De stage als verkapte arbeidsplaats

Een leerplek is geen dienstbetrekking

Stagiairs in bijvoorbeeld de cultuursector, de geestelijke gezondheidszorg, bij bedrijven en bij de overheid moeten vaak tegen een schamele vergoeding volwaardig productie draaien. Dat wekt de schijn van uitbuiting.

Toen ze hoorde dat ze was aangenomen sprong ze een gat in de lucht. Op haar 26ste begon Manon enthousiast aan een zeer gewilde stage bij een non-profitorganisatie die opkomt voor mensenrechten. Ook al had zij al een masterdiploma op zak, een stage zag ze als een nodige stap naar werk. Voor de 32 uur in de week dat ze op het kantoor was kreeg ze niet meer dan een appel en ei. Een lunchvergoeding van een paar euro per dag voorkwam een rommelende maag in de middag. De relevante werkervaring, het netwerk en de bezigheden an sich zouden volgens haar ook veel waard zijn.

Al vrij snel bleek haar gedroomde stage niet te voldoen aan haar verwachtingen. Haar dagelijkse taken waren vooral ‘secretaressewerk’, vertelt ze me. ‘Ik was verantwoordelijk voor het openen en ordenen van de post. Ik mocht notuleren bij vergaderingen, afspraken inplannen. O ja, en ik schreef de nieuwsbrief.’

Om rond te komen sloeg Manon haar spaarvarken kapot. ‘Dat was wel pijnlijk. Ik vond het helemaal niet erg dat ik zuinig moest leven, hoor. Dat had ik er graag voor over. Maar het voelde gewoon echt niet goed om alleen maar uitgaven te doen.’ Ook haar ouders hielpen haar om rond te komen. Dat vond ze lastig. ‘In mijn hoofd praatte ik dat een beetje recht: het is een investering in de toekomst.’

Het leest als een Nederlandse spin-off van The Devil Wears Prada: een jonge, vlotte starter werkt zich uit de naad om haar droombaan te verwezenlijken. En papa stopt haar zo nu en dan wat briefgeld toe. Maar het verhaal van Manon is niet uniek. Er zijn talloze starters die net als Manon hun carrière beginnen met een stage. De stages voor pas afgestudeerden staan ook wel bekend als werkervaringsplekken. Een verfraaiende term, waarschijnlijk afkomstig uit re-integratietrajecten voor bijstandsgerechtigden, die de alom begeerde werkervaring benadrukt.

In de najaren van de financiële crisis signaleerden onder andere jongerenvakbond FNV Jong en het tv-programma De monitor een groeiend stageprobleem onder starters op de arbeidsmarkt. Ook in de Tweede Kamer werden kritische vragen gesteld over de ontwikkeling van stages buiten de opleiding. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (szw) besloot daarop om onderzoek te laten uitvoeren door Bureau Bartels. Afgelopen zomer werd het rapport Stages na afstuderen van dat onderzoeksbureau gepubliceerd. Voor het eerst werd een overzicht gegeven van het aantal stages na de studie in Nederland. Het cbs kon, onder andere op basis van de polisadministratie van het uwv, de omvang van betaalde stages na de studie bepalen. In de periode van 2012 tot en met 2016 steeg dat aantal van 22.520 tot 26.790. Dat is bijna tien procent van het totale aantal betaalde stages (in het schooljaar 2016/2017 waren er in totaal 288.000 stageplekken).

De cijfers laten zien dat de groep afgestudeerde stagiairs zich niet beperkt tot een honderdtal, maar de laatste jaren structureel tot in de tienduizenden loopt. Onbetaalde stagiairs zijn daarbij niet meegeteld. Zij worden namelijk nergens centraal geregistreerd – als ze überhaupt al een overeenkomst ondertekenen. En dus is het gissen naar de omvang van de meest kwetsbare schare.

Stages na afstuderen duiken op veel plekken op. We zien ze van stichtingen tot start-ups en van multinationals tot overheidsdiensten. Enkele branches springen eruit. Naast de notoire kunst- en cultuursector met vertakkingen als design, architectuur, journalistiek en mode, is ook een deel van de afgestudeerde stagiairs dienstbaar bij ngo’s en in de geestelijke gezondheidszorg. De afgelopen jaren sprak ik met een aantal van deze afgestudeerde stagiairs over hun situatie.

