen maar buiten de rechter oplossen. Daarmee dreigt een einde te komen aan een verworvenheid uit de jaren zestig: toegang tot een advocaat voor iedereen, ook de lagere inkomens.

‘Door de sociale advocatuur is er meer evenwicht gekomen in de beoordeling van belangen door de rechter’, zegt Willem van Bennekom, tegenwoordig vreemdelingenrechter in ruste. © Laurens van Putten/HH

In het roerige jaar 1969 bezetten linkse studenten het Amsterdamse Maagdenhuis om democratisering in het onderwijs af te dwingen. Na vijf dagen wordt het gebouw met veel geweld ontruimd. Honderden studenten worden vervolgd en zwaar gestraft met hoge geldboetes en flinke celstraffen, zelfs het actief en passief kiesrecht wordt ze ontnomen. De studenten vinden dat ze slachtoffer zijn van een politiek proces en dat het recht wordt gebruikt om hen te onderdrukken. Als ze hun verdediging in hoger beroep langs die lijn willen voeren worden een paar jonge advocaten die hen willen helpen, teruggefloten door hun bazen. Een mediarelletje is geboren: advocaten zijn toch vrij om te verdedigen wie ze willen?

Daarop besluit de redactie van het landelijke juridische studentenblad Ars Aequi om de advocatuur eens goed door te lichten. Wat deden die mensen eigenlijk, en voor wie? Uit honderden gesprekken met iedereen die er ook maar iets over kan zeggen – strafrechtsdeskundigen, officieren van justitie en reclasseringsambtenaren, politici, verzekeraars, werkgevers, vakbonden én advocaten zelf – rijst een somber beeld. Er heerst onvrede over de advocatuur, vooral bij de gewone burger. Die kan de hoge tarieven van de commerciële advocatuur niet betalen en om een pro-deo-advocaat te krijgen moet hij eerst bij de gemeente een ‘bewijs van onvermogen’ halen. Pas daarna mag hij zijn probleem voorleggen aan een comité van advocaten dat beslist of hij geholpen wordt. Andersom zitten de meeste advocaten niet op pro-deozaken te wachten en omdat ze vooral het bedrijfsleven bedienen, hebben ze ook nauwelijks verstand van de problemen waar ‘gewone’ mensen mee worstelen: huurzaken, arbeidszaken, vreemdelingen- of strafrecht. Grotere kantoren zetten stagiaires erop of schuiven ze door naar een kwakkelend kantoor. De meeste mensen laten het er maar bij zitten, ook al staan ze in hun recht. Er is, constateren de studenten, een ‘leemte in de rechtspraak’.

Die klassenstrijd is in de jaren zeventig springlevend. Links zijn is hip, solidariteit met de zwakkeren in de samenleving de norm en de protestgeneratie staat te springen om bij te dragen aan de socialistische strijd. Studenten in Tilburg beginnen de Eerste Hulp Bij Onrecht (EHBO), waar mensen terecht kunnen voor gratis advies over problemen met bedrijven, uitkeringsinstanties, de Belastingdienst of de huisbaas. Het idee wordt door studenten in alle universiteitssteden gevolgd.

Van meet af aan loopt het storm. In de eerste drie maanden van zijn bestaan brengt de EHBO ruim duizend adviezen uit, in Rotterdam nemen de studenten op de dag van de opening tot elf uur ‘s avonds zaken in, bij de Amsterdamse Rechtswinkel, die twee jaar later van start gaat, melden zich 45 tot zeventig klanten per dag. Als het nodig is gaan ze met klanten mee naar de kantonrechter, waar immers geen advocaat verplicht is.

