Een leeuw tussen de lemmingen

FRANS KUIPERS
HET ILLUSEUM VAN HERSENHEIM
Atlas, 64blz., € 16,50

Iedere dag kom ik dichter bij mijn dood

dat is duidelijk

dat is zo klaar als mijn sperma.

Ook de balpen waarmee ik dit schrijf

zal eens opraken

dat is zeker

dat staat zo vast als inkt op papier.

Frans Kuipers is de bekendste onbekende dichter van Nederland. Hij debuteerde in 1965 met de bundel Zoals wij, publiceerde sindsdien met soms enorme tussenpozen tien dichtbundels en prijkt met maar liefst negen gedichten in de meest recente editie van De dikke Komrij. Voor de zomer al verscheen zijn nieuwste bundel, Het illuseum van Hersenheim. Toch kent bijna niemand Frans Kuipers. Dat komt door de ongrijpbaarheid van zijn gedichten. Ze zijn modern noch ouderwets, ze zijn lyrisch noch postmodern en persoonlijk noch geëngageerd. Het zijn eenvoudigweg Kuipers-gedichten.

De man heeft een eigen genre, met een kleine schare bewonderaars. Het zijn nogal droevige observaties, vol verlangen, bitterheid en verlatingsdrift, geserveerd op een bedje van pseudo-optimisme, van een man die ‘in mijmerij een kei’ is en ’s nachts staart naar ‘een schim/ van luchtspiegelend jou’. Een man die soms zijn eigen grenzen niet kent en prompt met overslaande stem woehaat over ‘jij bent het nachtgoud// jij bent het tranenzout’ of ‘een slaapster weet ik opgemaakt door manenschijn’. Maar ondanks, of misschien juist wel dankzij dat doorschieten, is Kuipers zonder twijfel een dichter met een eigen geluid, hetgeen een zeldzaamheid is. Hij is een leeuw tussen de lemmingen.

Het fragment uit een titelloos gedicht boven aan deze recensie behelst een vaststelling waar geen woord Frans bij zit en waar je als lezer alleen maar om kunt knikken. Je leest op papier de uitgetypte versie van een met balpen geschreven vers, waarbij de man die de pen vasthoudt mijmert dat hij niet oneindig door kan schrijven, omdat hij sterfelijk is en omdat de inkt in de balpen eindig is.

Klaar. Meer is het niet, maar minder zeer zeker ook niet. Nog eentje:

Een dag als altijd.

Een dag als nog nooit.

Een tafel aan een raam.

Een raam uitziend op grazende paarden.

De woordenwind waait.

Ik mag dat wel, dat tegen de kitsch aan schuren. ‘Woordenwind’ als synoniem voor inspiratie. Je wint er de oorlog niet mee, maar als de dichter verderop in dit gedicht de ogen sluit en een ‘oudblauwe hemel’ waarneemt, en ‘de zingende, de pre-Ulyssisch zingende,/ de met niets en niemand/ begaan zijnde zingende zee’, met ‘kriskras het wrakhout en scheepstouw,/ tonnen en lorren, kokkels en keien’ bezingt, gaat bij mij een licht branden. Het eindigt zo:

verdoledingd alles, van verre gekomen

naar verder op weg.

Er is alleen maar poëzie.

Dat ‘verdoledingen’ is typisch Kuipers, de taalmetselaar zocht en vond hier een accurate verwoording van de chaos onder het zeewateroppervlak. Kuipers is een man van ‘megalalia’s’, van ‘reinegeile’ meisjes met ‘warwier’ haar en van ‘sterrenstrateneeuwigheid’. In vroeger werk sprak hij al over ‘sterrenstoffelijke kleurdromenzooi’, over ‘schedelschatplaatsen’ en, in zijn voorlaatste bundel met de exotische titel Het nergensgesternte deed het van ‘hartzeerchroniqeurs’ en ‘sujazeeënsakkernachten’, en als de lucht betrok werd het tijd voor ‘Circus Cumulus’. Lachen.

Het is onwaarschijnlijk eigen en avontuurlijk. Al hebben maar weinigen de poëzie van Kuipers gelezen, velen zijn door zijn werk beïnvloed. En maar zelden lees je zulke in al hun intimiteit bijna ranzige teksten over een man die het huis betreedt waar het ex-lijdend voorwerp van zijn ‘vingervuur’ niet langer meer woont. Dan horen we over een ‘sleutel die naar behoren jammerknarst/ in het slot’ waarna de ik-persoon zichzelf een hymne laat toezingen:

namens hen die kwamen en gingen hier,

namens hun afwezigheid, namens de lucht

in longen vertoefd, hartekloppen intiem

zich met haar ademhalers onderhouden hebbend,

namens de plek die men innemen mag – stilte

heet je welkom.

En mocht je dan de manhaftige om een verklaring willen vragen, dan roept deze eerst uit dat het maar niet later wil worden, dat het maar ‘Hoe Nu’ blijft, wat in het taalilluseum van Kuipers een tijdsaanduiding is, dat het afwachten blijft of de vertrokken hinde bereid is haar koffers nog eens in te pakken (‘Hindehenen/ en verdwenen u,/ hoe nu?’), waarna de dichter zijn dichterscape afwerpt en woedend en walgend begint te tieren:

– Ga ook jij, vrouwe,

vergezeld van mijn schim, zoals ik van de jouwe?

In twistgesprekken onzinnig verwikkeld,

het godrotte gelijk aan je zij;

schoolgaand in drab, ook jij?

En moetend opnieuw maar hoe en zo moe,

zo blut, zo bot, so what met je glaasje,

je kaarsje, de mug, de maan,

de minne verworden en de stilte stekels gekregen?

Een dergelijk Et tu Brute van een ‘krulhannes’ tot zijn ‘sneeuweeuwige’ kun je toelaten of wegleggen. Maar dat het helemaal eigen is, waar een groot aantal andere dichters er een genoegen in lijken te scheppen door voorgangers geasfalteerde wegen nog maar eens met een laag zoab te overdekken, valt niet te ontkennen.

Konden we maar wat meer waardering op-brengen voor eenlingen.