Verontrustende geruchten deden de ronde in de geestelijke gezondheidszorg, over psychologen en orthopedagogen die van de ene werkervaringsplek naar de andere laveren. Sophie kan daarover meepraten. Na haar afstudeerstage bij een instelling voor kinder- en jeugdpsychiatrie kreeg ze daar een fulltime arbeidscontract. Van lange duur was het niet. De bezuinigingen op de jeugdzorg speelden op en na twee maanden bleek er geen budget meer te zijn voor haar werkzaamheden. De organisatie wilde haar wel graag behouden en bood haar een werkervaringsplek.

Sophie accepteerde het aanbod. ‘Op zo’n moment dat je het te horen krijgt, pak je het natuurlijk met beide handen aan want je kunt in dat werkveld blijven werken’, zegt ze. ‘Ook al is het tegen een schamele vergoeding. Mijn vriendinnen en andere studiegenoten verklaarden me voor gek als ik het niet aannam. Dus toen heb ik het aangenomen: een jaar lang, twee dagen in de week, voor vijftig euro per maand.’

Sommige organisaties beteugelen de wildgroei aan stagiairs. Het personeelsbeleid van de rijksoverheid laat louter stagiairs toe die nog studeren. Maar ook voor die regel bestaan uitwegen. Studenten betalen een half jaartje langer collegegeld om die gewilde stage bij het ministerie van Buitenlandse Zaken toch nog te mogen doen. En vrijwilligerscontracten omsluieren afgestudeerde stagiairs bij politieke partijen.

Het wekt de schijn van onzichtbare arbeid: on(der)betaald en broos werk. De regels lijken duidelijk: een stage is om te leren, werk draait om productie. Het laatste verdient daarom loon, terwijl in het eerste geval niet eens een vergoeding verplicht is. Het onderscheid tussen werk en stage mag in theorie helder zijn, maar in de praktijk is het vaak moeilijk te maken.

Om stages goed te organiseren en voorgenoemd onderscheid te waarborgen, wordt er veel vertrouwen gesteld in het zelfregelend vermogen van de vrije markt. Volgens de letter van de wet mag een stage-overeenkomst worden gesloten tussen organisatie en stagiair zonder inmenging van een onderwijsinstelling. Dus mag gek genoeg iedereen stage lopen. Ongeacht of je nou een opleiding volgt of niet.

Om het huidige stagebeleid goed te begrijpen moeten we even terug in de tijd, naar de vooravond van deregulering en privatisering. In het kader van ‘participerend leren’ bekeek het kabinet-Den Uyl midden jaren zeventig de mogelijkheden van diverse vormen van praktisch buitenschools leren, waaronder ook de stage. Dat moest bijdragen aan de vermaatschappelijking van het onderwijs en daarmee zorgen voor een betere afstemming tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt.

‘Je pakt het natuurlijk aan want je kunt in dat werkveld blijven werken’

Nederland was aan het polderen avant la lettre. Aan de Sociaal Economische Raad (ser) werd gevraagd om in overleg met afgevaardigden van ministeries, onderwijsorganisaties en sociale partners een advies uit te brengen. In het rapport dat in 1981 volgde werd al gewaarschuwd voor een gebrekkige uitwerking van het stagebeleid: ‘Ten aanzien van de onderwijskundige inkadering van stages, de vergoedings- en financieringsaspecten en de institutionele vormgeving van de stagemarkt liggen er beleidskeuzen die door de nota niet of onvoldoende worden ingevuld.’ Die invulling werd vervolgens bewust overgelaten aan de praktijk. Zo konden vraag en aanbod zich per sector op elkaar afstemmen, was de gedachte.

Het was tevens een periode die zich kenmerkte door een goedgeefse verzorgingsstaat. De sociale zekerheid dekte een stuk meer dan vandaag de dag. Starters werden in hun overgang van studie naar werk onder de vleugels genomen door de overheid. Eenmaal afgestudeerd konden werkzoekenden in de rij aansluiten bij de uitkeringsinstantie voor een maandelijks inkomen. Bovendien werden stagiairs (nog wel) gezien als een forse tijdsinvestering voor een organisatie en dus leek een minimum vergoeding al veel gevraagd.