Gebruik rechtsbijstand

Iedereen met een inkomen tot 26.400 euro (alleenstaanden) of een gezamenlijk inkomen tot 37.300 euro heeft in Nederland recht op bijstand van een pro-deo-advocaat. Dat is iets meer dan een derde van de bevolking. Daarvan maakt ongeveer vijf procent er ook werkelijk gebruik van. Een deel van de kosten betalen mensen zelf, wat kan oplopen tot 835 euro, al betalen de meeste gebruikers de laagste eigen bijdrage (196 euro) of helemaal niets omdat ze te weinig verdienen. In 2017 werden 416.000 toevoegingen afgegeven aan iets meer dan 283.000 mensen, een daling van zeven procent ten opzichte van het jaar ervoor. Het systeem kost de belastingbetaler zo’n vierhonderd miljoen euro per jaar. Te veel, vinden opeenvolgende bewindslieden op Justitie, te meer omdat er geen plafond aan de uitgaven zit.

‘Het was leuk, avontuurlijk, spannend en een bron van creativiteit: al die jonge mensen die dit vanuit zichzelf bedachten en werkelijk voor anderen aan de slag gingen’, zegt Heikelien Verrijn Stuart, rechtsfilosoof, publicist en mede-oprichtster van de Amsterdamse Rechtswinkel. Verrijn Stuart zit op de afdeling consumentenrecht, ‘niet superpopulair’, al is het onrecht dat ze tegenkomt er niet minder om. ‘Dan hadden mensen jarenlang gespaard voor een nieuwe ijskast. Dat ding deed het niet. Hoe kreeg je een nieuwe? Briefje schrijven aan de fabrikant. Die zal het een zorg zijn, toen al helemaal. Een advocaat konden mensen niet betalen dus: ijskast weg, geld weg. Die verhoudingen waren heel hard, heel ongelijk.’

Meteen al worden de rechtswinkeliers geconfronteerd met een lastig dilemma: met één briefje help je misschien één klant, maar los je het structurele onrecht niet op. Het is dweilen met de kraan open. Veel logischer zou het zijn om de onderliggende problematiek structureel aan te pakken, door actie te voeren en door te werken aan een rechtshulpsysteem dat in staat is het probleem van rechteloosheid aan de basis aan te pakken. De Tilburgse EHBO brengt dit idee van ‘strukturele rechtshulp’ in 1971 in praktijk met een actie tegen de plaatselijke sociale dienst. De ambtenaren laten voortdurend termijnen verlopen, zijn onbereikbaar en nemen rammelende besluiten (wat blijkt uit het grote aantal gewonnen beroepszaken). De studenten schrijven een rapport dat veel stof doet opwaaien, de verantwoordelijke wethouder belooft beterschap. Twee jaar later is er niks veranderd, dus schrijven de studenten opnieuw een brief, deze keer aan de gemeenteraad waarin ze de geachte leden wijzen op hun verantwoordelijkheid voor het goed functioneren van de dienst. Nu komt de wethouder wel in actie.

In 1975 wordt de Vereniging voor Rechtshulp opgericht waarbij iedereen die de rechtshulp een warm hart toedraagt zich kan aansluiten om ‘een bijdrage te leveren aan de strijd’. Ook op het ministerie van Justitie in Den Haag onder minister Dries van Agt (CDA) rijpt de notie dat er iets moet gebeuren. ‘Ze subsidieerden wel allerlei kleinschalige initiatiefjes, maar vooral op strafrechtelijk gebied’, vertelt Paul Verberne, oud-advocaat, -ambtenaar en tegenwoordig caféhouder in ruste. ‘Daar wilde men eenheid in brengen. Toen heb ik, met advocaat Cees Groenendijk en criminoloog Roel Bergsma, een nota geschreven: Naar een Bureau voor Rechtshulp voor een overheidsorganisatie waarin juridisch geschoolde medewerkers eerstelijnsrechtshulp verlenen en zwaardere zaken doorverwijzen naar de advocatuur. Die hebben we aangeboden aan de minister. Daarvan vielen alle bodes op het ministerie om. En de minister ook.’

Het eerste Buro voor Rechtshulp opent in 1974 zijn deuren aan de Droogbak in Amsterdam, en vestigingen in heel Nederland volgen snel. ‘In Amsterdam is in de Droogbak de victorie begonnen’, jubelt de minister een jaar later in de Rechtshulpkrant, een bijlage bij Ars Aequi. Wel heeft Van Agt een ‘a-politieke’ organisatie voor ogen en van ‘structurele rechtshulp’ door bureaumedewerkers moet hij niks hebben: ‘Je kunt ook rechtshulp verlenen zonder te dokteren aan de feilen van de maatschappij.’

Na hun studie willen de studenten kantoren (kollektieven) oprichten waar alleen máár pro-deo-rechtshulp wordt verleend. Dat is nieuw en er is geld voor nodig, dus ook zij melden zich bij Van Agt, die wel een voorschotregeling wil treffen. ‘Hij begreep dat rechtsbescherming van minvermogenden hoort tot de grondslagen van de rechtsstaat’, memoreert advocaat Leo Spigt, mede-oprichter van het Amsterdamse Advokaten Kollektief (AAK) en later overgestapt naar de commerciële advocatuur, waarin hij nog altijd actief is. ‘Door dat zetje konden al die kantoren gaan draaien.’ Een jaar later wordt ook de Stichting Strafrechtpraktijk opgericht, die vier advocaten in loondienst neemt. Het Haagse ‘strafrechttandem’ van advocaten Gerard Spong en Mischa Wladimiroff wordt een succes en zet de praktijk later samen voort, het Arnhemse duo valt uiteen.

De kollektieven vestigen zich in volkswijken om benaderbaar te zijn voor hun cliënten, die in groten getale toestromen. Ze adviseren, procederen, houden spreekuren en geven voorlichting aan groepen zodat mensen ‘van elkaar kunnen leren’. Veel juridische ellende wordt veroorzaakt door sociaal-maatschappelijk leed, dat de advocaten in overleg met allerlei instanties proberen op te lossen. Dat lukt meestal ook wel, zo valt in hun jaarverslagen te lezen. Zo helpt het Amsterdamse Advokatenkollektief een cliënt die wordt vervolgd voor een ‘onbenullig delict’, waarbij huisvesting het probleem blijkt te zijn. Na bemiddeling bij de Dienst Herhuisvesting krijgt de man een woning aangeboden. Een andere cliënt die verdacht wordt van brandstichting blijkt ‘door sterke vereenzaming’ tot zijn daad te zijn gekomen. De zaak wordt geseponeerd, en de advocaten brengen de man in contact met een drumband, ‘waar hij zeer goed wordt opgevangen’. Maar aan het zoeken naar geschikte hulpverleners wordt veel, té veel tijd besteed. ‘Het verlammende besef dat individuele hulpverlening niets werkelijk oplost speelt progressieve rechtshulpverleners parten’, schrijft het Kollektief Amsterdam Oud-West (AKOW) in zijn jaarverslag 1977-1978. ‘Zij zouden zo graag doorstoten naar de oorzaken van de maatschappelijke gebreken waarmee zij in hun hulpverlenerspraktijk worden geconfronteerd.’

De leemte in de rechtshulp is vooral zichtbaar op rechtsgebieden waarvoor je officieel geen advocaat nodig hebt om te procederen, dus ook in het strafrecht. Juist daar, waar verdachten lijfelijk zijn overgeleverd aan de staat, worden de scheve machtsverhoudingen pijnlijk zichtbaar. De politie is oppermachtig en wordt nauwelijks gecontroleerd. Verdachten die zijn opgepakt krijgen geen advocaat te spreken, getuigen worden niet gehoord, niemand controleert of bewijs in strafzaken rechtmatig is verkregen. Het ‘trapje’ op het Amsterdamse Bureau Warmoesstraat is berucht: opvallend veel verdachten zijn er op weg naar de verhoorkamer ‘vanaf gevallen’.