Het staat in schil contrast met de afgelopen jaren. Zeker in de Angelsaksische landen, waar marktwerking kordaat is bestendigd, kwamen de uitwassen van onbetaalde stages en uitbuiting van stagiairs aan het licht. In 2015 kwam een stageplek onder de hamer tijdens een veiling voor een Amerikaanse liefdadigheidsinstelling. Voor een luttele 25.000 dollar werd een stageplek verkocht bij een toen nog zeer vooraanstaande filmstudio in Hollywood, The Weinstein Company. Inmiddels is dit bedrijf berucht en beschimpt om zaken van een andere orde.

De veiling illustreert een laakbare stage-industrie in de creatieve sector. Sinds het nieuwe millennium hebben stages zich behoorlijk uitgedijd, stelt Angela McRobbie, hoogleraar communicatie aan Goldsmiths University in Londen en auteur van Be Creative: Making a Living in the New Culture Industries (2015). ‘Een stage is voor afgestudeerden een standaardpad naar werk geworden, zeker in de creatieve sector’, zegt ze met een licht Ierse tongval. ‘Eerder was de brug tussen studie en werk een open veld waar starters gelijke kansen hadden als zij solliciteerden.’ Dat proces is volgens haar sinds 2000 veel informeler geworden met een belangrijke rol voor netwerken: ‘Het old boys network en een vlotte babbel bepalen tegenwoordig veel in Engeland.’

McRobbie bespeurt een innige drang bij haar studenten om een voet tussen de deur te krijgen bij gewilde organisaties. Ze noemt de modewereld als schrikbeeld van onverbiddelijke concurrentiestrijd. ‘Het is ieder voor zich. En iedereen wil werken bij een bekende modeontwerper, een opkomende designer of een gerenommeerd weekblad.’ De bereidwilligheid is hoog maar de standaarden zijn laag. De economische recessie van 2008 heeft daar flink aan bijgedragen, door het arrangeren van stageconstructies. ‘De stage na een opleiding’, vervolgt McRobbie, ‘is zo een culminatie van individualisering, competitie en een geromantiseerd idee van werk.’ >

In een longread voor The Guardian van maart dit jaar beschrijft Amalia Illgner waarom ze heeft besloten om de organisatie waar ze stage liep aan te klagen. Het Britse tijdschrift en digitale radiostation Monocle was haar gedroomde stageplek. Voor haar diensten mocht ze weliswaar slechts dertig pond per maand aan lunches declareren, maar de ervaring, het netwerk en de hoop op een vaste plek waren ook van waarde. Op een gegeven moment sloeg dat gevoel om. Op een zomerse zondag werd ze tijdens een lunch met haar vrienden in het park gevraagd om met spoed wat punten van haar artikel op te helderen. Gehaast vertrok ze. Thuis achter haar computer besefte ze dat iedereen die aan het verhaal werkte betaald kreeg, van fact checker tot inktbezorger. Iedereen, behalve zij. ‘This was the moment I fell out of love with my internship’, schrijft ze.

Soms al op jonge leeftijd krijgen veel scholieren het goed bedoelde studieadvies om vooral te kiezen wat ze zelf leuk vinden. Na profiel- en studiekeuze komt de carrièrekeuze. Als het eenmaal zo ver is, horen zij op de dag van hun afstuderen opnieuw hetzelfde advies, ditmaal over hun carrière. Amerikaanse universiteiten hebben daarvoor de zogeheten commencement speeches tijdens de diploma-uitreiking – iets wat ongetwijfeld nog eens overwaait naar Nederland. Wereldsterren in toga geven in een bevlogen toespraak een dosis inspiratie mee aan de graduates. Die toespraken gaan, soms voorzien van dramatische filmmuziek en beeldfragmenten, nog wel eens viraal op de sociale media. In een speech die inmiddels meer dan dertig miljoen keer is bekeken raadt Steve Jobs aan ‘to do what you love’. En afgelopen schooljaar riep Oprah Winfrey op ‘to do the right thing’.

Naast muzen uit het grote Amerika zijn er dichter bij huis vrienden, familie en job coaches die afzwaaiende studenten dezelfde raad op het hart drukken: volg je passie en benut je talent. Cynici mogen deze arbeidsromantiek afdoen als iets voor bohemiens. Maar met pret vinden in je studie, en later werk, is op zich niets mis. En wie wil er nou niet geld verdienen met iets waar hij of zij plezier in heeft?

De drang om geluk na te streven in een loopbaan leidt soms tot ontstellende wendingen, blijkt uit het verhaal van Eric. Twee jaar na de uitreiking van zijn bul zegde hij zijn baan op als docent aan de universiteit. Zijn hart lag bij de politiek. Werkplekken bij zijn politieke partij waren echter schaars, stageplekken niet. Alhoewel een stage voor een afgestudeerde volgens het boekje niet mocht, werd dat vakkundig omzeild met een vrijwilligerscontract. De vrijwilligersvergoeding voor veertig uur per week bracht Eric geen vetpot, wel hoop op zijn droombaan.

De collectieve hartstocht voor arbeid wordt door de cultuursociologen Luc Boltanski en Eve Chiapello geduid als de nieuwe geest van het kapitalisme. In hun gelijknamige boek, The New Spirit of Capitalism (2005), beschrijven zij dat in de postindustriële samenleving de door Max Weber waargenomen protestantse ethiek (hard werken, soberheid en spaarzaamheid) niet langer als bindmiddel voor het kapitalisme geldt. In plaats daarvan staan autonomie, authenticiteit en expressie centraal. Een loopbaan is een persoonlijk project, ‘dicht bij’ jezelf. De Franse auteurs zien een belangrijke verschuiving ontstaan door de nu alom geprezen tegencultuur van de jaren zestig.

Uit de artistieke hoek klonk toen een fel marxistische kritiek: arbeid in het kapitalisme werkt vervreemdend. De homo faber, de mens die zijn bestaan vindt in arbeid en creatie, werd volgens Marx onderdrukt. De repetitieve fabrieksarbeid zou de natuurlijke drang van de mens om iets te maken volledig aan banden leggen. Er zou geen vrijheid zijn voor de authenticiteit en creativiteit van de mens. Een deel van de protestbeweging richtte zich op geestelijke bevrijding uit de kapitalistische kooi.

Na een grondige studie van managementboeken concluderen Boltanski en Chiapello dat deze bohemienne ‘artistieke kritiek’ door het kapitalisme is geïncorporeerd. Het bedrijfsleven bleek niet doof voor het psychisch welbevinden van zijn werknemers en antwoordde met afdelingen Human Resource Management. HR-managers toverden organisaties om tot een werkplek waar werknemers zingeving uit halen, zich mee identificeren en persoonlijke prestaties leveren. Het ‘collectief geestdodende werk voor zielloze commercie’ maakte plaats voor persoonlijke expressie in de postindustriële samenleving.

‘Afgestudeerden hebben vaak alleen oog voor grote namen in hun sector’

Deze, in termen van de Britse socioloog Nikolas Rose, psychologisering van werk heeft gepassioneerde en gemotiveerde werklui geschapen met hart voor de zaak. Niet alleen de werktevredenheid steeg, maar ook de productiviteit en winst. Het lijkt een situatie waar iedereen bij gebaat is: werknemers halen meer voldoening uit hun werk, talenten worden beter benut, topmanagers weten organisaties efficiënter in te richten en aandeelhouders zien de winsten stijgen.

Maar naast de opbrengsten van de artistieke marxistische kritiek hebben de emotionele investeringen ook een prijs. Creatief en passievol werk als receptuur tegen vervreemding heeft als mogelijk bijeffect dat financiële compensatie ondergeschikt wordt gemaakt aan een psychologisch inkomen. Drijfveren als persoonlijke zelfverwezenlijking en geluk worden verheerlijkt. Terwijl zij die hun loopbaan laten beïnvloeden door geld met argusogen worden bekeken. ‘In de eerste plaats zul je werk moeten doen omdat je het gewoon erg leuk vindt’, stelt Eric. Die beminnelijke houding ten opzichte van werk maakt studenten en starters ook kwetsbaar voor slecht betaalde plekken, zoals stages voor een habbekrats.