Als bewoners van de Nieuwmarkt in het voorjaar van 1975 protesteren tegen de afbraak van hun buurt breken er rellen uit. De politie zet grof geschut in: tanks, traangas en waterkanonnen, en agenten slaan er keihard op los. Tientallen mensen, ook toevallige voorbijgangers, worden aangehouden. Toenmalig advocaat Willem van Bennekom staat een man bij die verdacht wordt van stenen gooien, maar bij hoog en bij laag ontkent. Hij doet iets wat tot dan toe vrijwel nooit gebeurt. ‘De politierechter liet zó overduidelijk weten: “U gaat voor de bijl! Ik ben er vast van overtuigd dat u stenen hebt gegooid.” Wat gewoon niet wáár was maar er was geen enkele discussie mogelijk. Toen heb ik hem gewraakt.’ Een jaar later worden honderden klachten over het politieoptreden met één pennenstreek door officier van justitie Messchaert geseponeerd. ‘Doofpot’, kopt weekblad Vrij Nederland (op 12 januari 1977).

Een poging om alsnog vervolging van de politieagenten af te dwingen (via een artikel 12-procedure) mislukt. De sociale advocaten laten het er niet bij zitten en richten de Stichting Klachtenburo Politie op. Binnen twee maanden komen er zestig klachten binnen: verdachten die, geboeid en al, tegen de grond worden geslagen of wie medische hulp wordt ontzegd. Het Klachtenburo Politieoptreden staat aan de wieg van de klachtencommissies die tegenwoordig in alle gemeenten te vinden zijn. ‘Het kostte even tijd, maar het drong uiteindelijk tot justitie door dat een onafhankelijke klachteninstantie voor het optreden van een organisatie als de politie niet de rechtsstaat ondermijnde, maar juist versterkte’, schrijft mede-oprichtster Heikelien Verrijn Stuart er dertig jaar later over in het Jaarboek van de Leidse universiteit.

Feministische advocaten vormen een bijzondere, zeer activistische tak binnen de sociale advocatuur. Ze richten eigen kantoren op, of werken alleen. Op het gebied van vrouwenrechten valt veel te halen, want vrouwen worden in het recht domweg gediscrimineerd. Getrouwde vrouwen krijgen bijvoorbeeld geen arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat ze geen ‘kostwinner’ zijn, terwijl ze wel sociale premies betalen. ‘Volgens Europese regels hadden ze er wel recht op’, zegt Verrijn Stuart. ‘Maar Nederland voerde die gewoon niet uit, dat werd veel te duur.’ Door een reeks proefprocessen loopt de druk zo hoog op dat de wet uiteindelijk wordt aangepast.

De vrouwen richten hun pijlen ook op wat dan nog ‘ongewenste intimiteiten’ wordt genoemd: #MeToo avant la lettre. ‘Ik heb voorgesteld om daar “seksuele intimidatie” van te maken’, zegt Verrijn Stuart. ‘Er was namelijk niks intiems aan, het ging gewoon om macht.’ De eerste zaak over seksuele intimidatie op het werk is in 1982, van een Nijmeegse secretaresse die jarenlang door haar baas is lastiggevallen. De man maakt voortdurend seksueel getinte grapjes en toespelingen. ‘Als ze zei “schei uit”, kwam dat niet aan’, vertelt haar advocaat Agathe van Bon-Moors. ‘Zijn verweer was: het zijn maar grapjes, we hebben toch een goede verstandhouding. Maar voor die vrouw is er helemaal geen goede verstandhouding.’ De rechter is het met haar eens: een baas hoort zich niet seksueel op te dringen aan zijn werknemers en het verbod daarop wordt tien jaar later opgenomen in de Arbowet.

Ook wordt het delict ‘verkrachting’ nader gedefinieerd. Tot 1991 valt alleen het binnendringen van penis in vagina eronder, gedwongen seks binnen het huwelijk is niet eens strafbaar, het hoort tot de ‘huwelijkse plicht’. ‘Je had het begrip aanranding, dan kwam er een hele tijd niets, en dan verkrachting’, zegt Verrijn Stuart. ‘We hebben laten zien hoe gruwelijk al die andere handelingen – met flessen, noem maar op – kunnen zijn.’

Veel strijd wordt gevoerd tegen ingesleten vooroordelen bij justitie. Vrouwen die aangifte willen doen van verkrachting worden weggestuurd want ‘wie ’s avonds laat in een kort rokje over straat gaat, vraagt er toch een beetje om’.