Koen Haegens schreef eerder eens in dit blad: ‘Autonomie? Vrijheid? Dat kun je niet eten.’ Om rond te komen wordt er dan ook creatief beknibbeld. Geen duur belegd broodje maar boterhammen met pindakaas, geen avondje naar de bios maar een gratis lezing, geen etentje buiten de deur maar bij vrienden over de vloer voor een friettafel. Manon deed aan ‘gratis sporten’: ‘Hardlopen in het park en spieroefeningen op mijn krappe studentenkamer.’

Er schuilt een vreemd soort romantiek in de persoonlijke offers van de homo faber. Het lijkt voor de homo economicus onnodig. Want de Nederlandse economie floreert: er is een stabiele groei, er is een ongekend aantal open vacatures en werkgevers worden gewaarschuwd dat het lastiger wordt om geschikt personeel te vinden. Los van enige naschokken van de economische crisis blijft in sommige sectoren inkomenszekerheid echter een eeuwige worsteling. Onlangs klonk uit de roemruchte cultuursector een schreeuw om eerlijke betaling van de voorzitter van de Akademie van Kunsten Gijs Scholten van Aschat. Een kritiek die in lijn met Boltanski en Chiapello kan worden opgevat als ‘sociale kritiek’. Anders dan artistieke kritiek richt die zich op ongelijkheid en uitbuiting.

Toch liep Manon niet alleen stage uit liefde voor de zaak, zegt ze. Nu, een paar jaar later, kijkt ze enigszins wrang terug op die periode. ‘Wat mij uiteindelijk vooral daar hield, was het idee dat deze stage op mijn cv een verschil zou gaan maken. Zonder die overtuiging was ik misschien wel vroegtijdig gestopt. Zoals mij door velen werd aangeraden trouwens.’ Ook de enquête van Bureau Bartels toont de druk op werkervaring. Driekwart van de vierhonderd bevraagden liep stage na de studie om relevante werkervaring op te doen.

De stage-ervaring – steevast werkervaring genoemd – geldt als een belangrijke kwalificatie in tijden van diploma-inflatie. Het toegenomen aantal hoogopgeleiden en het groeiend belang van andere kwalificaties zorgt voor een devaluatie van het diploma in bepaalde sectoren. Stageplekken, bestuursfuncties, vrijwilligerswerk en andere nevenactiviteiten worden aangegrepen om potentiële werkgevers te imponeren met een indrukwekkend cv of portfolio. Het is een belangrijke vorm van self branding voor de BV Ik om zich te onderscheiden van de fnuikende concurrentie. En zo komt de lat steeds hoger te liggen en groeit de onzekerheid onder studenten.

De ervaring van Manon en het publieke beklag van Amalia Illgner tonen ook een ander beeld dan het nog altijd springlevende stereotiepe beeld van de stagiaire die als sta-in-de-weg door de gangen van het kantoor drentelt voor koffie en printjes. In plaats daarvan zien we stagiairs die zich schikken in de mores van de arbeidsmarkt, die in hun handjes knijpen als ze ergens een voet tussen de deur krijgen en die worden ingezet voor essentiële taken. ‘Mij werd op een gegeven moment verteld dat ze zonder mij de boel niet draaiende konden houden’, vertelt Manon. Ze was geen nutteloze hulp, maar een nuttige kracht.

Daarbij kunnen stages voortkomen uit financiële noodzaak, uit het idee een jonge starter of een carrière omgooiende dertiger te helpen, of uit de overtuiging dat dit tegenwoordig normaal is. Zeker in een economie waar werk bestaat uit losse klusjes, kortstondige projecten en tijdelijke opdrachten is naast het zzp-schap en flexcontracten ook het stageconstruct een aantrekkelijke optie voor werkgevers. Toch zet het ook vraagtekens bij de afhankelijkheid van organisaties van hun stagiairs.

Stageregels

De juridische kenmerken van stages (en werkervaringsplekken) zijn beknopt. De primaire focus van stage-activiteiten dient gericht te zijn op het leeraspect. Daarbij hoort de stage-aanbieder adequate begeleiding te verzorgen voor de stagiair. Productie draaien mag, maar de stagiair hoort een additionele plek te bezetten. Een vergoeding is niet verplicht, ook niet voor reiskosten of andere onkosten. Een stage-overeenkomst wordt gesloten tussen stagiair en stage-aanbieder, de betrokkenheid van een onderwijsinstelling is niet noodzakelijk.

De inspectie van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid handelt vooral reactief. Na klachten van stagiairs trad de inspectiedienst in 2016 op tegen twee GGZ-instellingen. Van 32 stagiairs, allen al afgestudeerd, kon niet worden aangetoond dat het leeraspect boven de productie stond. En dus was er volgens de inspectie sprake van een dienstbetrekking. De stagiairs konden alsnog rekenen op het minimumloon waar zij recht op hadden.

Een oude definitiekwestie steekt weer de kop op. Wat is nou een stage? En waar dient die voor? Minister Wouter Koolmees van szw gaf daar onlangs zijn invulling aan. In reactie op het onderzoek Stages na afstuderen noemde hij de stage een mooi ‘opstapje’ naar betaald werk. Een meerderheid van de respondenten geeft namelijk aan dat de stage na de opleiding heeft geholpen bij het vinden van werk. Dat een stage op zichzelf waardevol kan zijn staat buiten kijf. Maar wie datzelfde rapport leest kan ook iets anders opmerken, namelijk dat driekwart van de respondenten het gevoel heeft dat zij hetzelfde werk deden als reguliere werknemers. En de helft zegt dat de stage een werkplek van een betaalde werknemer innam. De stage is zo bezien geen opstapje, maar een extra trede voor intrede tot de arbeidsmarkt.

Een trede die overigens lang niet iedereen zich zomaar kan veroorloven. Vooral in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk zijn stages na de opleiding vaak weggelegd voor de hogere middenklasse. De onvoorwaardelijke steun van vermogende ouders biedt voor stagiairs een uitkomst in hun dagelijks bestaan. In Nederland zien we ook afgestudeerde stagiairs die zelf bijverdienen achter de bar, balie en toonbank. Toch worden de kansen ook verkleind voor gegadigden met ouders die het minder breed hebben. Voor hen is er geen familiaal vangnet.

Iemand die een alternatief biedt is Lorena Rubio Toledo. Als ervaringsdeskundige met stage lopen in de designwereld weet ze hoe schraal en beknellend de omstandigheden voor starters kunnen zijn. Begin dit jaar is zij daarom een bedrijf gestart dat onder andere afgestudeerden koppelt aan organisaties. The Harvesting wil met zogeheten experienceships de talenten en vaardigheden van starters ‘oogsten’ bij organisaties die daar een gepaste betaling voor willen geven. Zij ziet veel kansen voor afgestudeerden om zich te ontwikkelen bij onvermoede organisaties, zoals bijvoorbeeld gemeenten. ‘Afgestudeerden hebben vaak alleen oog voor de welbekende grote namen in hun sector. Of ervaren moeite met het achterhalen van hun talent en hoe ze dat kunnen benutten. Daar proberen wij bij te helpen.’

Inmiddels hebben Manon, Sophie en Eric na al hun strubbelingen een baan gevonden waar ze veel plezier uit halen én waar ze aan het eind van iedere maand een salaris voor op hun bankrekening gestort krijgen. Toch is de stage na opleiding niet als een nachtkaarsje dat langzaam uitdooft zodra de landelijke economie weer opkomt. Het is een structureel fenomeen in de vrije arbeidsmarkt dat wordt aangewakkerd door economisch verval, maar vooral wordt gevoed door politieke, sociale en culturele factoren. Het is schrikbarend hoe normaal de stage na afstuderen is geworden.


Wie alleen met een voornaam werd aangeduid kreeg een schuilnaam. De namen zijn bekend bij de redactie