Een schrijnend probleem dat de sociale advocatuur met succes aanpakt is achterstallig onderhoud van huurwoningen. In de grote steden is na de oorlog weinig aan onderhoud gedaan en hele woonwijken zijn verpauperd en verkrot. Er wordt nauwelijks bijgebouwd dus mensen kunnen nergens heen. Een groepje advocaten brengt daarom op één dag tachtig zaken over achterstallig onderhoud voor de rechter. Peter Ingelse, oud-advocaat en voormalig voorzitter van de Ondernemerskamer van het Gerechtshof Amsterdam, was een van hen. ‘We hadden een soort systeempje opgezet: eerst schreven we Bouw- en Woningtoezicht, die kwam dan langs en bevestigde de klachten, daarmee gewapend sommeerden we de verhuurder nog één keer, en als dat niet hielp, wat meestal het geval was – ja, ze deden er een likje verf op maar de balken eronder waren nog steeds rot – spanden we een kort geding aan.’ Vice-president Ben Asscher komt ter plekke kijken, met door de advocaten opgetrommelde journalisten in het kielzog. Verrijn Stuart is erbij als verslaggeefster voor Stad Radio Amsterdam (de voorloper van AT5). ‘Dan stonden we daar met z’n allen in zo’n piepklein kamertje. De rechter had het natuurlijk gauw gezien: evidente lekkages, stukke verwarmingen, ramen die niet meer dicht wilden. Gewoon: dagelijkse pijn. Zo’n eigenaar kreeg dan te horen dat hij op straffe van een dwangsom aan de slag moest.’

‘Het idee om de rechter te vragen om te komen kijken kwam uit de kraakpraktijk’, vertelt voormalig krakersadvocaat Phon van den Biesen. Tegenwoordig doet hij vooral milieuzaken, zoals het afdwingen van een hogere luchtkwaliteit. Sinds 1971 is kraken niet langer strafbaar en in de jaren erna is de woningnood flink gestegen en zijn steeds meer panden gekraakt. In de grote steden is de woningnood hoog, maar door een stagnerende vastgoedmarkt laten beleggers veel panden leegstaan en worden ze gekraakt. Van den Biesen: ‘Ik was de rechters op kortgedingzittingen over ontruiming gaan voorstellen om eens in zo’n pand te gaan kijken, zodat ze konden zien dat daar gewoon werd gewoond. Dat vonden ze een goed idee, ze deden het graag en het leverde steevast een leuk persmomentje op, wat weer hielp om de goodwill voor de krakers te vergroten, zodat ze minder snel werden ontruimd.’

Begin jaren tachtig is de kraakbeweging uitgegroeid tot een autonome linkse subcultuur met anarchistische inslag en naarmate er grotere panden worden gekraakt verhardt ook de sfeer. Eigenaren proberen de panden leeg te krijgen en bij ontruimingen wordt steeds meer geweld gebruikt. Het omslagpunt komt met de Huidenstraat-methode, waarbij de eigenaar een ontruimingsbevel vordert op grond van een nepcontract met een aannemer dat hij het pand leeg zal opleveren. De rechtbank wijst dit af, maar het gerechtshof kent het toe.

De sfeer in Amsterdam is grimmig en advocaten die krakers bijstaan zijn niet erg geliefd bij de politie, omdat ze agenten oproepen als getuige of bij de rechter klagen over politiegeweld. De bom barst als het voltallige Advokatenkollektief Amsterdam Noord, inclusief de secretaresse en de toevallig aanwezige boekhouder, op verdenking van opruiing wordt gearresteerd omdat er een poster achter het raam hangt met een oproep om te demonstreren tegen de aanleg van de metro. Nooit eerder werd in Nederland een voltallig advocatenkantoor gearresteerd. Bij de rechtszaak die volgt verschijnen alle advocaten in toga en foto’s ervan halen de wereldpers. De officier van justitie eist met een rood hoofd dat de verdachten hun toga uittrekken, maar de verdediging voert aan dat de wet niets zegt over hoe je je mag kleden, of het zou de zedenwet moeten zijn.

Op het ministerie van Justitie begint men zich zorgen te maken over de begroting. Tussen 1970 en 1980 zijn de kosten van gefinancierde rechtshulp meer dan vertienvoudigd: van dertien miljoen gulden tot 152 miljoen gulden. In 1982 kondigt minister De Ruiter ingrijpende bezuinigingen aan: rechtzoekenden mogen voor rechtshulp op bepaalde gebieden alleen nog naar het Bureau voor Rechtshulp en ze moeten een eigen bijdrage gaan betalen (van vijftig of honderd gulden). Het leidt tot felle protesten: zowel de VVR als de Orde van Advocaten vindt het onaanvaardbaar dat degenen die het zwaarst worden getroffen door de crisis nu extra moeten gaan betalen. De bezuinigingen zijn ‘principieel zeer bedenkelijk en praktisch desastreus’, fulmineert advocaat Theo de Roos, te meer daar de overheid nogal wat juridische procedures aan zichzelf heeft te wijten: ‘Juridische problematiek ontstaat vaak door de inrichting van de wetgeving en het tekortschieten van het bestuur. Wetgeving is soms onnodig gecompliceerd en roept juridische vragen op.’ De Roos, tegenwoordig emeritus hoogleraar strafrecht, waarschuwt voor de gevolgen: ‘Hakken in rechtsbescherming en de daar als een Siamese tweeling bijbehorende rechtshulp bezuinigt wellicht iets in budgettaire termen, maar daarvoor moet een maatschappelijke prijs worden betaald. (…) Die prijs bestaat uit frustratie, verlies aan legitimiteit en polarisatie van maatschappelijke groeperingen.’

Het haalt niks uit. De bezuinigingen komen er en raken de advocaten ook – niet in het minst omdat ze weigeren de eigen bijdrage te innen. Een wet op de rechtsbijstand waarin een stabiel inkomen is geregeld is er nog niet en hoe die eruit moet zien is de vraag. Want waar de eerste generatie sociale advocaten wel iets zag in een contractenstelsel, waarin sociaal advocaten tegen een vast loon van de overheid rechtshulp verlenen, vindt de tweede generatie het idee dat de overheid op welke manier dan ook invloed heeft op hun werk onverteerbaar. Het leidt in de ooit zo eensgezinde rechtshulpbeweging tot een schisma tussen ‘de vrije jongens’ (de advocaten) en ‘de ambtenaren’ (van de Bureaus voor Rechtshulp). De advocaten voelen zich niet meer vertegenwoordigd door de VVR en in 1987 richten Phon van den Biesen en Theo de Roos de Vereniging Sociale Advocatuur Nederland (VSAN) op. Van den Biesen: ‘Individuen benadrukten steeds dat de onafhankelijkheid van de advocatuur echt niet in het geding was. Dat geloofde ik ook wel. Maar als die individuen er niet meer zijn, ligt er een model, een structuur klaar waarmee de overheid wél makkelijk bij bezuinigingen of om inhoudelijk politieke redenen zou kunnen ingrijpen.’

Inmiddels is Leo Spigt, oprichter van het Amsterdamse Advokatenkollektief, aangetreden als algemeen deken van de Orde van Advocaten. In de onderhandelingen over een nieuwe wet op de rechtshulp bevindt hij zich tegenover CDA-minister Ernst Hirsch Ballin, die een stelsel voor zich ziet waar ambtelijke Bureaus voor Rechtshulp eerste- én tweedelijns rechtshulp verlenen en advocaten alleen nog worden ingehuurd om te procederen. Spigt wijst dit plan af: hij vindt het ‘doortrokken van beheersmechanieken en de wens tot staatsinvloed op de balie’. De minister moet inbinden en in 1991 komt er een compromis: advocaten die toevoegingen willen doen (ook niet-sociale advocaten) moeten zich inschrijven bij de nieuw op te richten Raden voor Rechtsbijstand. In 1994 treedt de nieuwe wet, waarin de vrije advocatenkeuze is gewaarborgd, in werking.

‘Door de sociale advocatuur is er meer evenwicht gekomen in de beoordeling van belangen door de rechter’, zegt Willem van Bennekom, tegenwoordig vreemdelingenrechter in ruste. ‘Er kwam meer equality of arms.’ Het heeft ook z’n weerslag op de partij tegen wie sociaal advocaten het meest procederen: de overheid. Bestuursorganen die termijnen overschrijden of onbegrijpelijke besluiten nemen komen er minder makkelijk mee weg. ‘De beginselen van behoorlijk bestuur zijn flink aangedraaid: hoor en wederhoor, de motivering van overheidsbesluiten. Zaken die mensen nu als vanzelfsprekend ervaren.’

Plannen Dekker

Dat het stelsel van gefinancierde rechtshulp aan een opknapbeurt toe is, vindt iedereen: de Kamer, de minister en de sociale advocatuur zelf. De vergoedingen voor advocaten zijn veel te laag (want in twintig jaar niet gewijzigd) waardoor veel sociale advocaten het hoofd nauwelijks nog boven water kunnen houden. De leegloop is al gaande en nieuwe aanwas is er niet. En de kwaliteit laat ook nog wel eens te wensen over, schreven drie verschillende onderzoekscommissies. Maar aan de ziel van het stelsel, het recht op rechtsbijstand door een advocaat naar keuze, is sinds de wet op de rechtsbijstand uit 1994 niet getornd.

Tot afgelopen november. Toen presenteerde minister Sander Dekker van Rechtsbescherming zijn plannen voor een nieuw stelsel voor gefinancierde rechtshulp. De belangrijkste reden: geld. Volgens Dekker lopen de kosten van rechtshulp gierend uit de hand (wat aantoonbaar niet klopt: sinds 2011 zijn de kosten voor advocatenbijstand door verschillende bezuinigingsrondes juist gedaald met zeventien procent: van 389 naar 318 miljoen (Bron: Monitor Gefinancierde Rechtshulp 2017).

Hij wil dat mensen hun problemen zo veel mogelijk zelf gaan oplossen, liefst buiten de rechter om. Daarvoor krijgen ze straks ‘rechtshulppakketten’ op maat, afhankelijk van het soort hulp dat ze nodig hebben (zoals psychische, sociaalmaatschappelijke hulp of schuldhulpverlening) die zullen worden aanbesteed op de vrije markt.

Veel kritiek kreeg Dekker op zijn plan om een poortwachter in te stellen, een soort ‘juridische huisarts’ die gaat beslissen of iemand rechtshulp krijgt of niet, waarmee de gang naar de rechter kan worden afgesneden. ‘Door de toegang tot de rechter afhankelijk te maken van een beslissing van een poortwachter creëert Dekker een tweedeling in de rechtsstaat, want burgers met voldoende geld worden niet aan zo’n triage onderworpen’, schreef rechtsfilosoof Wouter Veraart daarover in Trouw.

Overigens zijn de plannen van Dekker nog rijkelijk vaag. De komende jaren wil de minister gaan experimenteren met projecten zoals er nu al een loopt in Rotterdam-Zuid, waar sociaal advocaten samenwerken met sociaalmaatschappelijke instanties. Dekker zal de Kamer vragen om in te stemmen met een Experimentenwet. De rest regelt hij dan in Algemene Maatregelen van Bestuur, waar niet in de Kamer over wordt gestemd. Dat is rechtsstatelijk ook nog wel een dingetje, zegt advocaat Bernard De Leest van de Orde van Advocaten. ‘Hij wil het stelsel wijzigen, maar niet door de wet te veranderen. Het is de salamitechniek: in stukjes hakken en doorvoeren zonder democratische controle. Maar als het gaat om zoiets wezenlijks als een stelselverandering hoor je dat gewoon via de koninklijke weg te doen.’


Voor dit artikel is geput uit Geschiedenis van de sociale advocatuur (2010) van dezelfde auteur